De Liefde en de Dood


...weten dat ik vrij ben, daar snak ik naar..


"Van alle bomen in de tuin mag je eten,
maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad;
wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.
Genesis 2:16-17


Denken is gevaarlijk

"Kan iemand schuldig worden bevonden op grond van zijn denkbeelden? Op fouten op het intellectuele, morele vlak staan wettelijk geen straffen. In een democratie mag je denken wat je wilt. Het wordt wel verwijtbaar als je willens en wetens de waarheid negeert omdat het je politiek gezien niet uitkomt..."
"Na mijn studie werd ik in 1964 voor Het Parool correspondent in Moskou. De ervaringen tijdens mijn driejarig verblijf nam ik mee naar Amsterdam, waar ik ging doceren aan het Oost-Europa Instituut. Nederland was rood, en fel gekant tegen de Amerikanen die in Vietnam vochten... Ga tegen die studenten maar eens zeggen dat de Sovjet-Unie een corrupt systeem is..." (Martin van den Heuvel - Volkskrant, 9 december 2000 )

Zwolle 8 maart 1991,
Brief aan de redactie van de Volkskrant,
t.a.v. Hugo brandt-Corstius.

Een oorlog zonder vrede

Beste HBC,
Op het moment waarop ik deze brief schrijf is de oorlog in het Midden-Oosten net voorbij...
Het was een kleinburgerlijke oorlog tegen 'het kwaad'.
George Bush sr kon het zo fraai zeggen: "Wij zijn de goeden in een slechte wereld, en als goede mensen streven wij naar een nieuwe wereldorde."

Ik vond het maar een wrede en zinloze grap.
Wie kwaad schept, is zelf kwaad...., dat is een immorele wijsheid die stok- en stokoud is.
Duizenden jaren geleden, in de prilste prehistorie wisten intelligente mensen al dat een op angst en haat gebouwde orde een schertsorde is en dat we niet moeten zoeken naar het goede, maar naar het 'het verloren paradijs', een niet aan primitieve waardeoordelen gebonden wereld, waarin de Boom des Levens zich bevindt...
Alleen die oorlog is zinvol die in dienst staat van het recht op leven, liefde en vrijheid van andere mensen. Oorlogen die alleen maar de kleinburgerlijke (valse of subjectieve) moraal moeten dienen zijn volmaakt zinloos.


Hop, hop, hop, we schoten er 100.000 door de kop, las ik in de Volkskrant.
Een klein, tegendraads berichtje in een zee van hysterische conformeringzucht.
Ik neem aan dat jij dat opstandige zinnetje ook gelezen hebt. Je hebt het namelijk zelf geschreven.. Maar dat zegt natuurlijk niks. Want veel mensen zijn met iets bezig, terwijl ze gewoon naar een kookrubriek op de televisie aan het kijken zijn:
100 gram margarine, vijf bittere olijven, een teentje knoflook - ehh, die oorlog daar, die was een beetje vies... - twee laurierbladeren en een scheutje olie... - zou toch anders moeten... - en een ei zonder eidooier: prik daarvoor met een scherp voorwerp een gaatje in het ei en plaats het ei, met het gaatje aan de onderkant graag.., op een kopje, een glas, of enig ander stuk keukengerei waar vocht in opgevangen kan worden, en zorg ervoor dat het ei niet breekt!

Ik bedoel daarmee te zeggen dat ik een beetje vreemd opkeek.
Omdat de redactie het plaatsen van jouw veroordelende opmerking heeft goedgekeurd, terwijl mijn harde, tegen een subjectieve moraal gerichte kritiek niet gepubliceerd mag worden, ook niet in verkorte vorm, omdat ze aanstootgevend zou zijn.
Waarom mag jij wel rare opmerkingen plaatsen, denk ik dan. Ben jij misschien ook een irrationele moralist, en ben je daarom 'goed', dus niet gevaarlijk? Of willen ze je gewoon te vriend houden, omdat jij in hun ogen 'een belangrijke man' bent?

Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de jaren zestig, waarin behoudzuchtige politici alles in het werk stelden een wilde, opstandige studentengeneratie aan zich te binden, ook al wezen intelligente mensen er op dat er in veel gevallen sprake was van doodgewone terreur...
Repressieve tolerantie, noemt men een dergelijke vorm van kleinburgerlijk pappen- en nathouden gedrag. Gewoon de dwingelanden hun zin geven, ook al gaat dat ten koste van diegenen waar je als intellectuelen-organisatie eigenlijk voor op zou moeten komen.
Het gaat de machthebbers alleen maar om macht. Ze konden rustig in het zadel blijven zitten, terwijl de linkse generatie, die ons aan de hand van het werk van de filosoof Herbert Marcuse voorhield dat we niet in de valkuil van de repressieve tolerantie behoorden te trappen, uitgroeide tot de meest starre en aangepaste generatie die ons volk ooit heeft voortgebracht.
Wanneer de linkse revolutionairen over een klein beetje gezond verstand en zelfkritiek hadden beschikt, dan zou hen dat niet zijn overkomen. Maar ze hadden een gruwelijke hekel aan gezond verstand. Want dat gezonde verstand, dat was toch de representant van de autoritaire, antidemocratische generatie? En die wilde de tegendraadse, rebelse mens toch inkapselen en monddood maken...?
En die rebelse mens, dat zijn zij toch? En met hun overwinning is de geschiedenis toch ten einde? Dan zijn er toch geen nieuwe rebellen meer nodig.., want wat zouden die nog voor nieuws kunnen toevoegen aan de 'ideale vrije maatschappij' die men in de jaren zeventig heeft gemaakt? Het oude systeem deugde niet. Maar het nieuwe systeem moet eeuwig blijven...

Nadenken heeft de linkse jaren zeventig generatie nooit erg goed gekund. Hoe kan dat ook, als je anti-autoritair wilt zijn en de intellectuelenhaat verkondigt en ook nog eens gaat pronken met de veren van weggejaagde anderen?
Nog altijd worden mensen die werkelijk kunnen en willen nadenken gehaat op een wijze die je ronduit demonisch mag noemen.
Dat komt omdat de werkelijke denkers alleen maar het grote bedrog van ideologisch links kunnen aantonen. Ze hoeven maar een enkele verstandige zin uit te spreken, en heel ideologisch Nederland valt door de mand.
En omdat ik mijn kritische schrijverschap begon op het moment waarop de linkse revolutie haar hoogtijdagen beleefde - mei 1970 - de maand waarin de rector-magnificus van de Universiteit van Amsterdam (professor A.D. Belinfante) aan alle studenten en wetenschappelijke medewerken een aantal 'zendbrieven' toezond, waarin melding werd gemaakt van het feit dat 'normaal wetenschappelijk werk' op veel instituten niet langer mogelijk was... - daarom heeft men aan analyses van buitenstaanders, mensen die het slachtoffer zijn geworden van het gedrag van zich 'goed' noemende mensen, geen boodschap, omdat het de aangeklaagden onvermijdelijk confronteert met hun geweten, waarvan bepaald niet gezegd kan worden dat het een rein en lelieblank karakter draagt.


"Professor A.D. Belinfante was gematigd progressief. In 1966 pleitte hij voor de gekozen burgemeester, een jaar later voor de instelling van een nationale ombudsman. Hij was een vastbesloten verdediger van de Wet Universitaire Bestuurshervorming (de 'WUB').
Hij keerde zich in het voorjaar van 1970 in een reeks open brieven aan personeel en studenten van de UvA tegen de 'uitwassen' van de democratisering van het universitaire onderwijs. In juni 1971 zegde hij zijn lidmaatschap van de PvdA op."


Wat zich in Nederland nieuw-links noemt is het product van repressie. En datgene wat geboren is uit repressie kan alleen maar onderdrukken.
De ME past die repressietechniek ook toe tijdens rellen. De grootste schreeuwers pak je op of smeer je stroop om de mond. En dan kun je met de rest doen wat je wilt.
Het zal duidelijk zijn dat ik als nuchter buitenbeentje weinig waardering kan opbrengen voor een dergelijke schertsvertoning. Je zou kunnen stellen dat ik in feite nooit de jaren zestig ben ontgroeid. Ik haat namelijk repressieve tolerantie...(de grootste schreeuwers en actievoerders belonen, zodat de eenzelvige, individualistische, en daarom juist uiterst gevaarlijke intellectuelen monddood gemaakt kunnen worden).
Ik ben geen politicus. Ik wil geen wereld van objecten in het leven roepen, waar ik totaal geen respect voor mag hebben. Want dat is het kenmerk van een naar macht verlangende politicus. Hij komt nooit voor mensen op. Dat kan ook niet. Want met mensen moet je rekening houden. En dat is nu precies wat een machtdenker niet wil. Hij kent alleen het ontzielde object. Daarom is hij vrijwel altijd een eenzaam, geïsoleerd en contactgestoord mens.
En juist omdat ik de liefdeloze platheid van het bestaan verafschuw en bezieling zoek, kon ik als vorm van verzet weinig anders doen dan tegendraadse opmerkingen maken in een reeks (pacifistische) protestbrieven aan de redactie van de Volkskrant.
Je moet je in hun wereld laten inlijven, je eigen identiteit opgeven, maar dat wil ik niet. En het merkwaardige is dat ze die weigering ervaren als een daad van onfatsoen.
Daarom willen ze met mij niets te maken hebbe n. Ze willen mij verplichten me te gedragen als een 'goede, oppassende burgerman', die niets onfatsoenlijks zegt over 'goede mensen', en ze leggen me, zonder geplaagd te worden door ook maar enige opwelling van morele geremdheid, een schrijfverbod op: vanwege mijn aculturele, aliteraire, amorele, en mogelijk zelfs antisemitische op- en instelling.
Best wel vreemd, een brief te krijgen waarin een redactielid van een linkse krant opmerkt dat er nooit iets van mij gepubliceerd zal worden: "Nu niet, morgen niet, en ook in de toekomst niet..."

Jij, als maker van de cynische, veroordelende grap Hop, hop, hop, we schoten er 100.000 door de kop, mag natuurlijk wel kritiek hebben.
Dat verbaast me, eerlijk gezegd.... Dan denk ik: 'Die man meent niet wat hij zegt of hij is een clown die door niemand serieus genomen wordt, een hofnar, die het linkse publiek mag vermaken, maar ook niet meer dan dat...." Want als hij werkelijk kritisch was, dan zou hij mijn medestander zijn, en dan zou ik niet in zijn wereld de afgewezen 'underdog' moeten spelen.

"Gelijke monniken, gelijke kappen", zei mijn overleden opoe altijd tegen mij, wanneer ik afdaalde in haar niet al te prettig ruikende graf.
O, wanneer ze dat tegen mij zei, dan staarde ik altijd, met toegeknepen neusgaten vanwege de niet te harden penetrante stank, maar wel vol kinderlijke bewondering en diep ontzag, naar de prachtige, groen uitgeslagen botten van haar skelet, en dan luisterde ik naar het macabere gerammel van de tanden in haar ontvleesde kaken en dan vond ik haar zo lief, dat ik het liefst de kist van rottend hout in wilde duiken, teneinde samen met haar de Liefde te bedrijven. NECROFILIE noemt men dat, seks bedrijven met de doden...
O, hoe harder men mij met vals-morele oordelen om de oren slaat, des te recalcitranter en amoreler ik word.
De wereld is soms zo godvergeten schijnheilig... Ze dwingen je gewoon om dwars te zijn...


"Iedereen komt in zijn leven met emotionele gebeurtenissen in aanraking; soms persoonlijk, soms via de naaste omgeving. In deze bundel neemt de schrijver Karel Brummans u mee naar allerlei situaties."
Kijk nou eens naar die oorlog tegen Irak, die we, zoals we dat zo trots uitroepen, gewonnen hebben...
Ik heb als objectief waarnemer wekenlang voor het televisiescherm gezeten en ik heb mezelf zitten afvragen op welke wijze die oorlog een positieve investering in de toekomst is geweest, een oordeel dat, zoals je wellicht weet, afkomstig is van de huidige minister-president Ruud Lubbers.

Ik ben een nuchter mens, een pragmaticus, en het kenmerk van een pragmaticus is dat hij voortdurend met een zuinig gezicht zichzelf zit af te vragen wat het mogelijke nut van een bepaalde handeling is.
Jij kijkt mij peinzend aan. Je hebt een tegendraads karakter. Dus je vraagt: "Is alles wat jij de laatste tijd geschreven hebt, dan geschied vanuit een zakelijke, op het algemene nut gerichte kruideniersmentaliteit?"
Ik kan alleen maar instemmend knikken. Want zo voel ik me op het ogenblik. Een collega van Albert Heyn en de HEMA: een grootgrutter in literaire handelswaar...
De schappen van mijn kleine, ordentelijk ingerichte supermarkt liggen vol met de meest vreemde en exotische, maar ook uiterst ordinaire en goedkope spullen.
Boven de ingang van mijn bijzonder lucratieve eenmansbedrijfje hangt een immens groot bord, met daarop de lachende beeltenis van mijn overleden opoe..
Uit haar mond ontspruit zich een reusachtige tekstballon, waarin een tekst te lezen staat, die zowel opwekkend als uitnodigend is:
'Treedt allen binnen, wij hebben voor elk wat wils...'

Maar om mijn verhaal te vervolgen: De oorlog in het Midden-Oosten is voorbij...
Ik heb nog een moedige poging gedaan 'liefde te maken',MAKE LOVE, NOT WAR, maar de redactie van de Volkskrant en de Liefde, dat zijn twee grootheden die volledig haaks en kruiselings en weet ik wat nog meer op elkaar staan.
Bedenk liefde en maak oorlog, dat is de leuze van de rebelse jaren-zestig generatie geworden. De triomf van de kunstmatigheid, die de onechtheid verbergt achter het masker van een oorlog, die nooit meer beëindigd mag worden, omdat de Liefde niet bestaat, maar wordt ontworpen, bedacht.., gecreëerd.

Ik vind het maar een eng gebeuren. Liefde scheppen als je geil als boter bent, da's lang niet simpel en eenvoudig, want Liefde, dat is toch geen vergeestelijkte vorm van het kinderspelletje Hamertje Tik?
Als kind kreeg ik op een goede dag een doos cadeau, met daarin een veelkleurig geheel van kleine houten figuurtjes, een stukje spaanplaat, een kleine, donkerblauwe nijptang, een groot aantal zilverkleurige kopspijkertjes en een hamer, waarvan de kop geverfd was - heel onecht eigenlijk en ook levensgevaarlijk, want tijdens het timmeren vlogen de scherven afgebrokkelde verf je als venijnige horzels om de kleine verhitte timmermansoren...
Ik vond het - ondanks het aanvankelijke fanatisme - uiteindelijk maar een kinderachtig, fantasieloos gedoe, dat vasttimmeren van voorgevormde figuurtjes op een klein dun plankje, waarin steeds meer gaatjes kwamen te zitten, zodat op het laatst alle figuurtjes met spijkers en al van het bord vielen als je het plankje vol trots aan een ander wilde laten zien.
Ik heb goedkope rommel mijn leven lang gehaat! Dat komt waarschijnlijk omdat ik zo een nuchter mens ben. En je weet dat nuchtere mensen in feite de meest fantasierijke mensen van de wereld zijn - juist omdat ze weten dat ze alleen maar met behulp van de fantasie de eigen saaiheid kunnen bestrijden.
Speelgoedautootjes, die in geen enkel opzicht de eigen verbeelding prikkelen, heb ik daarom altijd gehaat. Ik wilde een echte auto bezitten, zo eentje met voorwielaandrijving, met deurtjes die je kon openen en sluiten en een zitbank met echte kussens erin die waren overtrokken met van dat mooie glimmende spul dat ook in echte auto's zat, waar je op kon zitten als een vorst, , terwijl je met een streng en autoritair gezicht een beetje minachtend neerblikt op al die imbeciele kinderen die als dwazen over de met bont kleurkrijt volgekalkte trottoirs aan het hinkelen zijn.

Geen kinderachtige driewieler, maar een echte auto, wat heb ik daar jarenlang naar verlangd.... Daar droomde ik van onder de wame dekens. Dan zoefde ik door de straten van de stad, de zweterige handen stevig geklemd om de met zwarte stof bedekte rand van het stuur, een volwaardig grote-mensen-stuur, met spaken en een echte claxon in het midden, zo eentje met een batterij er in, zodat je niet op een infantiele wijze toet-toet hoefde te roepen, zoals al dat kinderachtige gebroed op straat dat deed, met auto's aan touwtjes, of schoenveters...
Ja heus, iets tragischer bestond er in mijn ogen niet toen ik klein was, een speelgoedauto voortspelen met behulp van een lange, rafelige zwarte schoenveter...: de ultieme wanhoop, het absolute einde van de waardigheid van de mens...
Maar helaas, mijn vader was geen rijke man, en zo kon het dan ook gebeuren dat ik op een verveelde wijze wat zat aan te rommelen met een paar blikken speelgoedauto's, die je met de hand over de grond diende voort te rollen, alsof het verongelukte autowrakken waren, die je naar de sloper behoort te brengen.

Altijd al vond ik de wereld om me heen een saai en vervelend gekkenhuis.
Kinderen die toet-toet-schreeuwend over de grond kropen riepen gevoelens van diepe minachting op in mijn op praktisch nut gerichte geest. Balletje trappen op straat, o god, dat was het toppunt van stompzinnigheid. Twee stokken, gestoken in de smalle ruimte tussen een paar straatstenen: 'Jij bent kieper..' "Kieper?" 'Ja, je moet de bal tegenhouden" "En wij trappen hem erin.."
Ik had het snel gezien. De jongens van de straat..
Ik kocht van mijn zakgeld meccanodozen, dozen vol nuttig, praktisch bouwmateriaal, die je met behulp van boutjes en moertjes in elkaar moest zetten, en het toppunt van geluk was voor mij het vervolmaken van het zorgvuldig gecontroleerde en beproefde eindproduct met behulp van lampjes, een kleine elektrische motor en een transformator, moderne magiër- of tovenaars- middelen, waarmee ik de verbeelding om kon zetten in een werkelijk majestueuze werkelijkheidservaring, waaraan zonder enig voorbehoud de realistische naam HIJSKRAAN kon worden toegekend...
Dat was nu werkelijk het aan de macht brengen van de verbeelding, wat ik daar als klein, praktisch ingesteld kind deed met de ijzeren voorwerpen uit mijn meccanodoos...
Nu kon ik, als een vorst aan tafel gezeten, met behulp van een magneet, die ik aan het uiteinde van een meterslange kabel had bevestigd, de zinloze blikken speelgoedauto's, die motorloos op de grond hun fantasieloosheid lagen te bewijzen, omhoog takelen en ze als oud schroot neer laten vallen in een lege schoenendoos.
Een sloper die de strijd wil aanbinden met de onechtheid van het leven, dat maakte de armoede van mij in die jaren, een nuchter kind dat alleen nog maar kan dromen van de vernietiging van de stompzinnige, onpraktische fantasieloosheid om hem heen
En ik ben nog helemaal niks veranderd...!

Sommigen zeggen tegen mij; Waarom schrijf je als verbeeldingrijk mens geen roman?
God, zeg ik dan, waarom zou ik dat doen? Ons land zit vol met 'romanciers'. En alles wat ze doen is woorden aan elkaar rijgen. Als apen die een kunstje hebben geleerd. En daar komt bij: Hoe kun je nu rustig een boek schrijven, als je jezelf - net als de schrijver Jan Arends - een gevangene voelt?

Ik kan er niets aan doen,
schrijft Jan Arends in een door Remco Campert uitgekozen reeks gedichten,
maar
ik
zie alleen maar een grote grauwe troep
naar het einde vluchten.

Jan Arends verafschuwde het Amsterdamse schrijverswereldje.
Hij was het buitenbeentje, de zondebok.
Wat denk je dat voor hem de essentie was van literatuur?
Lege, inhoudsloze mooischrijverij?
Zeer zeker niet. Literaire critici als Jaap Slegtegebuure en Arnold Heumakers zouden grote bewonderaars van Jan Arends moeten zijn.
We hebben straatrumoer nodig in onze verkalkte vaderlandse literatuur, heb ik ze in het verleden vaak horen roepen.
En mijn hemel, dan verschijnen ze in een literair praatprogramma voor de televisie en dan noemen ze zichzelf op een lauwe, passieve wijze 'professor' en dan komen ze aanzetten met een brievenboek van de Franse schrijver Flaubert. Echt zo een sjiek en gepolijst kakboekje, waarmee je goede sier kunt maken op 'de Kring'...

Op de kring.
schrijft Jan Arends,
komen nette mensen niet.

Daar gaat de taal
als goedkope handel
van tong tot tong.

Daar komt laster
vandaan
en kwaad.

Daar komt het geweten
bij het lichten van de dag
beschonken naar buiten.

Nee, beste HBC of hoe je als product van mijn rebelse geest ook mag heten, je kunt de boeken van Flaubert maar beter weggooien en je tijd besteden aan het maken van rumoer.
Hop, hop, hop, we schoten er 100.000 door de kop - bijvoorbeeld.
En je moet je kritisch blijven opstellen.
Gewoon opmerken dat de oorlog in feite helemaal niet voorbij is..., omdat er geen sprake is van vrede, maar van een opgelegd dictaat, dat geen ruimte biedt aan het groeien en ontwikkelen van een redelijk klimaat.
Want dat is de essentie van een kleinburgerlijke moraal: Dat er nooit vrede wordt gesloten. Dat niemand naar vrede of bevrediging mag streven. Omdat alleen op de hel van anderen een hemel kan worden gebouwd...

Het lijkt er soms wel eens op dat alleen de onredelijkheid in deze wereld wordt beloond...
Zo zijn er in Holland niet-religieuze mensen die zichzelf 'jood' noemen, mensen die heel erg kwaad worden wanneer je als anarchistisch ingestelde vrijdenker het 'jodendom' als collectivistisch-nationalistische, dus anti-intellectuele beweging belachelijk maakt.
Dat zijn waarschijnlijk mensen die nog nooit het dagboek van Anne Frank gelezen hebben.

Dat dagboek gaat over een jong meisje dat door een ongelukkige samenloop van omstandigheden (eerste wereldoorlog, Hitler, frustraties, racisme, Duitse bezetting) de gevangene wordt van een bekrompen joods milieu.
Slechte Duitsers komen er in het dagboek niet voor, en dat kan ook niet, omdat Anne tesamen met haar familie en een aantal goede en minder goede kennissen is ondergedoken, om te voorkomen dat ze door de Duitsers op transport wordt gezet naar een concentratiekamp.
Drie jaar lang bewonen ze met z'n allen een etage in een woning, die men nu 'het Achterhuis' noemt, en gedurende die saaie, lange jaren probeert Anne haar op levenslust, blijheid en vrolijkheid ingestelde karakter te verdedigen tegen de moralistische aanvallen van haar bekrompen omgeving, die, omdat ze allemaal joden zijn, 'joods' genoemd moet worden. Daar kan zelfs de meest fervente antisemieten-bestrijder niets aan veranderen.

Wanneer je het dagboek goed leest dan valt het je op dat er een welhaast permanente sfeer van conflicten en ruzies bestaat.
Anne voelt zich voortdurend de onbegrepen zondebok. Ze is een flapuit, ze wordt snel driftig, ze is weetgierig en laat zich niet met een kluitje in het riet sturen. En ze kent maar n verlangen: Vrij zijn, onafhankelijk zijn, mens zijn.

Wanneer je dat dagboek leest, dan krijg je bepaald geen medelijden met de joden. Integendeel: je leest het verslag van een naar vrijheid verlangend meisje, dat tot de ontdekking komt dat het leven niets anders is dan een kooi, waarin het Lot een willekeurig aantal mensen, die absoluut niet in staat zijn elkaar in het leven vooruit te helpen, bij elkaar heeft gebracht.
Ik ga me de laatste tijd zo verlaten voelen, schrijft Anne: er is een te grote leegte om me heen...
Dat is niet bepaald een compliment voor het jodendom, dat zich tot taak heeft gesteld het goede voorbeeld voor de mensheid te zijn. Integendeel: de ironie van het Noodlot wil dat juist het verlangen van de joden de aanhangers van het joodse geloof om te smeden tot goede mensen, die een voorbeeld voor anderen moeten zijn, van de rebelse, eigenwijze Anne een eenzame figuur maakt.

Heus, je moet niet denken dat het gemakkelijk is het onopgevoede middelpunt van een bedillerige onderduikersfamilie te zijn, schrijft ze op 28 november van het jaar 1942.
Op 30 januari 1943 noteert ze: Ik damp van woede, maar ik mag het niet tonen.. Iedereen vind me aanstellerig als ik praat, belachelijk als ik zwijg, brutaal als ik antwoord geef, geslepen als ik een goed idee heb, lui als ik moe ben, ego stisch als ik een hap te veel eet, dom, laf, berekenend, enzovoort, enzovoort...
En op 24 december 1943: Fietsen, dansen, fluiten, de wereld inkijken, me jong voelen, weten dat ik vrij ben, daar snak ik naar...

Zou iemand me hierin begrijpen, heenzien over Jood of niet-Jood, alleen maar in me zien de bakvis, die zo'n behoefte heeft aan uitgelaten pret? Ik weet het niet, en zou er ook met niemand over kunnen spreken, want ik weet dat ik dan ga huilen...

Ach, daar zit ze nu in haar kleine kooi, die volgepropt is met goede mensen.
Met haar zus Margot, die haar voortdurend als een 'goed voorbeeld' wordt voorgehouden.
Met de prekerige onderduiker, mijnheer Dussel, de man van wie altijd gezegd was, dat hij uitstekend met kinderen kan opschieten, en die zich volgens Anne ontpopt als de meest ouderwetse opvoeder en preker van ellenlange manierenreeksen...
Met haar vreemde verlangen naar een vriendin: Ik raak elke keer in extase als ik een naakt vrouwenfiguur zie, zoals bijvoorbeeld een Venus. Ik vind het soms zo wonderlijk en mooi, dat ik me moet inhouden om mijn tranen niet te laten rollen...
En met de voortdurende drang naar onafhankelijkheid:
Ik voel me mens, meer dan kind, ik voel me helemaal onafhankelijk van welke andere ziel dan ook...

Zo iemand kun je moeilijk een joods meisje noemen... Ik vind het zelfs een belediging haar als zodanig te stigmatiseren... Daar doe je haar naar vrijheid verlangende geest onrecht mee aan...
Anne Frank, denk ik, als ik het dagboek lees, die zou nooit van haar leven in een joodse staat willen wonen. Want wat is dat, een joodse staat?
Een gevangenis? Een mensenkooi? Een getto?
Precies. Een getto. Geen gewoon huis, maar een achterhuis, een pakhuis, waarin je mensen opslaat, zoals je oude meubelen opslaat, net zo lang tot de dag aanbreekt dat je ze weer nodig hebt.
Zo laten zich 'jood' noemende mensen zich behandelen: Als meubelstukken, rekwisieten in een chaotische klucht die verdwaasde mensen hebben opgebouwd rondom een Messias die geen vrij en onafhankelijk Mens mag zijn!
De redactie van de Volkskrant vindt dat heel gewoon. Zij kiest voor de ideologie. Zij stelt dat rebelse intellectuelen met hun cynische rationalisatiezucht niet de 'joodse droom' mogen beledigen.
En wanneer een volstrekt overbodige, dus wrede, oorlog gewonnen is, dan spreekt zij niet over het leed dat een volk is aangedaan, maar dan spreekt zij op een schijnheilige wijze over een Oorlog met een Happy End...

Ik geloof nooit, schrijft Anne op 4 mei 1944, dat de oorlog de schuld is alleen van de grote mannen, van de regeerders en de kapitalisten. O neen, de kleine man doet het net zo graag...
Er is nu eenmaal in de mensen een drang tot vernieling, een drang tot doodslaan, tot vermoorden en razen en zolang de gehele mensheid, zonder uitzondering (let goed op wat Anne hier zegt: 'zonder uitzondering'!), geen grote metamorfose heeft ondergaan, zal de oorlog woeden...
Wat die metamorfose inhoudt zal iedereen die zijn verstand gebruikt duidelijk worden:
De weigering je als slaaf te laten behandelen en de intense wil een leven te leiden dat in overeenstemming is met je eigen karakter.

Ik wou niet als meisje-zoals-alle-anderen, maar als Anne-op-zich-zelf behandeld worden, schrijft Anne Frank op 15 juli 1944, drie weken voor haar arrestatie door de Gruene Polizei.
En op 1 augustus: Zie je wel, dat is er van je terechtgekomen: slechte meningen, spottende en verstoorde gezichten, mensen die je antipathiek vinden...
Ach ik zou wel willen luisteren, maar het gaat niet... Als er zo op me gelet wordt, dan word ik eerst snibbig, dan verdrietig en ten slotte draai ik mijn hart weer om..., zoek aldoor naar een middel om te worden zoals ik zo erg graag zou willen zijn en zoals ik ook zou kunnen zijn, als... er geen andere mensen in de wereld zouden wonen.

Wie het Dagboek op deze manier leest, die verafschuwt het grauwe stelletje moralisten dat de ontberingen van de joden probeert uit te buiten, de club van potentaten en starre, onbuigzame zedenprekers, die zich verschuilen achter eerlijke, vrijheidlievende mensen, die zich nooit thuis zouden voelen in een collectivistische wereld die zij, met het dagboek van een onafhankelijke geest in de hand, aan het opbouwen zijn.

Anne Frank zou gedurende het Golf-conflict nooit de zijde van de rechtse moralisten gekozen hebben. Ze wilde leven en ze had daarom het leven lief. Ze wilde zich kritisch en onafhankelijk opstellen. Dat zag zij als haar grote persoonlijke opdracht. Vragen stellen aan zichzelf, haar familie en het traditionele jodendom..
"Hoe lang zal het nog duren of ik ontmoet het verhaal van de badende Suzanna? En wat bedoelen ze met de schuld van Sodom en Gomorrah...? Is het werkelijk een goede eigenschap dat ik me niet laat beïnvloeden? Is het wel goed dat ik haast uitsluitend de weg van mijn eigen geweten volg?"

Wie zich zo opstelt, die zal nooit klakkeloos een wrede, zinloze actie uitroepen tot een rechtvaardige zaak. Zo iemand zal veeleer de zijde van Yasser Arafat kiezen, wanneer deze zegt dat de Golfoorlog voor altijd een smet zal zijn op de geschiedenis van het Westen.
Arafat pleitte ooit voor een seculiere staat Israël, waarin wordt heengezien over de termen 'jood' en 'niet-jood', een ideaal dat ook Anne Frank voor ogen stond. Anne wilde namelijk geen jodin zijn. Nee, Anne wilde een wereldburger zijn..

Het is ten enenmale onmogelijk alles op te bouwen op de basis van dood, ellende en verwarring, schrijft ze op 15 juli 1944, ik zie hoe de wereld langzaam steeds meer in een woestijn wordt herschapen, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden, ik voel het leed van miljoenen mensen mee...

Wereldburger zijn. Het leed van miljoenen mensen meevoelen. Dat is de enige weg die de mens naar een humane, objectieve moraal kan voeren.
Dit is een mars, merkt Yasser Arafat in een gesprek met Isabel Pisano op, het is een pad van rozen. Weet je wat het pad van rozen is? Het is hetzelfde pad dat Christus bewandelde...

De medewerkers van de Volkskrant kijken me spottend lachend aan.
Zij haten mensen die het pad van Christus willen bewandelen. Zij houden als ex-marxisten en ex-pacifisten van zinloze oorlogen met een Happy End...
En ze laten iemand met een grote naam als protesterende hofnar optreden.
Mogelijk om te bewijzen dat ze toch wel kritisch zijn...


Zie ook:De Nieuwe Wereldorde (brieven 1990-91)


wim duzijn - zwolle - nederland