Revolutie in het Gekkenhuis


Ik ben altijd zwervende.
Als niet wetende waarheen te gaan.
Alle mensen hebben over.
Ik alleen lijk arm.
Ik ben bekrompen van geest,
O, troebel en chaotisch.
De mensen zijn helder. Ik alleen lijk duister.

LAU TZE in 'Tau Teh Tsjing'


Paginaformaat: 100% - 125%   -   Achtergrond: Grijs - Blauw - Wit

Letterformaat:    


De verhalenbundel REVOLUTIE IN HET GEKKENHUIS die hier wordt gepresenteerd is de herziene en aangevulde versie van een uitgave die in het jaar 1980 verscheen. Op de achterflap van deze eerste druk stond de volgende tekst afgedrukt:

"Revolutie in het Gekkenhuis is een wending in de Nederlandse letteren. Het bevat korte verhalen die geschreven zijn in een verfrissend proza: lichtvoetig en direct, zo helder en simpel, dat gesproken kan worden van een breuk met de heersende literatuuropvattingen, die er, volgens de auteur, op zijn gericht de lezer in te lijven in een burgermanswereld, waarin slechts plaats is voor oppervlakkigheid, levensangst of oeverloos gezeur. De verhalen variëren van bizar tot regelrecht ontroerend, met één duidelijke lijn: het gevecht van het individu met de verstikkende maatschappelijke krachten..."

De literaire critici die zich met name ergerden aan de naïviteit en het optimisme van de verhalen, hebben weinig van die flaptekst begrepen. Op een uiterst kortzichtige wijze formuleerden zij een mening die zich louter baseerde op formele aspecten van de verhalen. Over het inhoudelijke aspect 'het gevecht van de amorele, antiburgerlijke enkeling met de verstikkende maatschappelijke krachten', een uiterst serieus gnostisch of existentialistisch thema, werd niet gesproken.
En toch is de essentie van echte kunst niet gelegen in de formele waarde ervan, maar in de geestelijke waarden die de schrijver wil verdedigen.
Echte kunst is rebellerende kunst, en daarbij maakt het niet uit of de vorm waarin die rebellie gegoten wordt 'groot' of 'klein' is.
De lezer kan zich dan ook gelukkig prijzen met de aanschaf van dit (e)boek. Omdat deze ogenschijnlijk simpele verhalen hem in staat stellen op een eenvoudige wijze intelligent te zijn.


Een compleet boek voor slechts 5 euro

Tegen een kleine vergoeding kan men in het bezit komen van het volledige manuscript als EPUB-bestand (EPUB is een standaardformaat, geschikt voor alle E-book-readers). Daarvoor dient men een bedrag van 5 euro te storten op mijn bankrekening met daaropvolgend een emailbericht waarin de storting wordt bevestigd. Het verschuldigde bedrag kan worden overgmaakt op mijn bankgirorekening: IBAN-nummer: NL49 INGB 0001364316, t.n.v. Wim Duzijn, Händellaan 86, te Zwolle

Emailadres: whd@wimduzijn.nl

Het EPUB-bestand wordt als email-bijlage naar het reactie-mail-adres van de besteller verzonden. Bezit van een E-book-reader is niet noodzakelijk. Diegenen die niet beschikken over een E-book-reader kunnen gebruik maken van gratis te downloaden softwareprogramma's. Daarmee kunnen EPUB-bestanden binnen de gewone desktopcomputer-omgeving worden gelezen.

Meer info op de ereaders info site



De eerste druk verscheen in november van het jaar 1980 bij Uitgeversmaatschappij Tiebosch in Amsterdam. Als omslagillustratie werd een afbeelding van een schilderij van Hans Kanters gekozen.
De e-bookversie is herzien en aangevuld met een aantal verhalen waarvoor in de eerste druk geen plaats was.

Wim Duzijn
Revolutie in het Gekkenhuis
Inhoudsopgave:

01. De onbewoonbaar verklaarde woning - 02. Elsje, die niet huilde - 03. De jongen die niets wilde - 04. Feest in de zelfmoordkliniek - 05. Zij las de bijbel en stierf - 06. Het einde van een titanenstrijd - 07. Reis naar het verleden - 08. Het blad van de Tovenaar - 09. Hoe André de ware liefde vond - 10. Bartje - 11. De koele minnaar - 12. Victor en het monster van Frankenstein - 13. Het huis op de heuvel - 14. De droom
15. Revolutie in het gekkenhuis - 16. Het grote verdriet van Geert Splinter - 17. De verkeerde waarheid - 18. O, de Kunst, de Kunst, waar is die toch? - 19. De bloemen van Tante Agaath - 20. Het wonder van de geile Jezus - 21. De Mooie Jongen - 22. Gesprek met de Satan - 23. Het orgel dat zo graag nog eens wilde spelen - 24. Een vriendelijke jongen - 25. De teddybeer van Chrisje - 26. De zingende toren


01 De onbewoonbaar verklaarde woning
Na lang zoeken hadden we eindelijk een woning voor ons tweeën gevonden.
O, het was een erg mooie woning, onbewoonbaar verklaard, goed, maar wat kon ons dat schelen? Eigenlijk vonden we het wel romantisch, zo'n keurig helblauw bordje naast de voordeur, met daarop het niet-alledaagse opschrift 'Onbewoonbaar Verklaard', volgens artikel zo en zo van het gemeentewetboek. Het gaf ons eenvoudige huisje een eigen 'cachet', iets unieks, als het ware, te vergelijken met een antieke paardetramlamp bij de rijken, en we waren er dan ook bijzonder trots op.
Elsje, mijn vriendin, moest er in het begin wel even aan wennen, want ja, wanneer je in een onbewoonbaar verklaarde woning gaat wonen, dan vergt dat een zekere mate van aanpassing, ik bedoel, je kunt niet zomaar doorleven alsof je neus bloedt, of iets dergelijks, en echt, geloof me, ze zat er lelijk mee, de lieve meid.
En of ik nu al zei: 'Elsje, kind, knoop gewoon een rode zakdoek om je hoofd en doe mijn groene plastic laarzen aan, met een paar dikke geitenwollen sokken erin', het mocht allemaal niet baten.
'Ik ben toch geen raar asociaal probleemgeval?', zei ze maar steeds, en ik deed natuurlijk mijn uiterste best om haar gerust te stellen, en ik fluisterde haar kalmerend in het oor: 'Nee hoor, lieve honnepon'....

02 Elsje, die niet huilde
Ze droeg lange, zwartsatijnen jurken, ze had het haar zwart geverfd, haar ogen waren donkerbruin en ze liep altijd op hoog-gehakte zwartglimmende schoenen.., en toch, hoe ongelooflijk het ook mag klinken, toch kon ze niet huilen.
Toen Elsje ter wereld kwam was het al mis. De vroedvrouw tikte haar op krachtige wijze op de billen, maar ze huilde niet.
"Wat heb je me nou", riep de dikke baker woedend, "lelijk kind, wil jij niet huilen?, hier en hier en hier...", en ze sloeg de ernstig blikkende baby harder en harder.
Elsje echter zei geen boe of bah en ze staarde rustig naar het plafond, alsof de hele wereld haar niets aanging, terwijl haar moeder vanuit het kraambed angstig toekeek.
"Pas toch op", riep ze, "dat kleine schaap, waarom moet dat kind nou huilen?"
"Alle baby's huilen", krijste de vroedvrouw, "dus zij zal ook huilen, ik laat me toch niet door zo'n klein kreng de wacht aanzeggen?" En daar en daar en daar.., wederom timmerde ze het arme kind op de met bloed besmeurde billetjes, en Elsje kraaide van plezier en staarde eigenwijs naar het plafond dat beplakt was met witte, plastic siertegels.

03 De jongen die niets wilde
Iedere morgen stond hij voor de spiegel en dan keek hij naar zijn gezicht en hij dacht: 'Wilde ik maar iets...'
Gek eigenlijk, zijn ouders waren voortdurend bezig met allerlei activiteiten, zijn vrienden reden af en aan op hun nieuwe scooters en brommers en hij, hij stond lusteloos voor de spiegel en hij wilde niets.
Soms dacht hij wel eens: 'Was ik maar dood', maar zelfs dat verlangen boezemde hem weinig enthousiasme in, omdat hij dan gedwongen zou worden op zoek te gaan naar middelen waarmee je het leven zou kunnen beëindigen en daar had hij volstrekt geen zin in, dat vond hij allemaal de moeite niet waard. Hij wilde iets anders, maar er was niets anders en daarom wilde hij niets.
Zijn haar zag er onverzorgd en plakkerig uit, want jezelf mooi maken, dat vond hij grote flauwekul. Zijn ogen stonden dof en futloos in zijn bleke gezicht en wanneer iemand hem dat vertelde dan antwoordde hij: 'Gelijk heb je', en dan wendde hij zich af van degene die hem had aangesproken om zich terug te trekken in zijn eigen kamer.

04 Feest in de zelfmoordkliniek
De psychiaters dragen een vuurrode anjer in het knoopsgat, de welzijnswerkers hebben besloten het woordje 'welzijn' serieus te nemen, en de geestelijk adviseurs vergeten voor een dag 'god'.
Lang heb ik naar deze bijzondere dag uitgezien. Met het leven heb ik afgedaan, daarom zit ik trouwens hier, in de zelfmoord-kliniek van professor Herrema, maar een laatste glas wijn tijdens een gezellig afscheidsfeest trekt me erg aan.
Al die drukkende ernst van theaterspelende mensen dag in dag uit gaat je op de duur vervelen en daar komt bij dat een feestelijk vertrek uit het leven een daad van grote wijsheid is.
Ik kan me tenminste herinneren dat de wijsgeer Socrates ook afscheid nam van het leven onder het genot van een goed glas wijn en in het gezelschap van zijn trouwste vrienden - veel gewetensbezwaren hoef ik dus niet te hebben.
Ja, ik durf gerust te stellen dat ik bijzonder tevreden ben met deze gang van zaken: één dag feest, en dan, de volgende dag, morgen dus, het slikken van een paar kleine lichtblauwe zelfmoord-tabletten, heel gewoon, zonder vals sentimentele krokodillen-tranen van mensen die je in feite je leven lang hebt gehaat...; werkelijk een heerlijke, welhaast bevrijdende ervaring.

05 Zij las de bijbel en stierf
"Moeder.., wil je koffie?", roept Elsje vanuit de keuken en ze neemt alvast een grote, gele beker van het dienblad op de keuken-tafel en schenkt die boordevol met koffie uit de glazen kan, die al uren op het fornuis heeft gestaan en daarom bedekt is met een laag zwartbruine aanslag, daar waar de koffie is verdampt.
Maar moeder wil geen koffie, want moeder heeft zojuist haar man verloren en moeder zoekt troost, hoewel ze diep in haar hart heel goed weet dat niemand haar man ooit terug zal kunnen brengen.
"Moeder", roept Elsje ongeduldig, "wil je nou koffie, ja of nee?", en ze doet suiker en melk in de reusachtige beker en stapt resoluut de kamer binnen, waar ze het gele gevaarte neerzet op een tafeltje naast de fauteuil, waarin haar rouwende moeder zich treurend heeft teruggetrokken.
"Kom, drink dit maar lekker op", zegt Elsje, in een poging het arme mens te troosten, "je moet je er over heen zetten, vader komt toch niet meer terug."
Haar troostende inspanning wordt echter beloond met een woeste, uitzinnige huilpartij, zodat ze schouderophalend plaatsneemt voor een zwartglanzende piano teneinde de sonate 'Für Elise' van de Duitse componist Ludwig van Beethoven te spelen...

06 Het einde van een titanenstrijd
Onttroond. Begraven onder dikke lagen gewapend beton. Met in zijn oren, vaag, soms weinig meer dan wat dof gerommel, het geraas van granaten, die als een sprinkhanenzwerm neerdalen op de stad.
Eenzaam zwerft hij door de kamers van de ondergrondse bunker, een zieke man, oud en moe, moe van het leven, teleurgesteld en gedesillusioneerd. Nerveus en angstig kijken zijn volgelingen naar hem op, maar hij ziet niemand, is gehuld in de stilte van zijn eigen gedachten, zijn eigen leven, dat als een vreemde, grillige droom aan zijn geestesogen voorbijglijdt.
Hij zet zich neer aan het bureau in zijn werkkamer en schuift een la open waarin zich de vellen tekenpapier bevinden, die hij van plan was te overdekken met de meest geniale scheppingen, grootser dan de mensheid ooit heeft gekend.
Peinzend ziet hij zichzelf als kind, enthousiast gebogen over een schetsboek en hij hoort de anderen lachen en praten, al die mensen die op slaafse en doelloze wijze door het leven trekken en zich zonder morren schikken in hun lot, zonder plannen, wensen of verwachtingen, ten prooi aan vernietiging en chaos, als schapen, die zich willoos laten verscheuren door een meute hongerige wolven.

07 Reis naar het verleden
Reizen was zijn lust en zijn leven. Elk werelddeel heeft hij bezocht. Maar nu is de reis beëindigd. Hij is oud en alles wat hem rest is het verleden, dat is samengebald in de met reistrofeeën volgepropte woonkamer, die deel uitmaakt van een keurig nette doorzonwoning in een rustige buitenwijk van Amsterdam.
Peinzend zit hij voor het grote raam, dat uitzicht biedt op een lange rij moderne woningen, die hem, ondanks hun glans van bouwkundig vernuft, alleen maar wijzen op de broze vergankelijkheid van het menselijke bestaan.
Bewegen. En dan ineens stilstaan. Reizen in gestolde tijd, een troosteloze bezigheid na een leven dat bijna iedere dag was gevuld met activiteiten van allerlei aard.
Spanning en avontuur zoekt hij, een enkel moment dat hem in staat kan stellen het neerdrukkende schuldgevoel dat hem bevangt weg te drukken. Maar helaas, zijn geheugen is niet erg gewillig en het levert hem weinig meer dan een hoeveelheid onsamen-hangende gegevens, die weinig meer doen dan de vraag oproepen wat nu eigenlijk de zin van al dat reizen en trekken is geweest.

08 Het blad van de tovenaar
Hoe oud de grote eikenboom in onze tuin was wist ik niet. Ongetwijfeld moet hij al honderden jaren oud zijn geweest. Hij stond er altijd erg stoer en stram zichzelf te zijn en al vanaf mijn prilste kindertijd bewonderde ik die reusachtige boom, zoals een ander misschien adoratie opvat voor een hond of een kat of een vriend.
Als kind was ik er ten stelligste van overtuigd dat er elfen en kabouters bestonden en op een heel naïeve, goedgelovige wijze veronderstelde ik dat deze boom hun woonplaats was. Ergens in het inwendige van de dikke, zwaargegroefde stam moest zich een ruimte bevinden, die door een machtige tovenaar was voorzien van prachtige versieringen.
O, ik hield werkelijk verschrikkelijk veel van tovenaars, mensen die met slechts een enkel teken van hun hand de mooiste dingen kunnen maken. Geen gezwoeg en geploeter, geen gezeur over armoede en rijkdom, nee, in de tuin van een tovenaar is elk mens even rijk.
In gedachten probeerde ik me hem vaak voor te stellen. Hij moest donker en slank zijn, met een ernstig, maar toch niet somber gezicht, en zijn ogen moesten diep in de kassen liggen en een felle, gebiedende blik vertonen.

09 Hoe André de ware liefde vond
Iedereen was het er over eens: André was te goed voor deze wereld. Altijd, op ieder uur van de dag, stond hij voor je klaar en wat je hem ook vroeg, hij deed het voor je. Het gevolg was dan ook dat alle mensen van zijn goedheid profiteerden, en er zelfs op grove wijze misbruik van maakten.
Zo kan ik me nog goed herinneren dat ik op een dag bij hem op bezoek was, hij woonde toen op een klein gemeubileerd zolder-kamertje, dat hij had gehuurd van een oude, alleenstaande vrouw, die van hem verlangde dat hij haar gezelschap zou houden (samen televisiekijken, sjoelen, koffiedrinken en dat soort dingen...), en dat er zo heel abrupt een meisje binnenstapte, een mager, roodharig kind met witte wenkbrauwen en van top tot teen overdekt met sproeten.
Ik vond het nogal brutaal, eerlijk gezegd, maar het opdringerige wicht trok zich niets van mijn aanwezigheid aan en riep met schelle stem: "André, je moet snel naar beneden komen, want mijn vader heeft een lekke band en hij wil dat jij hem plakt."
En André, de goeie sul, pakte zonder tegensputteren zijn gereed-schapskist en verdween, zonder zich verder om mij te bekommeren.

10 Bartje
Soms ontmoet je iemand die je lief vindt. Je woont met hem samen en je maakt de vreemdste dingen met hem mee. O, het leven kan heel druk zijn, en zwaar, en je wordt door iedereen opgejaagd. Maar als je van een ander houdt, dan vervaagt de drukte en het geroezemoes om je heen, en dan ontmoet je een stilte, waarin het leven van alledag ineens iets heel bijzonders wordt. Over een van die wonderbaarlijke alledaagse gebeurtenissen handelt dit kleine, eenvoudige verhaal. Een vertederende anekdote, over zomaar een jongen, die Bartje heet....:

Samen zitten we in de woonkamer. Ik bewerk op een tamelijk serieuze wijze een kruiswoordpuzzelboek en mijn vriend Bartje bladert wat in geïllustreerde tijdschriften.
"Kijk eens wat een ongelooflijk mooie, gevoelige ogen deze jongen heeft", mompelt Bartje, die al jaren mijn vriend is, en hij toont me een tijdschriftfoto van een twintigjarige jongen met scherpgesneden gezicht en kortgeknipt donkerblond haar.
Ik werp een wat onverschillige blik op het glanzende papier en brom: "Gevoelig? Nou en..?"

11 De koele minnaar
'Zou ik het wel kunnen?', denkt hij en somber staart hij naar het ernstige gezicht dat hem aanstaart vanuit de spiegel boven de wasbak.
Hij probeert zich voor te stellen hoe je een vrouw omarmt en liefkoost, maar terwijl hij dat doet maakt zich een diep gevoel van schaamte van hem meester, schaamte gepaard met angst en afschuw.
In zijn slaapkamer werpt hij zich op bed en hij omklemt met beide armen het hoofdkussen.
Wat moet ik allemaal doen?, denkt hij en hij duwt zijn lippen tegen de witte katoenen stof: Haar kussen en strelen, lieve woordjes fluisteren en dan ook nog mijn geslacht in stelling brengen..; god, als me dat allemaal maar lukt...; mezelf aftrekken is veel gemakkelijker...
Wellustig neemt hij een punt van het hoofdkussen in zijn mond en stelt zich voor dat hij de ander zoent, dat hij zijn lippen op haar mond drukt en zachtjes zijn tong in haar mondholte duwt en hij verbaast zich er over dat het zo gemakkelijk lijkt, zo eenvoudig dat hij vol overgave zijn harde gezwollen lid leeg trekt.

12 Victor en het monster van Frankenstein
Victor was een schat van een jongen. Hij was verslaafd aan televisiekijken, was dol op elektronisch speelgoed en verdiende zijn geld als acteur: Filmacteur.
Hij vond het fijn om in het felle licht van de schijnwerpers te staan, om bewonderd te worden door de regisseur, de productieleider, de cameramensen, de scriptgirl en al die andere mensen die er zoal betrokken zijn bij het maken van een film, en hij stelde zich graag voor hoe in donkere bioscoopzalen, waar honderden mensen nieuwsgierig naar hem opkeken, zijn gezicht in een zee van licht zou opvlammen, zodat iedereen in de ban raakte van zijn werkelijkheid, volledig bereid om zich mee te laten slepen, in vervoering te laten brengen door zijn donkere, hese stem, die nu eens rauw en scherp en dan weer zacht en vol ingehouden passie de mensen toesprak.
Ja, hij vond het gewoon zalig om de mensen op te winden, te prikkelen en te ontroeren, want hij was een acteur in hart en nieren, die behoefte had aan bewondering, die gevleid wilde worden, op een troon gezet, vereerd en aanbeden.

13 Het huis op de heuvel
Een groot huis was het, log eigenlijk, zonder enige stijl, vier kant, met hoge ramen die tot aan de dakgoot reikten, zonder enige versiering, recht toe, recht aan, met een trap van blauwig marmer, die je binnen de omgrenzing van een sober smeedijzeren hekwerk omhoog voerde naar een zware, donkergroen geverfde deur.
Stoer en massief stond het op een heuvel en de mensen die er aan voorbijgingen keken er vol verbazing naar, omdat het zo robuust en dreigend was, en tegelijkertijd uiterst gewoon, met zijn rode dakpannen en zijn witte gordijnen, die werkelijk niets geheimzinnigs bezaten.
Wanneer de zon opkwam en je stond aan de voorzijde van het huis dan kon je het rode licht in de benedenkamer zien, terwijl je zelf nog geen zon zag, en wanneer je 's avonds naar de achterzijde van het huis liep dan kon je een soortgelijk effect waarnemen, erg mooi, maar helemaal niet mysterieus. Een huis dat op een heuvel staat heeft nu eenmaal zoiets...

14 De droom
Het is al weer vele jaren geleden dat ik mij vol enthousiasme op weg begaf naar een vakantiebungalow in de Zwitserse bergen. Ik had het hele jaar door hard gewerkt en ik snakte naar wat stilte en wat frisse lucht om eens goed op adem te komen.
Op het moment dat de trein zich in beweging zette om mij weg te voeren naar mijn vakantiebestemming slaakte ik dan ook een diepe zucht van opluchting. Lui nestelde ik mij in de met roodpluche bekleedde kussens van het luxueus uitgevoerde eersteklas-compartiment en ik zag vol voldoening toe hoe de grote stad achter het brede, stoffige cabineraam voorbij schoof:
Eerst het station, met zijn tunnels en voetgangersbruggen, daarna de oude huizen van de binnenstad, met zijn kleine tuintjes en haveloze balkons, en tenslotte de hoge, strakgevormde flats van de nieuwbouwwijken, die de oude stad als een brede betonnen vestingmuur omringden.
Omdat er geen medereizigers waren trok ik mijn schoenen uit en ik vlijde mijn benen op de bank tegenover me. De trein denderde voort over de rails en ik sloot mijn ogen en lag loom en soezerig achterover in de zachte kussens van mijn eigen veilige en behaaglijke luxeappartement.

15 Revolutie in het gekkenhuis
Vandaag broeders en zusters, de eerste dag van onze eigen jaartelling, is een nieuw tijdperk aangebroken!
Alle systemen van de oude wereld hebben afgedaan en de fonkelende glans van een groots toekomstvisioen tekent zich af aan de bloed-rode horizon, waar de zwarte vlerken van boosaardige griffioenen verdrinken in het grijze stof van een ondergegane beschaving en de juichkreet van herrezen elfen, feeën en kabouters de diepe stilte van wraak, vergelding en oorlog doorbreekt, ten teken van de overwinning die wij hebben behaald, geschaard rond het zwarte vaandel van de Liefde, dat eeuwig zal wapperen aan de hoogste masten en vanaf de hoogste torens in het land.
Alles zal nieuw worden, als was het de achtste scheppingsdag, zoals de Almachtige Schepper van hemel en aarde het ons heeft verkondigd in het diepste donker van de nacht, in het magische gebied van vertrouwen en eerbied, onder het zuchten en klagen van onze har-ten; want hoe sneed niet de pijn door ons heen, hoe wanhopig hebben wij niet geroepen en geschreeuwd. En zijn onze smeekbeden niet verhoord? Zijn wij niet de sterken en hebben wij het walgelijke leidersgebroed dat ons jarenlang heeft getiranniseerd en onderdrukt niet overwonnen?

16 Het grote verdriet van Geert Splinter
Verdrietig knoopt hij de veters van zijn zwarte voetbalschoenen los. Dikke tranen rollen over zijn wangen. Ontroostbaar is hij en het liefst zou hij dood zijn nu... De bons hebben ze hem gegeven, zo zonder meer... De trainer van het Nederlandse elftal heeft hem vastgegrepen in kraag en zwarte voetbalbroek en hem met een wijde boog het veld afgegooid.
"Jij met je grote bek altijd..", had hij geroepen, "jij verpest hier voortdurend de sfeer; ik wil je smoelwerk niet meer zien..."
Hij had staan schreeuwen van verdriet en machteloze woede:
"Wat denk je wel, gore teringlij'er, denk je dat iedereen jouw voze lulpraatjes altijd maar moet slikken? Ze moesten je naar Cambodja sturen om coca-cola-nootjes te plukken, dan leer je wel anders lullen..."
En omdat zijn scheldwoordenreservoir nagenoeg onuitputtelijk was, daarom werd hij tenslotte door vijf van zijn kameraden beetgepakt en in horizontale stand naar de kleedkamer gedragen, waar hij tot 'burgemeester' werd uitgeroepen, een puberaal spelletje, waarbij het slachtoffer op de meest letterlijke wijze in zijn blote kont wordt gezet.
"Burgemeester Splinter, je kunt verrekken", hadden ze in koor geroepen, mijn god, de schande, de grenzeloze vernedering ook...

17 De verkeerde waarheid
"Je hebt je vergist", herhaalt hij maar steeds, "echt waar, geloof me toch", en hij kijkt me aan met een blik in de ogen, die me tot in het diepst van mijn ziel ontroert.
Ach, hoe lang zat hij daar nu al, opgesloten in een kleine kamer, alleen met zijn gitaar, die maar een enkele snaar bezat, omdat de andere snaren er door hem voortdurend werden afgetrokken.
Stilletjes zat hij op een dik stuk schuimrubber en zo nu en dan tokkelde hij op het muziekinstrument en bracht hij een reeks korte, felle klanken ten gehore, nu eens hard en dan weer zacht. Niemand liet hij toe in zijn cel. Iedereen die te dicht bij hem kwam viel hij aan, als een wild, moordlustig beest.
Ik was de enige verpleger die hem zo nu en dan mocht bezoeken en gewillig liet hij op zulke momenten toe dat ik de gitaar uit zijn handen nam teneinde het instrument schoon te maken.

18 O, de Kunst, de Kunst, waar is die toch?
Marcel is een bijzonder vreemde kunstenaar. Niet dat hij zichzelf eigenaardig vindt, integendeel: hij is heel tevreden met zichzelf en fluit en zingt de ganse dag, nee, de wereld om hem heen noemt hem 'vreemd' en daarom is Marcel vreemd. Zo zit de werkelijkheid waarin we leven nu eenmaal in elkaar.
Regelmatig kun je hem met grote passen over straat zien benen en dat doet hij uiterst fier en zelfbewust, alsof hij bij zichzelf denkt: Ik heb schijt aan iedereen.
Soms staat hij tijdens zo'n wandeling stil voor een winkeletalage en dan hoor je hem vol minachting brommen: "Allemaal flauwekul".
En wanneer hij dan weer fluitend verder loopt, dan zie je hoe de voorbijgangers hem verwonderd nakijken, terwijl ze elkaar toefluisteren: "Zie je dat?" Marcel, die met zijn witte schoenen, zijn gebleekte spijkerbroek en het witte T-shirt daarboven een erg vrouwelijke indruk maakt, stoort zich niet aan hun gegluur.
Hij kijkt naar de vogels in de lucht, die zich van niets en niemand wat aantrekken, en soms, wanneer het lawaai van het verkeer om hem heen hem te machtig wordt vloekt hij en dan mompelt hij kwaad bij zichzelf: "De kunst, verdomme, waar is die toch?"

19 De bloemen van Tante Agaath
Tante Agaath was wat je noemt een snoezig schepsel, lief en gastvrij, uiterst charmant, maar helemaal niet knap, en juist daardoor bijzonder innemend, want het schijnt werkelijk zo te zijn dat vanwege de een of andere speling der natuur lelijke mensen een bijzonder soort hartelijkheid aan de dag kunnen leggen.
Ze was mijn tante, of juister gezegd, ze is het, want tante Agaath is nog niet dood, tenzij ze op dit moment de laatste adem uitblaast, hetgeen me niet erg waarschijnlijk lijkt, want van een voorliefde voor cynische grappen is me bij tante Agaath nooit iets gebleken.
Tante Agaath was een buitenbeentje binnen onze familiegemeenschap. Iedereen zwom als het ware in het geld, maar tante Agaath was om de een of andere onnaspeurlijke reden arm.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe dat mogelijk was, want tante Agaath heeft toch ook gedeeld in de erfenis van mijn grootvader, maar mijn vader wilde of kon er niets over zeggen en tante Agaath zelf haalde op een nonchalante wijze haar schouders op wanneer je haar ernaar vroeg, waarna ze lachend opmerkte:
"Wijsneus, weetniet, opgepast, iets maakt niets, teveel is enkel last".

20 Het wonder van de geile Jezus
Je bent de zoon van God, zeiden ze. Maar altijd werd hij neergezet op een koud en tochtig plaatsje, erg eenzaam en alleen in een grote, lege holle ruimte, die de mensen 'Het Huis van God' noemden, verschrikkelijk idioot natuurlijk, alsof God er prijs op stelde te moeten wonen in een grote, ongezellige fabriekshal, alsof God niet liever een mooie, gerieflijke bungalow wilde hebben, met een reusachtige kleurentelevisie en centrale verwarming, zoals gewone mensen, die aan zijn almacht onderworpen waren, die wel bezaten, want die gewone, zogenaamd machteloze mensen waren erg slim en die peinsden er niet over in de kille bedompte holen te gaan wonen, waarin zij wel hun machtige God onderbrachten.
Triestig staarde hij maar wat voor zich uit, de ene hand tegen zijn bloedende hart geklemd, de andere hand star en bewegingloos omhoog geheven naar het kleurloze, afgebladderde plafond van de kerk, waarin hij dag in dag uit zijn heilige plicht moest vervullen, als was hij een slaaf, een gebruiksvoorwerp, waarmee je alles kon doen, omdat het toch geen eigen wil bezat, een robot, die niets anders mocht doen dan het uitvoeren van de opdrachten die de mensen hem gaven.

21 De mooie jongen
Iedereen vond hem een mooie jongen. De meisjes bewonderden hem en droomden ervan samen met hem door romantisch ruisende bossen te wandelen en de jongens bekogelden hem jaloers met stenen, alleen maar omdat ze zich op een onweerstaanbare wijze tot hem aangetrokken voelden.
Door iedereen mooi gevonden worden, dat is een geschenk van de hemel, en de mooie jongen was dan ook erg tevreden en gelukkig, en iedere keer wanneer een verliefde jongen een steen naar hem wierp zei hij tot God, de God van Schoonheid en Liefde, die door de meeste mensen werd gehaat en geminacht: "Dank u wel God, dat u mij deze schoonheid gegeven hebt."
Stenen gooien, zo begreep de mooie jongen, moet in een wereld waarin de werkelijke waarden op hun kop zijn gezet gezien worden als een liefdesbetuiging, een aanhankelijkheidsgebaar, en soms dacht hij bij zichzelf: 'Laat ik nu maar niet mooier worden, want het is best mogelijk dat de jongens zoveel van me gaan houden dat ze me doodgooien...'

22 Gesprek met de Satan
Goedenavond Dames en Heren.
Ik zie het als een bijzondere eer dat ik vanavond een uiterst opmerkelijke gast bij u mag introduceren, een man, die in de loop der jaren is uitgegroeid tot een welhaast mystieke figuur, waaraan de mensen elk naar hun specifieke geaardheid een eigen naam gegeven hebben.
Deze man, hij zit hier naast me, wil in deze uitzending een poging wagen een ontmystificatieproces in gang te zetten vanuit het verlangen zichzelf te ontdoen van het beeld van onmenselijkheid dat hem is opgedrongen, en hoewel ik dat verlangen natuurlijk eerbiedig zie ik me toch gedwongen hem aan te spreken met de naam, die hem de meeste bekendheid heeft gegeven: Satan...
De heer Satan, Dames en Heren, heeft me uitdrukkelijk verzocht u mee te delen dat hij niet vereenzelvigd wenst te worden met de middelmatige carnavalsdemonen die de wereld tiranniseren. Hij bewondert intelligentie en scherpzinnigheid en wijst daarom alle vormen van primitief kleinburgerlijk denken af - denkpatronen die in zijn ogen daarom zo primitief zijn, omdat ze noch duivels, noch goddelijk zijn en daarom volstrekt gespeend van elk diepgaand geestelijk bewustzijn.

23 Het orgel dat zo graag nog eens wilde spelen
De trommelslager op het oude draaiorgel staart bewegingloos naar de strakblauwe hemel. De trommelstokken in zijn handen hangen op een vreemde, starre wijze in de lucht en zijn glimmende gelaat, dat bleek afsteekt bij het felle blauw en rood van zijn kleding, vertoont geen enkele emotie.
Het is alsof hij wacht op een teken, een geluidssignaal dat de diepe stilte, die het schemerige schuurtje waarin hij een stoffig plaatsje heeft gevonden in zijn greep heeft, zal doorbreken, zodat hij eindelijk weg kan trekken, tesamen met de bekkens, de zilveren pijpen en de grote trom, in een uitbundige uitbarsting van klanken, door de straten van de stad, voorbij spelende kinderen, stuurs toekijkende oude mannen en vrouwen met kinderwagens, die niets zien en ook niet stilstaan, omdat het maar een oeroud draaiorgel is dat aan hen voorbijtrekt, een simpel apparaat, dat nooit de wereld in verbazing zal brengen, voortgeduwd als het wordt door verfomfaaide, kreupele, halfseniele mannen, die met koperen centenbakjes rammelen en aan weinig meer denken dan de borrel die ze straks achterover zullen kunnen slaan in de kleine stamkroeg, terwijl het orgel buiten wacht, bewaakt door de blauwgemutste trommelslager, met zijn bleke, fletse ogen en zijn glanzend gelakte poppengezicht, dat spiegelt in de zon.

24 Een vriendelijke jongen
"Je moet je broek uittrekken", zei hij tegen me, "o jongen, en dan zul je wat beleven, reken maar..."
Enigszins wantrouwend keek ik hem aan en dacht bij mezelf: Mijn broek uittrekken voor een ander jongen, waarom zou ik dat in godsnaam doen? Hij lachte me vriendelijk toe en herhaalde zijn verzoek: "Kom nou, doe niet zo bangelijk, er overkomt je niets, geloof me, je zult het best fijn vinden."
Aarzelend knoopte ik mijn broek los en met langzame gebaren ontdeed ik me van het kledingstuk.
"Nu je onderbroek", zei hij op enigszins bevelende toon, en lichtelijk verbouwereerd staarde ik hem aan.
"Wat wil jij", vroeg ik verbaasd, "wil jij iets van mij?"
"Welnee", antwoordde hij en opnieuw lachte hij me op een bijzonder innemende wijze toe, "wat zou ik nou van je willen? Doe nou gewoon je onderbroek uit en je zult zien dat alles verschrikkelijk fijn wordt..."
Ach, hij lachte zo vriendelijk en het was warm weer en de wind streelde mijn naakte lichaam en dat maakte me erg zwoel en sensueel. En daar kwam bij dat ik hem niet wilde kwetsen, dus deed ik wat hij wilde en trok gehoorzaam mijn onderbroek uit.

25 De teddybeer van Chrisje
Geen enkel moment liet hij zijn teddybeer los. Dag en nacht hield hij de grote, wollige beer vast en niets en niemand was in staat hem zijn zachte speelkameraad af te nemen. Nee, die beer, die was alles voor hem - en het was ook zo'n mooie beer, en zo zacht en met zo'n heerlijke, dikke vacht, waar je je hoofd liefkozend tegen aan kon drukken - en iedere keer wanneer Chrisje hem achter zijn ronde, harige oren kietelde, dan was het alsof hij lachte, heel vrolijk en uitgelaten, en dat vond Chrisje zoverschrikkelijk mooi, dat hij de wereld om zich heen vergat.
Zijn moeder keek met een mengeling van jaloezie en nieuwsgierigheid toe. Diep in haar hart gunde ze Chrisje zijn plezier niet en het was waarschijnlijk daarom, dat ze Chrisje, samen met zijn onafscheidelijke berenvriendje, meenam naar een zenuwarts.
"Hij praat met zijn beer", vertelde zijn moeder de arts, "hij gaat er mee naar bed, en zelfs aan tafel, als we eten, zit de beer op zijn schoot. Vindt u dat niet vreemd?", en terwijl ze dat zei hoopte ze vurig dat de dokter 'ja' zou zeggen, want hij moest het gedrag van Chrisje raar vinden, dat wilde ze...

26 De zingende toren
Het leven kan een mens soms met uiterst merkwaardige zaken confronteren; daar kan ik in alle eerlijkheid over meepraten.
Wanneer ik u vertel dat in dit verhaal een zingende toren centraal staat, dan zult u ongetwijfeld begrijpen wat ik bedoel, tenzij u een van die zwartkijkers bent, die elk contact met de op wonderen gerichte fantasiewereld van het kind verloren heeft, hetgeen ik natuurlijk niet aanneem - dat spreekt vanzelf. Nee, mensen die de lompheid, de botheid en de fantasieloosheid vertegenwoordigen heb ik niets te vertellen. Ik vertel mijn verhaal aan u...
Op een dag dan - als u het goed vindt dat ik mijn verhaal begin - het was midden in de winter en het had die morgen gesneeuwd, maakte ik een wandeling in het bos dat zich in de nabijheid van mijn woning bevindt.
Het was helder weer en het vroor, net genoeg om de bomen een winters aanzien te geven en beneden de grens waarboven het wandelen een kille, onaangename gebeurtenis zou worden.
De zon stond stralend aan de strakblauwe hemel en de verse, pasgevallen sneeuw glinsterde en schitterde op een oogverblindende wijze, die je eigenlijk alleen maar tegenkomt op van die romantische, felgekleurde kerstkaarten, die als het even kan nog met zilverpoeder bestrooid zijn ook...