Wie van uitgelaten bravoure en branie-achtige opschepperij houdt, moet een boek van (over) de Nederlandse schrijver Jan Cremer ter hand nemen.
Het boek "De Billen van Jan Cremer" bijvoorbeeld. Want daarin wordt de lezer getracteerd op een groot aantal uiterst curieuze uitspraken... Een aantal daarvan heb ik er voor u uit gelicht...
"De perfecte billen", zo laten we Jan Cremer beginnen, "die heb ik zelf". "Ja eerlijk", merkt hij op een welhaast kinderlijke wijze op, "ik kan het ook niet helpen, maar zulke billen moeten de wijven nou hebben. Dan was er niet zoveel ellende op de wereld."
En met die openhartige uitspraak uit het 'ronduit schandelijke boekje', zoals de socialistische schrijver Simon Carmiggelt het zo guitig weet te formuleren in het voorwoord bij het boek, hebben we onszelf verplaatst naar het drank- en meidenmilieu van de 'gewone man', die door en door gezonde man, "leg de nadruk maar op gezond", zegt Jan, die maar n enkel verlangen kent: de intensieve bestudering van de billen van de vrouw.
Ja, in dit simpele, gewone opstel (we leggen van nu af aan de nadruk op 'gewoon'...) zullen we het alleen maar hebben over gezonde mannen, en dat doen we op aanraden van de dode schrijver Carmiggelt, die, op schandelijke wijze wegrottend in zijn graf, 'ongezonde' mannen (Carmiggelt gebruikt het woordje 'homosexueel'...) de toegang tot het billenparadijs van Jan Cremer ontraadt, "omdat ze er ongetwijfeld op zullen afknappen".
Een gezonde man, dat is een man die een intense hekel heeft aan alles wat bijzonder, exclusief en buitengewoon is, vooral wanneer andere mensen de woordjes ziekelijk, decadent, verwijfd of - het ergste wat denkbaar is in gewonemensenland - tegennatuurlijk aan het excentrische gedrag verbinden.
Zo een gewone, gezonde man, die plaatst het liefst elke dag de pan met Hollandse stamppot op tafel ('niet op het gebloemde zeiltje, vader, want je hebt er al tien grote gaten in gebrand!') en die zal het niet in zijn hoofd halen om eens een keer een uiterst apart gerecht te bestellen in een Grieks, Italiaans of Joegoslavisch restaurant.
Een gewone man, dat is er zo een die bij de grote, grauwe kudde van gewoontedieren wil behoren, waar hij in staat wordt gesteld iedere bijzondere eigenschap overboord te gooien, teneinde er een aantal 'goede gewoonten' voor in de plaats te zetten.
Een gewone man, dat is eigenlijk een wezen dat te beklagen is, in tegentelling tot de 'homosexuele man', die tegen wil en dank tot een bijzonder mens wordt gemaakt, een uitzondering, iemand die afwijkt van de algemene regel, een unieke, maar natuurlijk wel heel erg 'ongezonde' geest.
De gewone man zal nooit iets uitzonderlijks doen, omdat alles wat hij doet door de groep 'gewoon' wordt gemaakt. Wat hij ook doet (ook al steekt hij honderdduizend mensen de ogen uit), nooit zal iemand het in zijn hoofd halen hem verwijten te maken, omdat hij doet wat 'men' doet, en wat 'men' doet is nu eenmaal altijd goed (dat is de functie van de moraal, die in gewonemensenland altijd de moraal van de gezonde, natuurlijke mens is...).
Ja, tot aan het einde van zijn gewone, nooit eens bijzondere levens-dagen is de gewone man gedoemd 'gewoon' te zijn en het enige ongeluk dat hem kan treffen is de constatering dat hij 'te' gewoon is, want die kwalificatie is het enige middel dat gewone mensen die 'een beetje apart' willen zijn ter beschikking staat om zich van andere mensen te onderscheiden.
De homosexuele man daarentegen is per definitie 'bijzonder', ook al is hij een bekrompen, ego stische stakker die uit angst voor het oordeel van de 'gezonde' mensen, stiekem sluipend door de bosjes, als was hij een inboorling die op zoek is naar de verloren peniskoker, tientallen mensen de dood in-naait.
Gevangen in de wurgende greep van het noodlot is de homosexuele man gedoemd het tegendeel te zijn van de 'gezonde man' ("leg de nadruk maar op gezond", zegt Jan), en daarom is er voor hem geen plaats in het 'schandelijke boekje' van vrouwenbillen-specialist Jan Cremer.
Nee, de homosexuele man heeft zijn eigen 'schandelijke wereldje', een uiterst ongezond wereldje natuurlijk, dat spreekt vanzelf, omdat het billenkoek van Jan Cremer de norm bepaalt.
Maar als dat dan zo is, als het wereldje van Jan Cremer en het in een keurige, mahoniehouten kist wegterende lijk van Simon Carmiggelt inderdaad zo gezond en gewoon en natuurlijk is, waarom gebruikt de in een toestand van ontbinding verkerende schrijver Simon Carmiggelt dan dat merkwaardige woordje 'schandelijk'?
Is het een misplaatste poging om ook een beetje bijzonder te zijn in een wereld die enkel en alleen bestaat uit gemeenplaatsen, vooroordelen, clich s en bekrompen, kleinzielige burgerlijkheid?
Of is het wellicht een teken van ziekelijkheid, een perverse drang naar het abnormale?
Zou misschien het lijk van Carmiggelt, waarvan iedereen aanneemt dat het er gezond en gewoon uitziet, overdekt zijn met wriemelende massa s witte maden en torren, die van dat ogenschijnlijk zo gezonde lichaam een weke, papperige en stinkende brei maken, zo weerzinwekkend en afstotend, dat je als gezond mens er van gaat walgen? Of moeten we de wereld van verrotting en ontbinding 'gewoon' noemen omdat het allemaal zo heerlijk natuurlijk is?
We weten het niet - en we kunnen de natuur ook niet met een kritisch oog beschouwen omdat grafschennis in dit land verboden is...
Wat we wel weten is dat de dode schrijver Carmiggelt zich uitstekend heeft geamuseerd met de 'schandelijke' uitspraken van onze Jan, zodat het in ieder geval duidelijk is dat hij, als dode man, die ronddoolt in al die mythische sferen waar wij alleen maar over mogen fantaseren, zich herkent in de uitspraken van deze 'jongen uit het volk', zoals Jan Cremer zichzelf noemt, deze frisse, gezonde jongen, die een overtuigde afkeer heeft van mensen die niet gezond zijn.
Laten we eens een aantal van die 'schandelijke' uitspraken uit het boekje lichten en kijken of er werkelijk zoveel te lachen valt, zoals het grinnikende stoffelijke overschot van de schrijver Simon Carmiggelt het ons wil doen geloven:
1.
"Ik geloof", zegt Jan Cremer, "dat iedere rechtgeaarde man gek is op een mooie kont. Als hij een meid ziet met van die brede schoften, dan krijgt-ie een warm gevoel van binnen. Volgens mij heeft elke man dat..."
Valt hier werkelijk zoveel te lachen?
Kan de giftig groen uitgeslagen schrijver Carmiggelt, die toch zo graag de fatsoenlijke, socialistische mensenvriend speelt en zich door diepe overtuiging gedreven afzet tegen alle vormen van fascistische onderdrukking, uit volle borst lachen, waar het meest bekrompen en fanatische burgerdom zijn stupide nonsens via een 'jongen uit het volk' aan de lezer opdringt?
Een 'rechtgeaarde' man, wat is dat in godsnaam? Is dat de gezonde man zoals de door het gewone volk als Vijand Nummer Een aangewezen politicus Adolf Hitler hem zo graag zag: met een koene, reine en frisse blik in de ogen, stoer en sterk en fors, omringd door drachtige deernen en grote horden kinderen?
Een 'rechtgeaarde' man, dat is toch een fascistenkreet? Of denkt de gezonde mensenvriend Carmiggelt daar ander over in zijn donkere verblijfplaats op het kerkhof?
Misschien is Carmiggelt zo onder de indruk van het in zijn ogen schandelijke geschrijf over vrouwenbillen, dat hij de werkelijk schandelijke uitspraken over het hoofd ziet - want zo gaat dat met gewone mensen, dood of levend, dat maakt niets uit: ze zijn nu eenmaal zo - het gewoon zijn is de vloek van hun bestaan.
2.
"Ik geloof", gaat Jan Cremer verder, "dat de kont gewoon het belangrijkste deel van het lichaam is. Je hebt bij mannen ook zulke uitdrukkingen als 'ik ga lekker tegen de kont van moeders aanliggen', weet je wel."
En wederom voelen we ons, ondanks het daverende gelach dat opstijgt uit de stinkende put waarin de overleden schrijver Carmiggelt plaatsgenomen heeft, gedwongen de strenge spelbreker te spelen, en de enige verontschuldiging die we daarvoor willen aanvoeren is, dat wij (bescheiden van aard als we zijn) niet zo graag de gezonde, rechtgeaarde man willen spelen.
Nee, het devies dat ons na aan het hart ligt en dat we de lezer gaarne aan willen bieden, zonder hem lastig te vallen met maden, torren en van beenderen afdruipende weefselresten, luidt als volgt:
Geef de gewone man een naakte meid en een pot bier en geef ons iemand van wie we zielsveel kunnen houden, wat de anderen ook mogen doen en zeggen, en laat die persoon, die ope en simpele wijze in staat is ons te verzoenen met een levenslot dat vaak zo wreed en onmenselijk is, ons iets te drinken geven, iets dat we erg lekker vinden, ook al is dat toevallig een drank die de rechtgeaarde man niet door zijn strot kan krijgen...
Ja, dat is een devies dat ons enthousiast kan stemmen. Uitspraken van gewone, gezonde mannen laten ons koud.
Nooit zal men ons horen zeggen: "Je hebt bij mannen zulke uitdrukkingen als...", om daarmee een mening van ons kracht bij te zetten, want wij houden er de bijzondere mening op na dat het niet zo erg gezond is je voortdurend te spiegelen aan anderen, jezelf ueberhaupt gezond te noemen, omdat je onherroepelijk het gevaar loopt jezelf te reduceren tot een deel van een categorie, een stukje van een groot geheel, terwijl het juist nodig is afstand te nemen van het geheel, om daarmee terug te keren naar dat gedeelte van jezelf dat ongehoorzaam is -dat 'nee' wil zeggen tegen de terreur van de middelmatige, 'gewone' man.
Jan Cremer denkt daar anders over:
3.
"Leer mij de vrouwtjes kennen", roept hij uitbundig, zo luid en hard dat zelfs de schrijver Carmiggelt in zijn uit elkaar vallende kist het lachen vergaat, en of je nu al vraagt welke vrouwtjes hij kent: die daar of die, dat kan hem in het geheel niet schelen, want de vrouwtjes zullen en moeten onder een noemer gebracht worden, omdat er (helemaal volgens de logica van de gewone man) zonder die algemene categorie niets te kennen valt, en we willen toch iets kennen, nietwaar?, ook al zullen we er de hele wereld voor op zijn kop moeten zetten, ook al moeten we onze toevlucht nemen tot de meest gruwelijke en weerzinwekkende clich s - dat is ons allemaal om het even - want we zijn toffe jongens, 'en we komen overal, overal waar de meiden zijn, want waar de meiden zijn, daar is het bal...'
4.
De vrouwtjes en de drank, daar draait het bestaan volgens Jan Cremer om. Soms staat hij in een caf , gewoon ergens in een Hollandse steeg of straat, wat maakt het uit..., en dan ziet hij ineens een lekker paar billen aan de tapkast staan.
"Ik kijk niet eens naar de kop van zo'n meid", merkt hij op, "ik kijk naar de billen".
Wat zou er nu gebeuren, zo vragen we ons als tegendraadse ongezonde waarnemer af, wanneer Jan Cremer op een goede dag een caf zou binnenstappen waar, door een goddelijke ingreep, hijzelf aan de bar zou staan?
Niet kijkend naar het hoofd maar alleen naar de billen, zou hij zich onmiddellijk aangetrokken moeten voelen tot die kont. "De perfecte billen", zegt hij immers, "die heb ik zelf".
Zal hij heel gewoontjes opmerken, zoals hij het in andere gevallen ook doet: "Mijn oog wordt er door aangetrokken", "natuurlijk heeft het de bijgedachte van sex, want zodra er een lekkere kont in mijn nest ligt, ga ik niet op het zeil liggen slapen"?
We zijn zo vrij onze twijfels uit te spreken, vooral wanneer we de volgende uitspraak optekenen uit de mond van deze gezonde 'jongen uit het volk':
5.
"Meiden met jongenskontjes zijn helemaal eng. Mensonterend."
Er zijn nu twee mogelijkheden:
Ofwel Jan Cremer blijft de billen bewonderen, uitgaande van de stelling dat jongens met jongenskontjes helemaal niet eng zijn, maar erg mooi en lekker en fijn om in je bed te hebben...
Ofwel, hij noemt zijn kont niet mannelijk, uitgaande van de stelling dat zijn eigen kont het grote voorbeeld is voor alle vrouwen in de wereld: een ideale meidenkont - een kont die zo super-vrouwelijk is, dat elke rechtgeaarde man spontaan een zaadlozing krijgt wanneer hij er een blik op slaat...
Voor we ingaan op deze intrigerende problematiek (die van de wetenschapsbeoefening welhaast een schandelijk bedrijf maakt) moet echter eerst de vraag aan de orde worden gesteld of Jan Cremer zichzelf zou herkennen. Is het mogelijk dat hij zijn eigen kont aanwijst als de Ideale, Perfecte Meidenkont?
6.
"De kont moet stevig zijn, niet van dat dril", stelt hij. "Brede heupen en grote stevige billen. Russinnen hebben dat haast altijd - Slavische billen, he." "Ik val verschrikkelijk op billen met gezond blondig dons."
"Bleke stadsmeissies, da's werkelijk vreselijk..." "Meiden van het platteland en van de eilanden, die zien er nog goed uit --- allemaal goeie knoerten, maar die moet je dus niet in de stad zoeken."
In de stad zal Jan Cremer zichzelf dus nooit ontmoeten. Hij zal zichzelf alleen kunnen terugvinden op het platteland, in een boerencafe mogelijkerwijs, waar hij met een flesje pils in de hand op nonchalante wijze tegen de tapkast staat aangeleund, zijn knoert van een meidenkont, die overdekt is met een tapijt van weelderig blond donshaar, op een wulpse, uitdagende wijze naar achteren stekend, zoals cowboys in goedkope B-films dat doen wanneer ze hun glaasje whisky naar binnen werken.
Daar, in dat donkere Hollandse caf zal hij wachten op de man die hem stevig op zijn dikke, geile meidenkont slaat en hem op hese toon toevoegt:
"Zeg lekker stuk, heeft iemand wel eens tegen je gezegd dat je een bloedgeile kont hebt? - ga met me mee naar huis jongen, dan kan ik in bed eens lekker tegen die geile wijvenreet van je aankruipen..."
7.
Ja, daar, in een oudhollandse taveerne, waar de wanden volgehangen zijn met nagemaakte Delfts-blauwe-bordjes, zal Jan Cremer zich geplaatst zien voor het grote menselijke levensdilemma:
Zal hij zichzelf eng vinden? Mensonterend? Of zal hij als een trotse vrije kerel zichzelf heupwiegend tegemoet treden? Hij, Jan Cremer, de drager van de Ideale Meidenkont?
Het antwoord zal alleen Jan Cremer ons kunnen geven. De standaard-uitspraken van gewone mensen en macaber-lachende lijken van overleden schrijvers helpen hem niet daarbij.
Verschrikkelijk eenzaam zal hij zich voelen op dat moment, en waarschijnlijk zal dat de grootste beproeving in zijn leven zijn, want alleen, o god, dat is maar alleen, en wat moet een 'jongen uit het volk' beginnen zonder de hulp van al die andere gewone, gezonde mannen ("leg de nadruk maar op gezond!"), die net als de overleden schrijver Simon Carmiggelt nooit een uitzonderingspositie hebben durven innemen?
Zullen al die gezonde mannen hem niet op een vernederende manier volstrekt belachelijk maken?
En plotseling (in de kunst is nu eenmaal het niet natuurlijke ook mogelijk) ziet hij het lachende gezicht van de schrijver Carmiggelt voor zich, die dode, alleen in zijn stukjes voortlevende schrijver, die op last van het gewone volk eenzaam voortsukkelt in een burgerlijke niemandsland, waar homosexuele gestorvenen moeten leven naast gezonde, rechtgeaarde lijken.., en ondanks alle grootspraak en stoerejongensbravoure maakt dat gezicht hem bang en onzeker, omdat het de griezelige tronie is van een skelet, een benig doodshoofd dat grijnslacht in zijn kist: De tanden bloot, zodat je niet weet of het vrolijkheid is, of doodgewone valse en gemene kwaadaardigheid