Ooit in lang vervlogen tijden, stond ergens op een bergtop, eenzaam omhoogrijzend naar de hemel, een reusachtig standbeeld.
Omdat het was voorzien van een dunne laag bladgoud, schitterde en straalde het overdag in het hete, felle zonlicht, terwijl het 's nachts het koele, blauwwitte licht van de maan weerkaatste, in een eeuwig spel van licht en donker, alsof het een symbool was van het leven, dat immers ook niets anders is dan een bonte reeks van kleurnuances, die een onbekende macht op een welhaast chaotische wijze heeft aangebracht op het door een houten raamwerk omkaderde linnen, dat door sommige mensen een 'schilderij' wordt genoemd, terwijl anderen het op laatdunkende wijze een 'zinloze kladderboel' noemen.
Onmetelijk oud was dat vreemde, glanzende beeld en geen mens op aarde wist wie het daar had neergezet, zodat geleidelijk aan het bijgeloof van religieuze enkelingen tot algemene waarheid werd uitgeroepen, namelijk: dat het beeld daar altijd al had gestaan, vanaf het prilste begin van de schepping.
Sommigen beweerden dat God zelf op aarde was neergedaald, om via dit gigantische kunstwerk de wereld een blijk van zijn bestaan te geven; anderen hielden er een geheel eigen visie op na, en al die opvattingen, variërend van nuchter verhalend tot dweepzuchtig getuigend, werden in de vorm van mythen en legenden van vader op zoon doorgegeven, zodat vrijwel alle mensen van het bestaan van het beeld op de hoogte waren, ook al hadden slechts enkelen het magische bouwwerk met eigen ogen aanschouwd.
Iedereen was het over eens dat het hier een uiterst bijzonder beeld betrof, niet zozeer omdat het kolossaal, indrukwekkend en eeuwenoud was, maar vooral omdat het een natuurgetrouwe afbeelding was van het mannelijke geslachtsorgaan. Want het beeld, hoog in de bergen was - hoe ongelooflijk het ook mag klinken - een reusachtige Fallus, een mannelijk lid in erectie, om het in zakelijk-wetenschappelijke termen uit te drukken, en het spreekt dan ook vanzelf dat de Gouden Fallus algemeen werd beschouwd als een wereldwonder.
Zoals in onze tijd grote aantallen mensen zich naar Egypte begeven, om daar in het hete woestijnzand vol verbazing de piramiden te bekijken, zo bezochten in het verre verleden regelmatig kleine groepjes mensen het lichtende beeld op zijn hoge, met eeuwige sneeuw bedekte bergtop.
In de kleine, koele halfbeschaduwde baai aan de voet van de berg, kon je, veilig verscholen in de koepelvormige ruimte die het eeuwig ravottende water in de rotsen had uitgeslepen, hun schepen zien liggen: kleine, ranke boten, waarvan sommigen nauwelijks groter waren dan een kano, maar ook grote, forse, zeewaardige schepen, die aan meer dan honderd mensen een plaats konden bieden.
Rustig deinden die vaartuigen daar op het murmelende, groen-blauwe water, en alleen wanneer het stormde viel er een grotere onrust te bespeuren en dan kon het voorkomen dat je een schip heel even met zijn neus weg zag duiken in het met schuim overdekte water, als was het een laag over het oppervlak vliegende zeevogel, die hongerig op zoek is naar een prooi.
Een eigenaardig gezicht was dat: die bonte vloot van kleine en grote schepen, die daar stil en onbemand lag te wachten op de terugkeer van de zeelieden, die zich via smalle bergpaadjes een weg omhoogbaanden naar het Gouden Geslachtsorgaan, hoog in de blauwe lucht.
Langs moeilijk begaanbare paden, die zich zig-zaggend langs de bergwand omhoogkronkelden, klommen zij de hemel in: voorbij bomen en struiken, voorbij de laaghangende wolken, naar de fonkelende sneeuwlaag, die daar alle jaargetijden door aanwezig was, als wilde zij een bevestiging zijn van de vruchtbaarheid van de Gouden Fallus, een symbolische zaaduitstorting, verstild in zijn beweging, bevroren, en daarom voor altijd vastgelegd in miljarden ijskristallen, die het zonlicht in alle richtingen weerkaatsten.
Nieuwsgierig blikten de bezoekers omhoog en bij iedere stap die gezet werd kon men constateren dat de Fallus groter werd, zodat je regelmatig opgewonden kreten en uitroepen van bewondering kon horen, maar ook diepe, ingehouden zuchten, omdat veel mensen vervuld waren van overweldigende gevoelens van eerbied en intens ontzag.
En ach, hoe kon het ook anders? Vanuit twee kolossale gouden teelballen, die elk een omvang hadden van meer dan honderd meter rees de torenhoge schacht van de Fallus op naar de hemel en het brede, afgeplatte einde ervan, de eikel, die de stralen van de zon tot kilometers ver in de omtrek weerkaatste, moest ongetwijfeld vele tientallen meters dik zijn.
Sneeuw of ijzel schenen geen vat te hebben op het glanzende metaal, want altijd straalde een helle gouden gloed de bezoekers tegemoet, alsof het de zon zelf was, die daarboven op de berg stond te branden en te stralen.
Niemand verwonderde zich daar over, want men geloofde in die tijd op een welhaast kinderlijke wijze nog in wonderen, en dit beeld was een wonder, een magisch teken van Goddelijke kracht en majesteit en men vond het niet meer dan normaal dat het een zee van licht uitstraalde, zoals het dat alle eeuwen door had gedaan.
De Goddelijke kracht was er, daar was men heilig van overtuigd, en men wist dat regelmatig ingewijden en avonturiers het beeld bezochten om er bij het geheimzinnige licht van de volle maan vreemde, bizarre vruchtbaarheidsrituelen ten uitvoer te brengen, waarbij men zong en danste en zich volledig overgaf aan sexuele fantasieën en verlangens, om op die manier een toestand van sexuele extase in het leven te roepen, die alleen maar ten doel had de Gouden Fallus in een zee van kracht en levengevende energie te plaatsen.
Sexuele gevoelens waren voor de wijzen en ingewijden in die tijd nog 'heilige' gevoelens en wie in staat was zichzelf zodanig op te winden dat hij in contact kwam met de onuitputtelijke bron van energie die aan die gevoelens ten grondslag lag, die werd gezien als een 'heilige man' en zo iemand kon er op rekenen dat de meeste mensen hem met grote eerbied en voorkomendheid bejegenden.
Weinig mensen echter waren in staat hun sexuele verlangens in dienst te stellen van die Goddelijke eenheidservaring, en van het bestaan van het sterke krachtenveld rondom de Gouden Fallus waren de meeste bezoekers zich dan ook volstrekt niet bewust.
Eenmaal aangekomen aan de voet van het beeld bleef men vol ontzag stilstaan en pas na lang aarzelen durfde men de tocht voort te zetten, want het beeld bezat, ondanks zijn stralende, lichtende pracht, de gave de bezoekers te imponeren, angst aan te jagen wellicht, omdat het daar zo eenzaam stond te stralen, fragiel bijna, vanwege die eenzaamheid, en tegelijkertijd immens stevig en onwrikbaar, vol kracht en energie, zodat een mens het gevoel kreeg dat hijzelf daarbij vergeleken eigenlijk niets meer was dan een klein, dwergachtig en onbeduidend wezen.
De meeste mannen voelden tijdens de rondgang om het beeld een opwindende tinteling in hun geslachtsdelen en sommigen van hen, diegenen die gevoelig en ontvankelijk waren voor de krachten van de Fallus, kregen een spontane zaadlozing, die minutenlang aanhield, zodat het witte, melkachtige sperma in straaltjes langs hun benen omlaagstroomde.
Dergelijke mannen of jongens werden door de groep onmiddellijk tot leiders uitgeroepen, omdat zij blijkens hun spontane reactie het vermogen bezaten in direct contact te treden met de Goddelijke Fallus, en na terugkeer in het land van oorsprong werden zij omhangen met kleurige guirlandes en bonte schelpensnoeren en omringd door dansende jongens en meisjes op houten draagstoelen naar de plaatselijke Fallus-Tempel gedragen, om aldaar ingewijd te worden in de geheimen van de Fallusdienst.
Zo oefende de eenzaam stralende Gouden Fallus een grote invloed uit op het maatschappelijke gebeuren. Hij koos de geestelijke en politieke leiders uit, en het spreekt vanzelf dat het uitstekende aanvoerders waren, die hij uitzocht, omdat het vitale, levenslustige jongens en mannen waren, die er zich niet voor schaamden hun geilheid openlijk aan de wereld te tonen.
Zij brachten, juist omdat zij zo vitaal en sensueel waren, de wereld rijkdom en vruchtbaarheid en kenmerkend voor die tijd was dan ook dat de moderne problemen van droogte en hongersnood er onbekend waren.
Nooit kwam het voor dat de oogsten op de velden verdroogden. Nooit was er gebrek aan helder levengevend water. Nee, als een weldadige, zegenende God stond de Gouden Fallus, het symbool van de eeuwige vruchtbaarheid, op zijn bergtop en hij koesterde en verzorgde de mensen en liet hen delen in zijn onmetelijke Goddelijke kracht.
Bijna niemand vond het raar of ongepast dat de Fallus een afbeelding was van het mannelijke geslachtsorgaan. Integendeel, men was er trots op wanneer men door het beeld werd uitgekozen om de wereld te dienen en het was de grootste wensdroom van iedere opgroeiende jongen om ooit vervuld te mogen worden van zijn Goddelijke kracht en energie.
Grote toernooien werden in steden en dorpen georganiseerd om op die manier een selectie tot stand te brengen, want het spreekt vanzelf dat niet iedereen de lange tocht naar het beeld kon ondernemen: het akkerland moest worden bebouwd, het vee verzorgd en de oogsten binnengehaald.
Groot was na afloop de verslagenheid van die jongens die werden afgewezen, en sommigen van hen verlieten daarom in het nachtelijke duister hun woonplaats om te proberen op eigen kracht hun droom tot vervulling te brengen.
Deze avonturiers waren, naar men algemeen aannam, de ware Goddelijke uitverkorenen. Zij vormden - zoals men dat noemde - de groep van 'vrije geesten', mensen die weliswaar buiten ieder samenlevings¬verband stonden, maar die desondanks hun krachten in dienst van de mensheid stelden, omdat zij in staat waren tijdens de beroemde vruchtbaar¬heidsrituelen de Gouden Fallus op te laden met energie. Op die manier zorgden zij er voor dat het Goddelijke Licht in de wereld niet doofde, zodat de duistere krachten van het verval geen kans kregen de zo fel begeerde macht te grijpen.
Ja, de duistere krachten van het verval waren ook in die tijden werkzaam en gedreven door bittere, wraakzuchtige impulsen trachtten sommige lieden een blind-eerzuchtige, maar volstrekt impotente leidersgroep aan de macht te brengen, die het stralende levenselan en de gevende vruchtbaarheid van de Fallus-aanbidders wilde vernietigen.
Gedreven door een grenzeloos verlangen naar macht wilden zij de Gouden Fallus zijn Goddelijke verhevenheid ontnemen en zij schuwden list noch bedrog bij het nastreven van hun duistere, onmenselijke doeleinden.
"Het is een kwade genius, die de jongeren in het verderf wil storten", zo lispelden zij tijdens vergaderingen van de regionale volksraden, en zij wezen de mensen op de gevaren van een leiderschap dat niet was gebaseerd op de gewone, alledaagse regelmaat van leven en werken binnen het geordende gezinsverband.
"Onze kinderen worden ons afgenomen", mompelden ze, "en wanneer zij eenmaal een leidende positie hebben ingenomen dan breken zij met onze traditionele leefgewoonten", en ze disten op verontwaardigde wijze uiterst gedetailleerde verhalen op over geheimzinnige rituelen en bizarre sexuele praktijken, die in strijd zouden zijn met de algemeen gangbare opvattingen, in de hoop op die manier een wig te kunnen drijven tussen het volk en zijn door de Gouden Fallus uitgekozen leiders.
Gelukkig waren de meeste mensen zo verstandig om niet op woorden naar op daden te letten en zolang de regen het land vruchtbaar maakte en de oogsten rijk en overvloedig waren mopperde men niet en leefde men kalmweg zijn eigen leven, zonder zich te storen aan de vreemde gewoonten van de bewoners van de Fallus-Tempel.
"Wie ook op een andere manier wil leven, die moet het heft maar in eigen handen nemen en weggaan", zo redeneerde men, en omdat de meeste mensen zich niet voelden aangetrokken tot een onzeker, avontuurlijk bestaan vol gevaren en ontberingen, daarom bleef alles ordelijk verlopen en boekten de rancuneuze oproerkraaiers weinig succes.
"Die kankeraars zijn te laf en te gemakzuchtig om zelf op pad te gaan", merkte men op, "en daarom proberen ze diegenen, die wel de durf hebben alles in de steek te laten, slecht te maken."
"Laat ze toch praten", hoorde je de mensen zeggen, en er werden spottende opmerkingen gemaakt over de kleinzieligheid van de roddelaars en sommige baldadige jongens riepen zelfs, gierend van het lachen, terwijl ze naar hun kruis wezen: "Die kunnen hem vast en zeker niet meer omhoogkrijgen..."
Wanneer op zulke momenten een van die verbitterde, rancuneuze stokers aanwezig was, dan zag je zijn gezicht vertrekken en gedurende een kort moment werd een listige, kwaadaardige blik zichtbaar, zodat je wist dat die man maar één enkele gedachte kende:
Wraaknemen op het leven, opdat de Gouden Fallus van zijn hoge bergtop omlaag zou storten in de peilloze diepten van de oceaan.
En zoals eenieder weet hebben deze wraakzuchtige, verbitterde lieden hun doel bereikt!
Niemand weet precies hoe en waarom hun duistere invloed zo ineens vat kreeg op de mensen, maar een feit is dat plotseling, van de ene dag op de andere, het prachtige gouden beeld van zijn verheven plaats was verdwenen, en dat een troosteloze sfeer van kilheid op de aarde nederdaalde.
Wie nu dan ook een tocht maakt door de gebergten van de wereld, die zal ontdekken dat de hoge bergen zijn verworden tot grauwe, levenloze steenhopen, die alleen nog maar bezocht worden door onwetende bergbeklimmers, die volstrekt niet op de hoogte zijn van de geschiedenis van de Gouden Fallus, zodat al hun energie doelloos verloren gaat in de lege ruimte van een wereld, waaruit de stralend-gevende werkelijkheid van de Gouden Fallus verdwenen is.
O, het is te hopen voor de mensheid dat ooit de tijd terug zal keren, waarin de mensen opnieuw in staat zullen zijn de mannelijke Fallus te aanbidden als het machtige symbool van God's aanwezigheid op aarde.
Mogelijk zullen er dan weer levenslustige jongemannen opgroeien, die hun geile, vitale energie willen maken tot een onuitputtelijke bron van kracht en gezondheid voor de hele wereld.
Zij zullen in staat zijn de Gouden Fallus, die zo wreed van zijn troon werd gestoten, in ere te herstellen en er zodoende zorg voor te dragen dat de aarde zich losmaakt van de wrede, boosaardige machten, die haar zo lang in hun kille greep hielden.
Laat ons daarom bidden:
O Goddelijke Fallus,
Mannelijke bron van Licht en Leven,
Sta ons bij,
Laat niet toe dat de Duisternis ons vernietigt,
Stijg omhoog uit de peilloze diepten,
waarin de krachten van het Kwaad U geworpen hebben,
En kom weer tot ons...
Amen...