De Liefde en de Dood


Wie machteloos is verdient alleen maar minachting



Politicus zonder partij

In de jaren dertig publiceerde Menno ter Braak het boek 'Politicus zonder partij'.
In dat boek verzet hij zich tegen opschepperij, vals pretentieus gedrag en het overwaarderen van 'de zucht naar geestelijke en culturele beschaving'.
Tegenover de door hem geconstateerde 'culturele en politieke onoprechtheid' plaatst hij simpelheid, kinderlijke eenvoud en humor, zaken die er toe moeten leiden dat binnen een verstarde, ontvitaliseerde maatschappij een nieuw levens-elan kan opbloeien.
Waar 'gewoonheid' en 'humor' de toon aangeven, daar zullen rancuneuze dwaalleren geen kansen krijgen zichzelf te ontplooien. De wezenskenmerken van een fascistische heilsleer zijn namelijk een verstikkende humorloosheid en het onvermogen het eigen gedrag op een kinderlijk-spontane wijze te relativeren.
Het fascisme is de ontkenning van de dichter in de mens en het is een bekend feit dat juist de dichter voor spontaniteit, kinderlijkheid en gevoel staat. Een dichter is geen intellectueel, en wanneer hij dat wel wil zijn, wanneer hij van zijn gedichten pompeuze, kleinburgerlijke frasen wil maken, die ingepast kunnen worden in de door conventies ingeperkte levensruimte van de kleinburger, dan mag je hem geen dichter meer noemen.
Het fascisme kent geen spontane gevoelens. De fascist is een moralist. Het leven is voor hem een film: je hebt niet te maken met mensen, maar met acteurs. De moralist is de regisseur die tegen de mensen zegt: 'Zo' moeten jullie voelen, en daarmee maakt hij zichzelf tot een vertegenwoordiger van de 'duisternis'.
Je zou kunnen stellen dat een moralist binnen een gnostisch-mystiek scenario de Dood vertegenwoordigt, terwijl de dichter of de gevoelsmens het Leven symboliseert.
De dichter vernietigt de door kleinburgers vastgestelde grenzen, omdat zijn gevoelens te groot zijn voor enge burgerlijke kaders. De fascist vernietigt soms ook een aantal burgerlijke vormen, maar hij vervangt de oude vormen en gedachten door een nieuwe, alleenzaligmakende vorm, waarin alleen zijn gedachten belangrijk zijn.
"Een (burgerlijke) beeldenstorm", merkt Ter Braak in zijn boek 'Het carnaval der burgers' op, "geldt altijd de beelden der anderen..."
De eigen beelden worden als onaantastbare grootheden gehandhaafd!

Ter Braak pleit daarom voor een geesteshouding, die zijn oorsprong dient te vinden in de kinderlijke rebellie van de puberteit.
Volwassen, aangepast gedrag dat haaks staat op de kinderlijke gedragswijze en er vaak een ontkenning van is, alsof de een of andere Godenhand op wrede wijze een breuk bewerkstelligd heeft, is in zijn ogen een vloek voor een maatschappij die menselijk wil zijn, een maatschappij waarin geen plaats is voor enige vorm van dictatuur, een open samenleving, waarin de 'elite' niet vervreemd is geraakt van de levenswil van de puber.
Ter Braak merkt op dat er een diepe kloof gaapt tussen diegenen, die zich vertegenwoordigers noemen van 'de culturele elite' en de vitale, levenslustige, niet aan vormen gebonden jongere.
Het onvermogen van de elite in contact te treden met de ongepolijste, vitale krachten en emoties van de rebellerende puber, ziet hij als een bedreiging voor de cultuur.
Een 'ontvitaliseerde' cultuur verliest zijn grenzen stellende, beschavende functie. Zij heeft geen greep op het vitale geweld van de jongere, zodat zij zichzelf verzwakt en derhalve noodzakelijkerwijs te gronde gaat aan uitputting en geestelijke inteelt.

Deze visie, die door vooraanstaande Nederlandse schrijvers jarenlang werd genegeerd, krijgt in het neo-Colijnse tijdperk waarin Nederland zich momenteel bevindt nieuwe actualiteit.
Ook nu gaat de cultuur gebukt onder het juk dat humorloze vormendenkers de mens hebben opgelegd. Ook nu worden cultuur en politiek gedomineerd door mensen, die niet bij machte zijn in contact te treden met 'de rebellerende mens'.
Het rebellerende principe is, juist omdat het aan zijn lot werd overgelaten, verworden tot een ruwe, brutaal-ego stische kracht, waar de zogenaamde elite uiterst misprijzend op neerziet. Elke 'wilde', vitale vorm van protest wordt afgedaan met een enkel verwijfd gebaar van de bleke, geringde intellectuelenhand en vol afschuw mompelt men woorden als 'straatrumoer', 'banaal gedrag' en 'geestloos gebral'.
Met name vertegenwoordigers van die linkse groeperingen, die in een niet al te ver verleden de rebellie aanbaden maken zich aan deze kleinburgerlijke veroordelingswoede schuldig.
Wat dat betreft is er weinig veranderd in de loop der tijden. Toen de schrijver W.F. Hermans in de jaren vijftig in zijn 'Mandarijnen op Zwavelzuur' de Forum-aanhangers aanviel op een puberaal-rebelse wijze, werd niet een verhitte discussie in gang gezet, maar werd gekozen voor het zwakke verweer van de moralist: men verweet Hermans dat hij de literaire normen niet in acht nam, waardoor hij volgens zijn tegenstanders (die de vitale 'vent' boven de starre, levenloze 'vorm' wilden plaatsen) niet uitsteeg boven het niveau van een visverkopende marktkoopvrouw. "Zo eentje", merkte men minachtend op, 'kun je niet serieus nemen..."
Het mandarijnendom is het product van de menselijke zelfvernietigingswoede. Het adoreert, interpreteert en legt uit en het verloochent daarbij zijn idealen - en zichzelf!
Multatuli zag die houding als een groot kwaad en hij leed er onder.
Maar aangepaste kleinburgers zijn niet geïnteresseerd in het lijden van anderen. Zij hebben gesprekstof nodig en wat is er mooier en verhevener dan literaire stijl...?
Builen, gezwellen en neurosen heeft iedereen. Maar stijl? Dat is iets bijzonders. Dat heeft niet iedereen.

De huidige elite, groot en vet geworden onder het 'bezielende' leiderschap van hooggeplaatste figuren als de salonsocialist Harry Mulisch en de salon-nihilist Willem Frederik Hermans, twee dikke vrienden, die elkaar op uiterst stijlvolle wijze plachten te begroeten tijdens hun ochtendwandelingen door de lanen van het cultureel-politieke villadorp dat Nederland geworden is, heeft zich verschanst in een bastion van gewapend beton, en zij bedrijft daar cultuur en politiek met een zuinig, vroom gezicht, alleen maar om de aandacht af te leiden van de knoet van terreur en onderdrukking die in het diepste geheim wordt vervaardigd uit het harde hout van stervende bomen, een knoet die hardhandig terecht zal komen op de ruggen van al diegenen, die door de elite worden buitengesloten.
Soms, op bevrijdingsdag, ontmoeten de vertegenwoordigers van de Hollandse elite elkaar. Gekleed in een deftig driedelig kostuum, een dure krans van bruine bladeren en witte lelies onder de arm geklemd, schrijden zij langzaam voorwaarts, zwijgend, vol plechtige bewogenheid, terwijl de klokken van de christelijke kerken op doffe, monotone wijze een zwaarmoedig liedje zingen: 'Dom, di-dom, di-dom...'
God, Koningin en Vaderland verenigen zich op deze bijzondere dag.
En als de klokken zwijgen, dan bestijgt, omstraald door onzichtbare zwarte lichtflitsen, die vanuit de zwarte hemel op hem worden afgevuurd, de immer vrolijke revolutionaire moralist Harry Mulisch de kansel, die speciaal voor hem op een kleine grafheuvel is neergezet.
En terwijl hij met een vroom gezicht vanaf zijn hoge, door grafzerken en heiligenbeelden omringde plaats neer blikt op de verzamelde 'elite', de Hollandse middenstanders, de dappere verzetsstrijders, de Minister van Cultuur, Jantje Beton, Tante Truus en Boudewijn Buch van de VARA, leest hij vanaf een beduimeld velletje papier een stijlvolle feestrede voor, die het volk moet bewijzen dat we met z'n allen leven in een tijdperk waarin geen plaats meer is voor onderdrukking en terreur, een tijdperk waarin de culturele en politieke elite 'waakt' over de vrijheid:
Mijn vrijheid, uw vrijheid, onze vrijheid...

De criticus Ter Braak, die in 1940 tijdens de Duitse invasie zelfmoord pleegde, kijkt vanuit zijn halfvergane doodskist gramstorig omhoog naar de waakzame, vrijheidslievende schrijver Harry Mulisch.
Hij herinnert zich een uitspraak van deze zogenaamd verfijnde beschaven, waarin de Duitse schrijver Rainer Werner Fassbinder, mede omdat hij zelfmoord pleegde, werd aangeduid als een 'morbide' geest.
Harry Mulisch zal er niet over peinzen zelfmoord te plegen. Zelfmoord is volgens hem een teken van zwakte. Alleen mensen die zich machteloos voelen plegen zelfmoord. Ergo: Zorg ervoor dat je altijd aan de kant van de macht staat, want dan is het leven altijd zonnig. Ook al is die zon een 'zwarte zon'. Dat maakt niets uit. Je leeft om niet dood te hoeven gaan. En als je machtig bent, ben je altijd goed.

In mei van het jaar 1940, toen de Duitse bezettingstroepen ons land binnen vielen was Harry Mulisch een 'gezonde Hollandse jongen' - zoon van een Duitse vader en een Joodse moeder - dubbelzinniger kan het bestaan niet zijn...
Die 'gezonde' jongen is hij zijn leven lang gebleven. Altijd dubbelzinnig, altijd opportunistisch, altijd van twee walletjes eten, altijd aan de kant van de sterkste staan.., maar wel vrolijk..., ja, dat wel...

In de jaren zestig predikte de opportunist Mulisch de 'vrolijke revolutie'.
Welke vrolijke revolutie?, zult u zich afvragen.
Pleitte hij voor een maatschappij, waarin geen plaats wordt ingeruimd voor rancuneus terreurdenken?
Pleitte hij voor 'gewoonheid' en 'humor', zoals hij dat in de jaren vijftig wel een tijdlang deed, omdat belangrijke (dus door de machthebbers gesteunde) schrijvers als Godfried Bomans en Hella Haasse toen humoristisch durfden te zijn?
Was hij voorzitter van een 'comité van waakzaamheid van partijloze intellectuelen'?
Niets van dat alles. Harry stond vrolijk lachend naast de stalinist Fidel Castro, een man, die het woord 'democratie' niet kent en die in zijn gehele leven nog nooit een simpele, zakelijke, met humoristische spitsvondigheden doorspekte boodschap heeft uitgesproken.
Wanneer we aan Fidel Castro denken dan zien we een humorloze, brallende moralist voor ons: een autoritaire, opdringerige partijman in een saai, militair uniform, die een uiterst onbeschaafde, van iedere kinderlijke fijngevoeligheid gespeende, indruk maakt.
'Socialisme of de dood' - meer keuzemogelijkheden zijn er volgens Castro niet, zodat we moeten concluderen dat Harry Mulisch ofwel socialist is, ofwel dood...

Waarom kiest zo een vooraanstaand schrijver voor stagnatie, dictatuur en militarisme?
Het antwoord op die vraag kan de tot zwakkeling uitgeroepen schtijver Ter Braak ons mogelijk geven, deze zielige figuur, die in het duistere literaire vergetelheidsgebied, waarin Harry Mulisch hem heeft neergeworpen, een onbeduidend bijrolletje mag spelen, omdat hij een verliezer (het verschrikkelijkste scheldwoord dat er bestaat in het universum van de machtsmens...) is, die niet voor de harde, mannelijke macht durfde te kiezen.
Ter Braak zou wijzen op de arrogantie, de verwaandheid, de pronk- en praalzucht van deze moralistische schrijver, die het symbool is geworden van de cultuur van de jaren zeventig en tachtig.
Hij zou wijzen op de botte eigenwaan, het egoïsme en het onvermogen respect op te brengen voor de 'ongecultiveerde' of 'speelse' mens, die hij nota bene zelf ooit was...
Hij zou ook wijzen op de grenzeloze bewondering die Mulisch heeft voor mensen die 'macht' bezitten en hij zou de lezer duidelijk maken dat het 'linkse denken' van de jaren zestig en zeventig gekenmerkt werd door een primitief verlangen 'de macht' te veroveren.

Politiek was in de jaren zestig en zeventig machtsdenken.
Linkse hervormers haalden hun ideeën uit het werk van Mau Tse Tung (Mao Zedong) en in het befaamde Rode Boekje van deze volksleider (die, hoe eigenaardig dat ook mag klinken de afstand tussen intellectueel en arbeider wilde verkleinen) stond te lezen dat de macht uit de loop van het geweer komt.
Toegegeven: hier en daar zwaaiden er ook een paar naïeve idealisten met het werk van Herbert Marcuse, maar de gedachten van Marcuse (die pleitte voor een herwaardering van de 'marginale mens') waren weinig meer dan wat franje aan de militaire pet van de dictator Fidel Castro, die alle marginale figuren in de gevangenis stopte, omdat ze te negatief, te kritisch en te wantrouwend waren.
Waar Herbert Marcuse pleitte voor het sterk maken van de outsiders, die dankzij hun marginale positie in staat zijn de gelijkschakelende druk van het collectivisme te weerstaan, daar wilden de linkse 'hervormers' het systeem van binnenuit veranderen. Het begrip 'repressieve tolerantie' kwam in hun woordenboek niet voor.

Herbert Marcuse

"Technology and science are organized for the increasingly effective domination of man and nature...."

"...The outcasts and outsiders, the exploited and persecuted of other races and colors, the unemployed and the unemployable...Their opposition hits the system from without, and is therefore not deflected by the system; it is an elementary force which violates the rules of the game and, in doing so, reveals it as a rigged game...
The fact that they start refusing to play the game may be the beginning of the end of a period."

One Dimensional Man, p.256

De politicus Joop den Uyl, leider van de partij van de Arbeid, waagde het te stellen dat een kunstenaar, net als een politicus, uit is op het veroveren van macht.
Harry Mulisch was het vanzelfsprekend volkomen met hem eens.
Dat een keuze voor primitief machtsdenken het failliet van de democratische rechtsstaat betekent (omdat macht noodzakelijkerwijs on-macht schept) dat besefte men niet.
Mulisch is een partijman. Het begrip 'politicus zonder partij' heeft voor hem geen inhoud. De partij maakt de leider. De partij vertegenwoordigt 'de moraal'. De partij stelt 'de norm'. De partij kan geen misdaden begaan, omdat de partij in dienst staat van 'de' gemeenschap.

"Wat betekent het lot van de enkeling, wanneer het de gemeenschap goed gaat?"
Met die vragenderwijs uitgesproken stelling (die tweeduizend jaar geleden ook werd uitgesproken door de hogepriester Kajafas...) werd het bestaan van concentratiekampen in Cuba gerechtvaardigd.
De schrijver Gerard van het Reve verkondigde de mening dat men Mulisch maar eens een tijdje zou moeten opsluiten in zo'n kamp, en heel links Nederland voelde zich ten diepste gekwetst, want, zo redeneerde men, een goed mens wordt door links (dat de vertegenwoordiger van het goede is) nooit opgesloten, zodat je een 'links' concentratiekamp geen 'kamp' mag noemen... Heel intelligent allemaal.

De stalinist (=verdediger van de eenpartijstaat) Fidel Castro, de socialist die zo asociaal is, dat hij niet in staat is samen te werken met anderen, kan gezien worden als de vertegenwoordiger van 'de vorm'.
Zijn uniform, zijn dictatoriaal optreden, zijn urenlange schreeuwpartijen, dat alles werd bedekt met de mantel der Mulischiaanse liefde. Iedereen die kritiek leverde was een 'fascist', een amoreel mens, die geen oog had voor de noden van de armen en onderdrukten.
Ter Braak, de 'politicus zonder partij', kijkt ons vragend aan vanuit zijn laatste rustplaats en hij mompelt: Moet een mens kiezen voor 'de vorm' of voor 'de vent'?
Mogen mensen als Fidel Castro, die weigeren de eigen machtspositie ter discussie te stellen en die de noden van andere mensen gebruiken om zichzelf belangrijk te maken, verdedigers van de 'hogere waarden' in het leven worden genoemd?
Kunnen mensen die 'het leven' ondergeschikt willen maken aan 'de vorm' (de wet, de moraal, de gematerialiseerde belangen van de machthebbers dus..) een betere wereld scheppen?

Ter Braak bewonderde de filosoof Friedrich Nietzsche.
Nietzsche was geen partijman. Zijn denken bezat, ook al verafschuwde hij het begrip anarchisme, libertijns-anarchistische trekjes. Hij wilde de mens uit al zijn kluisters bevrijden, maar ondanks al zijn 'goede' bedoelingen kon hij geen greep krijgen op dat vreemde, duistere gegeven 'Macht', dat het leven in een burgerlijke maatschappij op een welhaast demonische wijze bepaalt.
Greep krijgen op de duistere hoedanigheid: 'Macht', dat is de taak van ieder weldenkend, naar vrijheid strevend mens, en het is de moeilijkste opgave waar hij zich voor gesteld ziet.
'Wie met macht omgaat wordt erdoor vernietigd', of 'macht maakt corrupt, schept zijn eigen wetten...', zegt men.
Ter Braak distantieerde zich van de onrijpe Nietzscheaanse opvattingen over 'macht' (terecht ook, omdat de meeste Nietzscheeanse gedachten over het begrip Macht weinig meer zijn dan losse notities, die door Nietzsche nooit zelf gebundeld zijn) en hij ontwierp het begrip 'politicus zonder partij'.

In het Nederlandse verzuilde bestel kunnen we ons een partijloos politiek systeem nauwelijks voorstellen. In het boek 'Carnaval der Burgers' stelt Ter Braak:
"Het behoud der verschillen, de instandhouding der onderscheidingen: dat is de roeping van de burger. Hij stelt zich teweer, zodra er ergens grenzen komen te vervallen, zonder dat zij terstond door nieuwe worden vervangen."
Dat betekent dat ons moralistische landje zich nog steeds in de greep bevindt van een primitief machtsdenken dat in stand gehouden wordt door mensenjagers (een begrip dat echt letterlijk genomen moet worden!), ook al noemen vooraanstaande politici zichzelf tegenwoordig bij voorkeur vertegenwoordigers van een zakelijk 'no-nonsense'-denken.
Een nuchter toeschouwer kan alleen maar glimlachend zijn schouders ophalen wanneer hij kleinburgerlijke politici het woord 'geen onzin' hoort uitspreken.

De kleinburger staat voor de monarchie. Ter Braak stelt:
"Wat dwingt de nuchtere zakenman, burger in hart en nieren, lid van een kerkgenootschap, (...) verering te koesteren voor een zo onzakelijk wezen als een koning, burger, echtgenoot, gelovig als hij? Wat dwingt hem, die zuinigheid als het opperste maxiem van zijn gedragingen heeft gekozen, de luxe van het koningschap als 'noodzakelijke representatie' te beschouwen?"

De grote politieke partijen in ons land verdedigen nog altijd de waarden van de vals-moralistische kleinburger.
Het (christelijke) CDA staat (net als het rechtse deel van de VVD en de Partij van de Arbeid) voor het calvinisme, een judaisch-fundamentalistisch geloof in een toornige, kinderhatende Vader-God, die alles wat Zijn gezag aan kan tasten genadeloos uitroeit. Niksdoen is uit den boze en wie niet werkt zal niet eten. Ziek zijn is een straf van God en wie niet lijden wil zal gedwongen worden te lijden.
Het beeld van een zieke die in een gezellig vakantiehuisje woont is de ergste voorstelling die je een CDA-er voor kunt spiegelen. Waar blijft in dat geval de moraal? Wat moet je als gezond mens doen wanneer zieken niet meer zielig willen zijn?
Daarnaast staat het CDA voor het katholieke carnaval, de zotte optocht van verklede dronkemannen, die zingend en dansend de draak steken met het gewone, eenvoudige, kinderlijke bestaan van nuchtere 'no-nonsense-geesten'.
Vasten en Carnaval, dat zijn de twee anti-kinderlijke polen van het CDA, zodat we rustig kunnen stellen dat deze partij de ge-institutionaliseerde ontkenning is van het kindvriendelijke denken van Menno ter Braak.

Tegenover het CDA staat de 'Partij van de Arbeid', die zichzelf nu eens 'socialistisch', dan weer 'sociaal-democratisch', en bij een andere gelegenheid 'progressief-vooruitstrevend' noemt, al naar gelang het de partij het beste uitkomt.
Inhoud geven aan begrippen, daar voelen PvdA-ers weinig voor. In de jaren zestig wilde de radicale socialist 'arbeider met de arbeiders' zijn. In de jaren tachtig is hij 'ondernemer met de ondernemers' en 'regent met de regenten' - en morgen? Morgen gaat hij dood en dan komen er weer andere 'radicale socialisten', die zich verenigen in een 'nieuwe' linkse partij, die natuurlijk eeuwig moet blijven bestaan, omdat de kleinburger een onverbeterlijke moraalridder is, die alleen maar sterk en machtig kan zijn, wanneer hij aan de kant van het eeuwig goede staat.

De zich radicaal noemende aanhang van de Partij van de Arbeid maakt graag het 'no-nonsense-denken' belachelijk, waarschijnlijk vanuit de overtuiging dat zonder de aanvaarding van 'de onzin' de partij het eigen bestaansrecht verliest.
Een nuchter mens haat zaken als 'kameraad', 'rode roos', 'de vuist op tafel', 'ochtendrood' en 'dansen rond de Meiboom', omdat hij beseft dat die zogenaamde gemeenschapssymbolen alleen maar een scheidende en verdelende functie hebben, zodat van een sociale partij (waarin iedereen zich op zijn gemak kan voelen) niet gesproken kan worden.
De grote partijen in Nederland dragen een antiliberaal, anti-individualistisch verleden met zich mee, een beperkt, bekrompen verleden, waarin geen plaats was en is voor het anarchistisch getinte denken van Menno ter Braak.
De 'partijloze politicus' vormde en vormt nog altijd een bedreiging voor deze partijen. Partijloosheid kan volgens hen alleen maar voeren naar anarchisme en immoralisme.
Zelfs de VVD, die het individualisme jarenlang definieerde als 'het recht van de sterkste', met andere woorden: als het recht van de kapitalist zijn macht naar eigen believen te gebruiken en te misbruiken, wijst de partijloosheid af.

De doorgewinterde Hollandse partijman kan zich geen politiek voorstellen zonder 'partijen', hoewel die situatie in Amerika al jarenlang bestaat (beter gezegd, bestond, want onder invloed van rechts-religieuze invloeden wordt de openheid van de bestaande partijen drastisch ingeperkt - 'God bless America - you know...').
Men negeert het feit dat er veranderingsprocessen gaande zijn die buiten het machtsgebied van de politiek liggen. Daar zwijgt men liever over - waarschijnlijk omdat men weigert een werkelijkheid te aanvaarden, die het eigen falen aan kan tonen.
Maar desondanks, hoe men het ook wendt of keert: in een nieuwe tijd, waarin niet de machtsmens maar de man van het Midden centraal staat, zal de nadruk moeten worden gelegd op de persoon van de politicus, zijn kwaliteiten, zijn betrouwbaarheid, zijn wil de concrete belangen van iedereen te verdedigen.
Alleen op die manier kan de baantjesjager, de leugenachtige, machtsbeluste partijbons die alleen het eigen zitkussen verdedigt, ontmaskerd worden.
Tegenover 'de vorm' moet 'de vent' worden geplaatst, niet de leider, de partijman, die altijd en eeuwig op zoek is naar zondebokken om de moralisten waaraan hij zijn ziel verkocht heeft tevreden te stellen, maar de man die integriteit en betrouwbaarheid uitstraalt, en die de moed heeft tegen zijn achterban te zeggen dat in een democratisch land alle mensen dezelfde rechten hebben - ook de mensen die door het toeval aan de verkeerde kant van de goedheidsgrens zijn neergezet.

'Wir haben es nicht gewusst', was het excuus van de Duitsers toen zij na de oorlog met de wrede werkelijkheid achter de mooie politieke fa ade van het Nationaal Socialisme werden geconfronteerd.
In onze tijd kunnen we dat excuus niet meer gebruiken. We zullen geconfronteerd worden met mensen die willen weten. En daar zal naar gehandeld moeten worden. De heerschappij van de primitieve moralistische mensenjager heeft lang genoeg geduurd.

Zwolle, 13 januari 1989,
Brief aan de redactie van de Volkskrant.

(c) wim duzijn - holland

Zie ook: Literatuurgeschiedenis op het net:
Het tijdschrift Forum

In 1963 verschijnt de eerste druk van Mandarijnen op zwavelzuur, een rijkelijk ge llustreerd boek waarin Willem Frederik Hermans de literaire polemieken bundelde die hij in de jaren veertig en vijftig had laten verschijnen, onder andere in de tijdschriften Criterium en Podium.

Mandarijnen op zwavelzuur is een berucht boek. Hermans gaf de bundel in eigen beheer uit omdat geen uitgever het boek voor zijn rekening wilde nemen. In de polemieken, die in Mandarijnen op zwavelzuur bijeen zijn gezet, keert Hermans zich op felle en vaak humoristische wijze tegen onder anderen Ter Braak, Du Perron, de katholieke censuur uit de jaren vijftig, J.B. Charles, G.A. Gomperts en verder nog tegen iedereen die in zijn ogen een `mandarijn was, dat wil zeggen die opgeblazen, onecht of berekenend is. In een supplement op de Mandarijnen, uit 1981, verzamelde Hermans zijn Weinreb-polemieken tegen Aad Nuis en Renate Rubinstein.