De Ketterse Kathedraal


Gerard Reve: de Liefde en de Dood

VKblog van woensdag 1 december 2010 door Wim Duzijn



Wat je ook op de schrijver Gerard Reve aan wilt merken, niet te ontkennen valt dat hij een van de weinige Nederlandse schrijvers was, die zich bezig hield met twee zeer belangrijke zaken in het leven van de mens: De Liefde en de Dood!
Nu is dat niet zo'n geweldig groot compliment, omdat het heel goed mogelijk is je te verdiepen in belangrijke zaken, zonder dat je ooit aan een wezenlijke verdieping van het eigen bestaan toekomt. Ook priesters en dominees hebben het gebied van 'de liefde en de dood' tot hun specifieke werkterrein uitgeroepen, zonder dat zij ooit de abstracte werkelijkheid van 'het heilige woord' concreet maken, door vanuit het schimmige wolkenrijk van de schone illusies neer te dalen op de aarde, alwaar men kalmpjes en zonder overdreven opwinding rond kan lopen, uiterst simpel en met de beide voeten stevig op de grond.
Je zou kunnen stellen dat Gerard Reve, in navolging van al die kleingelovigen, die alleen maar op een abstracte (beter gezegd: vrijblijvende) wijze willen praten over belangrijke zaken, niet bereid was weg te stappen uit zijn quasi-mystieke wolkenrijk, alsof hij bang was voor een harde, nuchtere werkelijkheid, die niet mysterieus genoeg is en mensen wellicht zou kunnen dwingen afstand te doen van het religieuze speelgoed dat een irreële, dweepzuchtige wereld ze op gulle wijze aanreikt.

Gerard Reve hield op een kinderlijke wijze van speelgoed en dat is een karaktertrek waar het katholicisme handig op inspeelt - net als alle andere ideologische systemen overigens...
Denk maar eens aan de oude Romeinen! Die waren niet dom. Die wisten precies wat je de mensen moet geven. Wie het volk brood en spelen geeft wordt onder luid gejubel tot koning uitgeroepen, wie daarentegen een ernstig vermanend woord tot de goegemeente wil richten, die wordt op een genadeloze wijze weggehoond, tenzij hij natuurlijk in staat is van dat ernstige woord een brokje speelgoed te maken, zoals een mitrailleur, of andere strafwerktuigen, want speelgoed dat de agressieve verlangen van de mens bevredigt is alle eeuwen door erg in trek geweest. "Schiet hem dood, maai hem neer, vernietig de klootzak...", dat zijn speeldingetjes die nooit hun betekenis verliezen in het koninklijke domein van een speelgoedwereld.
Spelen in dienst van de dood. Dat mag. Want de dood van de volwassenen dient het egoïsme, en daarom is die dood ongevaarlijk.

Gerard Reve was - ondanks zijn obsessieve gerichtheid op 'de meedogenloze jongen' - in bepaalde opzichten een groot kind dat het liefst wilde leven in een kinderkamer, die van onder tot boven is volgestapeld met de meest bizarre speelgoedbeesten, het ene nog groter en massiever dan het andere, zonder te beseffen dat een dergelijke fanatieke verzamelwoede gevaarlijk is.
Wat te denken van het fameuze Paard van Troje? Dat was ook een speelgoedbeest, een vakkundig gemaakt hebbeding, dat vol enthousiasme door de juichende Trojaners werd binnengehaald, maar dat desondanks de ondergang van de stad Troje bewerkstelligde, omdat het van onder tot boven was volgeladen met vijandelijke soldaten.
Al spelend haalde Gerard Reve de vijand binnen in zijn bestaan, en het was niet één enkele vijand, een vijandige soldaat, met wie je kunt praten, met wie je kunt vechten en die je in een afmattende krachtmeting tot je vriend kunt maken, zoals je ook een wild dier temt, nee, hij haalde zich met zijn ogenschijnlijk kinderlijke grappenmakerijen een volledige kerkgemeenschap in huis: de Rooms-katholieke kerk..!
"Ik heb het rijk alleen", merkt hij op in het gedicht 'Boekenweek 1973', "Ik heb het rijk alleen. Of moet ik zeggen: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld?"

Het rijk alleen...; je moet maar durven met een paar miljoen gelovigen in je huis!
Hier toont zich duidelijk het zweverige, chaotische en inconsequente karakter van Gerard Reve. Met miljoenen mensen samenklonteren in een klein, benauwd achterkamertje, hetgeen soms wel eens als bezwaarlijk wordt gevoeld, maar alla, "de kerk van Rome is de Ware Kerk"..., en daarna beweren dat je het rijk alleen hebt.
Dat is in strijd met de nuchtere wetten van het degelijke, gezonde verstand, dat mogelijk niet altijd de waarheid in pacht heeft, maar dat in het geval van Gerard Reve een noodzakelijke voorwaarde is voor het herstellen van een door de burgerij verstoorde orde.
Gerard Reve was een chaotische man, die nooit echt contact heeft kunnen maken met de wereld van het gezonde verstand, een wereld van nuchtere regelmaat en orde, die een mens in staat kan stellen uit te groeien tot een kritisch, zelfbewust mens.
Zijn God, dat zou een uiterst strenge, verstandelijke God moeten zijn, een beeldenstormer met een meedogenloze, welhaast calvinistische mentaliteit, die al zijn religieuze prullaria, inclusief de muisgrijze ezel met de 'geheime opening' met een zware moker aan stukken slaat, onder het ijzingwekkend strenge motto: "Wil jij de Dood? Zoek jij een meedogenloze jongen? Welaan, beste godzoekende schrijver, hier heb je de Dood!"

Huilend moet de naar de Dood verlangende schrijver toezien hoe zijn bezittingen worden weggesleept. Dodelijk verbouwereerd staat hij daar met een van angst vertrokken gelaat, en handenwringend ziet hij toe hoe al zijn idolen en religieuze geheimen aan gruzelementen worden geslagen door de Strenge Meedogenloze Jongen, die hij alle jaren door heeft aanbeden, maar die hij tegelijkertijd ook grenzeloos heeft gehaat, omdat hij in feite niet Sterven wilde, gewoon, uit angst voor de leegte van een door God verlaten, mysterieloos bestaan.
Wat moet een mens met een romantisch, dweepzuchtig karakter beginnen zonder sentimentele heiligenbeeldjes, zonder een Goddelijke Moeder die hem beschermt en zonder die eeuwig aanwezige, maar nooit zichtbare God, die ooit 'mens' werd, maar die dat nooit meer schijnt te mogen worden?
Wat moet hij zeggen tegen een Meedogenloze Jongen, die veel meer kwaliteiten bezit dan een 'stout jongenskontje', dat uitdagend in een strakgespannen broekje is gestoken?
Zo'n Strenge, Meedogenloze Jongen slaat je niet met zijn broeksriem op je wellustig omhooggestoken kont, nee, zo'n jongen neemt je, juist omdat hij meedogenloos is, alles af, en hij is waanzinnig streng, zo streng dat je er als romantisch dweper gewoon bang van wordt.
Strengheid, daar heeft Gerard Reve altijd tegen gevochten, hoewel hij er tegelijkertijd een diepe en intense bewondering voor had.
Zijn grootste tegenstanders trof hij aan in het strenge, meedogenloze calvinistische kamp, want daar lag blijkbaar de Goddelijke wereld die hij zocht: bij de strenge bestrijders van zijn bij elkaar 'gelogen' werkelijkheid.
Nooit heeft hij begrepen dat hij in de strijd met die meedogenloze vijand niet moest overgaan tot een terugtocht in de dweperige wereld van een kerkgemeenschap die weliswaar zekere geloofsmysteries kent, maar die niet in staat is het Goddelijke Mysterie van de eenwording te begrijpen: het opheffen van de 'burgerlijke schizofrenie', die tot uiting komt in verzuiling, versplintering en blinde vreemdelingenhaat. Nee, als hij dan toch godsdienstig zou willen zijn, dan zou hij lidmaat moeten worden van een vrijzinnig-protestantse kerkgemeenschap. Van de protestantse God moet hij een 'Meedogenloze Jongen' maken, want zo een jongen hebben chaotische, dweepzieke mysteriezoekers nodig: een jongen die je zachtheid geeft en die je in ruil daarvoor de hardheid geeft die je nodig hebt om uit te groeien tot een volledig, evenwichtig mens, die in staat is de morele druk van de wereld te weerstaan.

Evenwicht veronderstelt het bestaan van twee polen, die weliswaar tegengesteld zijn, maar die desondanks niet zonder elkaar kunnen bestaan. Zonder de een raakt de ander op drift, en hij blijft net zo lang in die toestand van onzekerheid en rusteloosheid verkeren, tot hij de ander als noodzakelijke tegenpool erkent.
Zelfs de aarde kent twee polen: een noordpool en een zuidpool, maar Gerard Reve doorbreekt als Roomse mysterieschrijver de nuchtere logica die aan ons bestaan ten grondslag ligt en hij probeert een wereld op te bouwen die enkel en alleen uit zuidpolen bestaat, zonder te beseffen dat gelijkgerichte polen nooit bij elkaar kunnen komen in een wereld die alleen een toestand van harmonie kan bereiken wanneer aan elkaar tegengestelde krachten samenwerken.
De God van de katholieken (beter gezegd: die vergeestelijkte katholieken die de letterknechterij van het calvinisme afwijzen) is een God waarmee mensen met het karakter van Gerard Reve nooit in contact zullen kunnen treden, omdat het een gelijkgeaarde God is, en wie een meedogenloze jongen zoekt heeft juist een God nodig die anders is, afstotend op het eerste gezicht, maar juist daardoor in staat de beperkingen van het eigen bestaan op te heffen, omdat die God allerlei eigenschappen bezit die men zelf niet, of in te geringe mate, bezit.
Een 'lieve jongen' met het stugge, strenge, d.w.z. Saturnale, karakter van Ingenieur van Dis heeft zou de meedogenloze vriend kunnen zijn, waarmee de speelse mysticus op weg zou kunnen gaan naar het Goddelijke Rijk van het Midden (het 'koninkrijk der hemelen')!
Een jongen, die enigszins laatdunkend opmerkt: "Waarom noem die schrijver zichzelf 'Gerard Reve', hij staat toch ingeschreven onder de naam 'Gerard Kornelis van het Reve'?"
Een jongen die een tijdlang met een zekere norse onverschilligheid neerblikt op het kleine huisaltaar met zijn eeuwig brandende gloeilamp, om tenslotte op te merken: "Als je zonodig iemand wilt vereren, hang dan mijn foto aan de muur, en gooi in godsnaam al die heiligen-beeldjes weg, en vooral die 'heilige, eerwaarde moeder', want mijn God, de meeste moeders hebben hun ziel en zaligheid in handen gegeven van duistere, agressieve burgermansluitjes die alle 'moederlijke' energie met hun agressieve speeldingetjes willen vernietigen, dus wat koop ik voor die flauwekul?"
Maar nee, de schrijver moet zich zo nodig 'katholiek' noemen en hij sluit zich daarmee op in wereld, waarin hij 'de Goddelijke Ander' die hij zoekt, de Strenge, Meedogenloze Jongen, die ondanks zijn koele afstandelijkheid de mystieke warmte hard nodig heeft, nooit zal ontmoeten, omdat die ander nu eenmaal tot een 'andere' wereld behoort.

Dat is de tragiek van het menselijke bestaan. Wie een ander zoekt, kan er bijna zeker van zijn dat die ander niet gevonden zal kunnen worden in de veilige, vertrouwde eigen kring.
Zoals 'Christus' rust en geborgenheid zal moeten vinden in de schoot van de 'Satan' (Van het Reve brengt zelf dat inzicht naar voren in zijn 'Pleitrede voor het Hof', waarin hij stelt dat zelfs de in duisternis geketende tweelingbroeder van Christus, de Satan, werkelijk God is..), zo kan de mysticus rust vinden bij zijn tegenstanders, die in staat zijn, samen met hem, het uit elkaar gevallen Rijk van het Midden te herstellen.
Ingenieur van Dis staat dichter bij hem dan de Paus van Rome, zoals de Satan dichter bij Christus staat dan wie ook in deze wereld, dat is een waarheid die de mysticus Gerard Reve weliswaar niet ontkende, maar die hij niet ten uitvoer kon brengen, juist omdat hij voortdurend wegliep van een Dood, die hij in zijn verzen op een welhaast hysterische wijze bezong. Natuurlijk, Van Dis is een gevangene van een liefdeloze, vervuilde wereld, maar dat was Gerard Reve zelf in feite ook. Niet voor niets noemde hij de katholieke wereld, de wereld van de 'Ware Kerk', een waanzinnige, smerige leugentroep.
Wat doet het ertoe wie of wat je bent. Juist het besef dat je zo en zo bent kan je ertoe brengen afstand te doen van een werkelijkheid, waarmee je jezelf in feite niet meer kunt identificeren. Want dat is de essentie van het Sterven: een situatie in het leven roepen waarin je niets meer te verliezen hebt, omdat je weet dat alles wat je bezit in feite het eigendom is van de Dood.

Wie oog in oog heeft gestaan met de Dood, die is een ander mens geworden. De Dood vernietigt de holle oppervlakkigheid van een op bluf en holheid gebouwde, door en door volwassen burgermanswereld.
Welk nut heeft een paleis, wanneer de Dood morgen voor de deur staat? Wat betekent een literaire prijs, wanneer je weet dat je morgen zult Sterven? Waarom een ander haten die net zo kwetsbaar en machteloos is als jij dat bent in dat vreemde, geheimzinnige grensgebied van het menselijke bestaan waar de Dood regeert?
Wanneer twee vijanden het grensgebied van de Dood betreden komen zij tot de ontdekking dat zij bij elkaar horen, dat zij elkaar zelfs nodig hebben en dat zij zonder elkaar niet eens kunnen bestaan.
Door de 'haat' van de ander leert men zichzelf en de eigen meest wezenlijke behoeften vaak het beste kennen!
Blinde destructie, haat die niet constructief aangewend kan worden beheerst de burgerlijke wereld, die het contact met het Rijk van het Midden verloren heeft.
Daarom juist roept het Evangelie op de wereld te overwinnen. Je vijanden 'liefhebben' kan alleen realiteit worden in een situatie waarin je in staat bent de ander als Mens te zien, een wereld waarin kille, op sex beluste 'flikkers' de strenge (Saturnale) waarden van het calvinisme (degelijkheid, trouw en monogamie) leren waarderen, een wereld waarin socialisten inzien dat mystiek en astrologie waarheden bevatten die de eigen beperkte kijk op het leven kunnen verruimen, een wereld ook, waarin niet langer een misdadige schizofrene God (de God van het Oude testament) het recht wordt gegeven alles wat intelligent, gevoelig en kinderlijk wil zijn kapot te slaan!
In zo'n wereld kan een schrijver een vers maken dat inhoudelijk het tegendeel is van het gedicht 'Scheppend Kunstenaar' (gepubliceerd in 'Een eigen huis'). Schrijft Gerard Reve daar...:

Naarmate ik ouder word,
wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord,
steeds enkelvoudiger van inhoud:
Liefde (of geen Liefde),
en ouder worden,
en dan de Dood....

in de situatie van wereldoverwinning (een toestand die alleen daar kan ontstaan waar mensen bereid zijn de holheid van een volwassen leugenbestaan op te geven) zou hij kunnen schrijven:

De Dood (alleen de Dood),
en dan de Liefde!

Vanwege zijn gehechtheid aan het droombeeld van 'de meedogenloze jongen' is hij aan dat inzicht nooit toegekomen. In het gedicht 'Uit mijn leven' zegt hij:

In verre droom verschijnt mij 's nachts de Glorievolle Maagd,
die ik beloof ter bedevaart te gaan...,
Ik ren voor de Dood uit, ademloos.

Jezelf laten inhalen door de Dood, die strenge, somber blikkende man met een zeis in de hand, zoals je hem ziet afgebeeld in astrologieboeken bij beschrijvingen van de planeet Saturnus, daar denken dromers niet aan, want zoals iedere fantast is een dromer bang voor de Dood, omdat de Dood je alles afneemt en je plaatst in een groot Niets waaruit al het oude vertrouwde is verdwenen, al datgene waaraan je zoveel waarde hechtte (ja mogelijk zelfs je vader, je moeder, je vrouw en je kinderen), terwijl je niet begrijpt dat die 'leegte' noodzakelijk is, omdat een volwassen wereld je heeft geleerd onbelangrijke zaken hoger te achten dan de zaak waar het werkelijk om gaat: de bevrijdende, verlossende Liefde, die binnen een verzuild, versplinterd burgermanssysteem nooit gevonden zal kunnen worden.
In dat geval kan Gerard Reve's gedicht 'Credo' een echte geloofsbelijdenis worden:

Niets te verwachten, niets te hopen,
Er rest mij niets dan duisternis en Dood.
Ik zie het, maar ik wankel niet: Wie gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn bloed.

In die situatie, waarin je alles achter je hebt gelaten en waarin je geen enkele behoefte meer hebt aan het bedrog van ideologen, opscheppers, machtswellustelingen, nihilisten, heterofanaten en valse nichten, die nooit op zoek gaan naar 'de ander', is het mogelijk dat 'God' naderbij komt, mogelijk met een wat ironische, spottende trek om de lippen, een beetje stuurs wellicht, of kwaad zelfs, terwijl hij mompelt:
Tjonge jonge, kon het allemaal niet wat gewoner? Moest je je nu echt zo aanstellen om mij duidelijk te maken dat je van me houdt?
'Wie Gij Ook Zijt..', mijn hemel, laten we eindelijk eens afstand doen van die vervloekte protserige hoogdravendheid. Je kunt God toch niet blijven opsluiten in een kil en tochtig kerkgebouw?
Wie laat er zijn beste vrienden nu in de kou staan? Woon jij ook in een kille kerker? Ik dacht dat religieuze mensen een boodschap van verlossing wilden brengen? Maar hoe wil je mij verlossen, wanneer je niet bereid bent mij te zien als een gewoon mens, een verstandige, nuchtere kerel, die doodziek wordt van zinloos gelul en die smacht naar de tederheid, de aanhankelijkheid, de zachtheid en de lichtvoetige humor, die je toch ook bezit.
Waarom vrolijk je mij niet op, in plaats van me steeds opnieuw neer te werpen in een burgerlijke wereld van zonde en slechtheid, waaruit een ontsnapping niet mogelijk is?
Waarom neem je de barrière die tussen ons bestaat niet weg, in plaats van haar te vergroten?

En vanuit de eeuwige stilte van het graf kijkt de door iedereen allang vergeten schrijver de strenge, nuchtere God op een kinderlijk-schuldbewuste wijze aan en hij mompelt:
"Ik heb me inderdaad als een idiote clown aangesteld en je bekogelt met een onzinnige woordenbrij en ik heb domweg niet begrepen dat je een lieve, Heerachtige God op een geheel andere wijze moet benaderen. "Nu is dat voorgoed afgelopen", prevelt hij, van nu af aan wordt er hier niet langer geluld, nee, nu maak ik werkelijk korte metten met alles. "Nu ik dood en begraven ben en naakt rondwandel in Gods eeuwige Dodenrijk, nu geef ik mijzelf (en hij zegt het natuurlijk weer veel te theatraal) volledig over aan de Dood..."