De ketterse kathedraal

op zoek naar het verloren paradijs

God plantte een tuin in Eden, tegen het oosten, en daar plaatste hij de mens.
Uit de bodem liet hij allerlei geboomte ontspruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed als voedsel, en ook de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad...

En God legde de mens
het volgende gebod op:

Van elke boom van de tuin mogen jullie eten, maar van de boom van kennis en goed en kwaad mag niet gegeten worden, want zodra iemand daarvan eet zal hij onherroepelijk sterven...

De slang nu bleek het omzichtigste te zijn van alle wilde dieren die God gemaakt had en ze zei tot de vrouw: "Je zult volstrekt niet sterven, want God weet dat je ogen geopend zullen worden als je de vruchten van de boom eet en dat je net als God zult zijn: in het bezit van de kennis van goed en kwaad..."
Daarom nam de vrouw een vrucht en ging er van eten, en zij gaf ook een vrucht aan haar man en ook hij at er van. En op dat moment gingen zij elkaar met andere ogen bekijken. Zij gingen beseffen dat zij naakt waren en zij naaiden daarom vijgebladeren aan elkaar en maakten zichzelf lendebedekkingen.
Toen zij de stem van God hoorden, die in de tuin aan het wandelen was, schaamden zij zich en zij verborgen zich in het struikgewas. Maar God bleef hen aanroepen en tot hen zeggen: "Waar zijn jullie?", waarop de man tenslotte antwoordde: "Ik hoorde uw stem, maar ik durfde niet tevoorschijn te komen, omdat ik naakt was, en daarom verborg ik mij."
Daarop zei God: "Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms van de boom gegeten, waarvan je niet mocht eten?"
En de man zei: "De vrouw die u mij gegeven hebt om bij me te zijn, heeft mij een vrucht van de boom gegeven en dus heb ik gegeten..." Daarop zei God tot de vrouw: "Wat heb je nu gedaan?", waarop de vrouw antwoordde: "De slang - die heeft mij bedrogen - daarom heb ik gegeten....."
Daarop zette God hen uit de tuin van Eden om de aardbodem te bebouwen. En aldus dreef hij de mens uit en hij plaatste aan de oostzijde van de tuin een engel met een vlammend zwaard die moest voorkomen dat de mens zou eten van de boom des Levens.

Want voor God was de mens nu dood...

Uit: Genesis, 2:7-19

Koran 7. De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf)

In de Koran is het scheppingsverhaal in verkorte vorm opgenomen, zodat de bedoeling ervan zonder bestudering van de oertekst niet goed mogelijk is. Hieronder volgt de Korantekst.


19. "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat gij wilt, maar nadert deze boom niet, anders zult gij tot de onrechtvaardigen behoren."
20. Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: "Uw Heer heeft u deze boom alleen verboden, opdat gij geen engelen of eeuwig- levenden zoudt worden."
21. En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een oprechte raadgever."
22. Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide: "Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: 'Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u'?"
23. Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren.
24. Hij zeide: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd."
25. Hij zeide: "Gij zult daarop leven en sterven en gij zult daarvandaan worden opgewekt."
26. O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn, doch het kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van Allah, opdat zij er lering uit mogen trekken.

De Koran benadrukt in de weergave van het scheppingsverhaal de waarde die moet worden toegekend aan karakter en de wil God te eren. Dat zijn innerlijke waarden die belangrijker zijn dan uiterlijke kenmerken, zoals kledingvoorschriften, die alleen voor de onverlichte mensen (ongelovigen) belangrijk zijn. God kijkt niet naar het uiterlijk, maar naar het innerlijk.
Kleding heeft gewoon twee aardse functies: een praktische functie - aanstootgevende naaktheid bedekken - en een esthetische functie: schoonheid benadrukken via versiering van het lichaam.

Tegenover de relativering van het belang van kleding staan de voorschriften in Koran-hoofdstuk 24 (Het Licht) waarin de volgende passages voorkomen:

30. Zeg tot de gelovige mannen dat zij hun ogen neergeslagen houden en dat zij hun passies beheersen. Dat is reiner voor hen. Voorzeker, Allah is wel op de hoogte van hetgeen zij doen.
31. En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij ook haar ogen neergeslagen houden en hun passies beheersen, en dat zij haar schoonheid niet tonen dan hetgeen ervan zichtbaar moet zijn, en dat zij haar hoofddoeken over haar boezem laten hangen, en dat zij haar schoonheid niet tonen.

Uit deze regels spreekt angst voor de dierlijke driften in een mens. Naaktheid (ja zelfs schoonheid...) zou passie opwekken en er toe kunnen leiden dat mannen hun gezin en de verplichtingen van het gezinsleven verwaarlozen. Daarom wordt bedekkende kleding voorgeschreven, gekoppeld aan een oproep sexuele driften te beteugelen, waarschijnlijk met de bedoeling verdierlijkte mannen en vrouwen (mensen die moeite hebben hun dierlijke driften te beteugelen) tegen zichzelf te beschermen.
Wie echter eerlijk is zal inzien dat alleen wat simpele kledingstukken mensen niet kunnen beschermen tegen agressieve mensen. Het bedekken van het lichaam is weinig meer dan een pover lapmiddel. De op misbruik van anderen gerichte verdierlijking, die de ontkenning is van de kinderlijke onschuld die Adam en Eva in het Paradijs kenden, moet bedwongen worden, via het versterken van geestelijke waarden (in de Koran 'godsvrucht' genoemd).
Dat is wat het scheppingsverhaal, waarin schoonheid - gezien als een verwijzing naar onschuld - juist als een deugd wordt gezien, ons vertelt.