De Ketterse Kathedraal


De Kindermoord

VKblog van donderdag 6 januari 2011 door Wim Duzijn

THOMAS PAINE, in: AGE OF REASON" : "I do not believe in the creed professed by the Jewish church, by the Roman church, by the Greek church, by the Turkish church, by the Protestant church, nor by any church that I know of. My own mind is my own church."

"Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen." Mattheus 2


" De Kindermoord van Bethlehem is de naam waarmee de in het Evangelie volgens Mathheus vernoemde infanticide, die plaatsvond ter gelegenheid van de geboorte van de koning der Joden, aangeduid wordt. Volgens Matteüs zou hiermee een profetie van Jeremia vervuld worden:
"Een stem werd gehoord in Rama, geween en veel geweeklaag; het was Rachel, die weende om haar kinderen, en zij wilde zich niet laten troosten, omdat zij er niet meer zijn." (Jeremia 31:15 / Matteüs 2:18)
Er zijn geen andere historische of archeologische bronnen over deze gebeurtenis. (WIKIPEDIA-info)

Het feit dat het verhaal van de kindermoord vrijwel zeker gezien moet worden als religieuze fictie wil niet zeggen dat er geen betekenis aan toegekend kan worden. Integendeel, het is juist de functie van religieuze fictie aan de ogenschijnlijk platte werkelijkheid van het bestaan een extra dimensie toe te voegen, zodat kan worden doorgedrongen tot waarheden die de meeste mensen domweg niet willen zien. Dat is de reden waarom in mijn 'Ketterse Kathedraal' het verhaal van de kindermoord een centrale plaats inneemt.


Guus Kuyer en het Geminachte Kind

Zie, daar verscheen een Goddelijke Engel in een droom aan Jozef, en hij zei: 'Sta op, neem het Kind en zijn moeder, en vlucht naar Egypte. Blijf daar tot ik terugkom, want Herodes komt het Kind zoeken om het te doden...'" (Mattheus 2:13)

In het jaar 1980 - het jaar waarin mijn verhalenbundel 'Revolutie in het Gekkenhuis' werd gepubliceerd - verscheen bij uitgeverij De Arbeiderspers de essaybundel 'Het geminachte kind' van kinderboekenschrijver Guus Kuyer..
In een vraaggesprek dat Haagse-Post-medewerker Jan Brokken met hem voert (4 oktober 1980) wordt ingegaan op de filosofie achter dat boek, een filosofie die altijd actueel zal blijven, mogelijk zelfs steeds actueler wordt...
"De meeste kinderen", stelt Guus Kuyer, "zijn woedend - ze hebben ons de oorlog verklaard..."
"Kinderen moeten nog steeds iets. Ze worden nog steeds onderdrukt en daarvan zullen we binnenkort de rekening gepresenteerd krijgen. Het wordt oorlog..."
Als schrijver van een 'kinderlijk boek', dat in negatieve zin werd besproken ("meelijwekkende jaren 60 naiviteit"), ben ik het met die uitspraak van harte eens.
'Revolutie in het Gekkenhuis' is niet zo maar een boek. Het vertegenwoordigt een mystieke stroming die 'het kind-worden' centraal stelt, en het kan dus ingepast worden in al die ketterse denkrichtingen, die weigeren akkoord te gaan met de onderdrukkingspolitiek van religieus-politieke machthebbers die zich als taak gesteld hebben een ontkinderlijkte joods-christelijke anticultuur in stand te houden.

Het is oorlog! Het doodverklaarde 'kind' zal in opstand gekomen. Het heeft in het geheim de oorlog verklaard aan alle onderdrukkers, tirannen en keiharde moralisten, die in een kille, schijnheilige domineeswereld het 'kinderlijke element' in de mens willen vernietigen....
Het klinkt zeer dramatisch allemaal ('melodramatiek' zou je kunnen stellen), maar een beetje overdrijving kan geen kwaad in een wereld waarin de ontkinderlijkte mens op een zeer overdreven wijze de eigen 'moreel' genoemde volwassenheid aan het verdedigen is.
God is Liefde. Zegt men. Maar wie werkelijk op een kinderlijk-naieve wijze Liefde en Warmte zoekt in een verdeelde, verdelende wereld die wordt geregeerd door schizofrene moralisten, die wordt op een gruwelijke wijze gesard, getreiterd en mishandeld, op zo'n kille en hardvochtige wijze, dat zijn kinderhart al snel in duizend stukken uit elkaar valt, zodat alleen wat primitieve, geestloze resten achterblijven - die in ons werelddeel blijkbaar genoeg zijn om een 'keurig', aangepast burgermansbestaan te kunnen leiden.
Alles wat hoog op de 'culturele troon' zit maakt de begrippen 'Liefde' en 'Warmte' belachelijk.
In de ogen van zich modern noemende 'cultuurdragers' moet je wel een verschrikkelijk domme kneus zijn, wanneer je als volwassen man of vrouw op zoek gaat naar kinderlijke onschuld.
Zij zijn de tevredenen, de gezapigen, die altijd en eeuwig het volwassen fatsoen verdedigen en die met minachting neerblikken op degenen die ongelukkig zijn, degenen die pech hebben, degenen die problemen hebben, degenen die niet in staat zijn een keurig aangepast burgermansbestaan te leiden.
Zulke onaangepaste geesten deugen niet. Zijzelf deugen altijd. Ze kennen daarom slechts een enkel devies: "Wees een verwaande kwast. Wie je aanvalt sla je dood. Want je bent christen, liberaal en socialist..."
In hun ogen zijn kinderlijke geesten 'onvolwassen aanstellers' die via een hardhandig opvoedingsproces tot de orde moeten worden geroepen. En het is heel eigenaardig dat men zich daarbij de laatste tijd beroept op joods-christelijke geschriften, die nog altijd gezien worden als het fundament van wat 'onze moraal' wordt genoemd.
Absurd daarbij is dat 'het evangelie' (het Nieuwe Testament) door hen in feite helemaal niet serieus genomen wordt. Dat kan ook niet, want wat moeten kille moralisten beginnen met de boodschap van een 'zachtmoedige verlosser', die de menselijke, naar vrijheid verlangende geest boven het kille materialisme van de machtsmens plaatst?
Het enige evangelie dat in onze wereld verkondigd wordt, is het evangelie van die kille ideologen die het Goddelijke Kind gekruisigd hebben.
Want daar gaat het om, dat is, om het in volwassen termen uit te drukken, de probleemstelling waar het evangelie ons mee confronteert: Het Kind tegen de Ideologie. God versus het Idool. Liefdevolle anarchie tegenover een geestloze, verstarde burgermansorde.
Weinig mensen realiseren zich dat het evangelie een lofzang is op 'het anarchistische kind'.
Men beseft ook niet dat het evangelie een boodschap is van een man, die de mensen wilde bevrijden uit de greep van de georganiseerde godsdienst. Niet een 'vrome jood' dus, maar een 'anti-jood', niet een opportunist, maar een man van principes, niet een huichelaar, maar een eerlijke, waarheidlievende vent, niet een machtzoeker of nationalist, maar een voorbijganger, iemand die mensen oproept in stilte goed te doen.
En daarom kan het vreemde feit zich voordoen dat politieke en religieuze kinderhaters in grote zalen, die volgepropt zijn met politici, die de 'joods-chtristelijke cultuur verdedigen, de kansel bestijgen en het volk toeroepen: "Wanneer gij niet wordt als kinderen, zult gij het koninkrijk der hemelen niet binnengaan..."

Op een klein klapstoeltje, helemaal achterin de kille cultuurtempel die door Hollandse bobo's is opgebouwd rondom onze nationale antikinderlijke waarden, treffen we de kinderboekenschrijver Guus Kuyer aan. Vol haat en woede blikt hij omhoog naar het met fraai houtsnijwerk versierde spreekgestoelte, dat weinig meer is dan een duivels instrument in handen van aangepaste burgermensen, en hij mompelt - want hard schreeuwen is in cultureel Holland niet toegestaan:
"Willen jullie het volk een christelijke boodschap brengen? Jullie zijn verdomme de vertegenwoordigers van calvinistische onderdrukkers, die alle eeuwen door het kinderlijke element in de mens hebben onderdrukt en vernietigd, en die in blinde, benepen verstoktheid rustig door willen gaan met die kille uitroeiingpolitiek... "
"Jullie", vervolgt hij, "zijn domme moralisten, droogstoppelige pedagogen van de kouwe grond, die kinderen op zo'n manier op willen voeden, dat alles wat niet hufterig en benepen is eruit verdwijnt.
Jullie zogenaamd 'christelijke' opvattingen zijn gebaseerd op het calvinistische principe van de 'harde, onverbiddelijke plicht'. De mens werd uit het paradijs verdreven - omdat hij heeft gegeten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad - en daarom is het zijn lot tot aan het einde der tijden bestraft te worden door kille, 'kennende' moralisten.
In het zweet des aanschijns zal hij de kost moeten verdienen. Geen hartelijkheid. Geen giften. Geen cadeaus. Alleen de zon gaat voor niks op. En wie vrij en blij door de velden wil wandelen, die zal op een hardhandige wijze worden duidelijk gemaakt dat vrijheid niet bestaat - tenzij er voor wordt betaald...
Aan een lust behoort een last gekoppeld te worden. Wie geld krijgt zal ervoor moeten bloeden. Wie meer wil zijn dan onbeduidend radertje in Gods wrede strafmachine, die wordt getuchtigd, omdat de kleinburgerlijke wreedheid niet kan bestaan in een wereld waarin zonderlingen de Kennis van Goed en Kwaad ter discussie stellen.
Jullie staan voor een opvoeding die is gebouwd op de angst voor kinderlijke anarchie. Jullie willen van kinderen een gewillige massa maken, omdat een calvinistische maatschappij geen 'kinderen' kan gebruiken..."
O, het is een genot om in die kille entourage een schrijver aan te treffen die nog in staat is te gloeien van verheven woede en wraakzucht.
Het is (het kind in mij ziet het in elk geval) alsof er een aureool rondom zijn hoofd verschijnt, een kolkende zee van vuur en licht, die alleen daar verschijnt waar mensen de waarheid vertellen, de waarheid van het Goddelijke Kind, dat door valse moralisten wordt vertrapt.
Guus wendt zich niet alleen tot een paar christelijke dominees, nee, hij richt zich tot alle moralisten in dit land, van rechtse, maar ook van linkse signatuur.
De hardhandigste opvoedingsmethoden zijn weliswaar afgeschaft, verklaart hij, maar daar zijn immense hoeveelheden 'ethische bagger' voor in de plaats gekomen:
"Het gezever over samen doen, samen werken. Het gezever over het doorbreken van rolpatronen, en al die verschrikkelijke nuances..."
"We willen kinderen nog steeds in een bepaalde richting duwen, maar we willen niet autoritair wezen en daarom doen we het op een halfzachte, lullige manier..."
Guus Kuyer weet dat een kind meer is dan een op abstracties en intellectuele kreten en slogans reagerende machine, en hij is derhalve de mening toegedaan dat de onvermijdelijke reactie van het kind op dit goedwillende, maar sadistische aanpassingsstreven doodgewone terreur is.
Het kind weet dat er toch niet naar hem geluisterd wordt, het heeft niemand die zijn kinderlijke wensen en verlangens serieus neemt en omdat al diegenen die tot 'intellectueel verbaliseren' in staat zijn aan de kant van de vijand staan, daarom kan het alleen maar op een kinderlijk-primitieve wijze zijn protest tot uitdrukking brengen: Door te schreeuwen, door de boel kort en klein te slaan, veelal op een blinde, kortzichtige wijze, omdat niemand in burgermansland de moeite wil nemen de vitale, naar liefde en vrijheid verlangende krachten in zijn wereld toe te laten.
De aangepaste kinderhater is niet meer geïnteresseerd in vrijheid en liefde en hij heeft de deur op slot gedaan! Alles wat hij nog kan is het scheppen van een dorre, vervelende, saaie woestenij, waarin alles wat kinderlijk is in de mens verkommert. Hij roept dood en verderf op en zijn kleinburgerlijke wapens, het politieapparaat en de nivellerende burgermansmoraal, staan op scherp in de kast. Politie mag geen gezag meer zijn, maar chaos scheppende vernielzuchtige kracht.
Het kind dat kinderlijk is gebleven weet dat een vals-moralistische volwassenenwereld sadistisch en leugenachtig in elkaar zit. Het weet dat de slijmjurken en de huichelaars hem met halfzacht gelul de woestijn van het burgermansbestaan in willen jagen, waar hem alleen een hoop verveling wordt aangeboden, grauwe, kille troosteloosheid, die hem ziek moet maken, sadisme dat hem kapot moet maken, opdat het onderdrukkende welzijns- en verzorgingsapparaat kan blijven draaien, een welzijnsapparaat waarin de burger 'object' is, een zinloos ding dat altijd ding moet blijven.
Je mag niet leven - je moet worden geleefd... Dat is het principe waarop een op nivellering gerichte burgermansmoraal is gebouwd. De slaven zijn er voor de heren. Het paradijs bestaat niet meer, omdat de valse moralist niet bereid is afstand te doen van de giftige appel die de Slang hem geschonken heeft. Het probleem wordt gekend, maar omdat de kennis 'antikennis' is geworden, daarom blijven we allemaal dom.
"De mensen zijn hun wortels kwijtgeraakt", merkt Guus Kuyer op, "ze zijn ontkinderlijkt."
"We willen kinderen van alles en nog wat leren, dat zien we als onze plicht, maar we willen ze ook leren leven - en dan gaan we te ver."
"De school is altijd anti-kind geweest, de school komt namelijk voort uit de kerk en de kerk is ook anti-kind, omdat het kinderlijke een bedreiging vormt voor het dogmatische."
Guus Kuyer ziet het kinderlijke in de mens als een 'anarchistisch principe', en het anarchisme is de natuurlijke vijand van de kerk.
"De school is opgericht om kinderen te leren dat er slechts één waarheid bestaat. Veel mensen geloven niet meer in God en toch geloven ze nog wel in één waarheid: In het socialisme, in het kapitalisme, het feminisme..."
"Met de school", legt hij uit, "bedoel ik de lagere en de middelbare school. Op de kleuterschool waait een andere wind..., die sluit meer aan bij de behoefte van het kind aan beweging en spel. De kleuterschool doodt het kinderlijke niet en daarom willen we de kleuterschool afschaffen."
De eigen wensen en verlangens van het kind worden genegeerd. Kinderen moeten worden klaargestoomd voor de maatschappij. We willen kleine volwassenen van ze maken, standaardmodellen, en dat roept onvermijdelijk frustraties op.
"In onze kolossale onderwijsinstituten kweken we de agressieve massa's van morgen; en dat zal ons duur te staan komen..."
De school veranderen, onze ideeën over opvoeding veranderen, daar denken we niet aan: "We zijn eerder geneigd om naast iedere school een flat met geleerden neer te zetten."
"En waarom doen we dat? Omdat we bang zijn voor de individualiteit van het kind."
"Vrijheid blijheid vinden we eng. Wat moeten we met al die individuen? Hoe kunnen we ze ooit nog massificeren?"
"Alle politieke partijen, van uiterst links tot uiterst rechts, zijn bang voor individuen."
"Individuen kun je niet manipuleren, massa's wel, en dat weten politici."

Zijn stelling wordt ondersteund door een andere protestfiguur, die vanuit het schemergebied van het filosofisch anarchisme onze wereld binnen komt stappen: de zonderlinge schrijver Witold Gombrowicz, ook een schrijver die 'het kind' boven 'de volwassene' plaatst.
Gombrowicz is anders dan anderen. Wat wil je: hij is een protestfiguur...
O god, wat staat hij daar alleen in een door aangepaste maniakken beheerste cultuurwereld, temidden van huichelaars en laffe, onverschillige lamzakken...
"Wij lieden van de kunst", zegt hij, "hebben ons al te gewillig door de filosofie en andere wetenschappen op touw laten nemen. We hebben onze eigen aard niet voldoende weten te bewaren. Overdreven eerbied voor de wetenschappelijke waarheid heeft de eigen wereld voor ons verduisterd - in een al te vurig verlangen de werkelijkheid te begrijpen, hebben wij vergeten dat wij er niet zijn om de werkelijkheid te begrijpen, maar om haar uit te drukken, opdat wij de werkelijkheid zijn.
De kunst is een feit en niet een aan de feiten opgehangen commentaar. Wij zijn het woord dat vaststelt: Dit doet me pijn, dat verrukt me - hier houd ik van, dat haat ik - dat verlang ik, dat wil ik niet...
De wetenschap zal altijd abstract blijven, maar onze stem is de stem van een mens van vlees en bloed: De stem van een individu.
Niet de idee maar de persoon is voor ons belangrijk. Wij verwerkelijken ons niet in de sfeer van ideeën maar in de sfeer van personen.
Wij zijn personen en wij moeten personen blijven; het is onze taak ervoor te zorgen dat in een steeds abstracter wordende wereld het levende, menselijke woord niet ophoudt te klinken.
Ik meen dus dat de literatuur zich in deze eeuw te zeer aan professoren heeft onderworpen en dat wij kunstenaars een schandaal moeten uitlokken om deze betrekkingen te verbreken. Wij zullen ons tegenover de wetenschap zeer arrogant en brutaal moeten gedragen, opdat wij genezen worden van deze ongezonde flirts met de formules van de wetenschappelijke rede.
Onze eigen individuele rede, ons persoonlijke leven en onze gevoelens zullen wij in de scherpste vorm tegenover de laboratoriumwaarheden moeten plaatsen."
En Gombrowicz verbindt daaraan de volgende conclusie:
"Een concreet mens zijn. Een individu zijn. Niet ernaar streven de wereld als geheel te veranderen, nee, binnen de wereld leven, haar slechts omvormend voorzover dat binnen de mogelijkheden van mijn natuur ligt. Mij in overeenstemming met mijn behoeften verwerkelijken: mijn individuele behoeften.
Ik wil niet zeggen dat die andere gedachte - de collectieve, abstracte gedachte - niet belangrijk is, maar het evenwicht moet hersteld worden. De modernste richting in het denken is die welke de enkele mens weer ontdekken zal."

Keurig-aangepaste Nederlandse politici, die doodrustig de kinderhatende God van het oude testament verdedigen, kijken op minzame wijze neer op de vreemde man die tegenover hen staat. Zij zijn de zedenmeesters die met een natte spons de 'vieze woordjes' wegvegen die onfatsoenlijke kinderen op het grote schoolbord geschreven hebben.
"Jullie got is een valse kuttekwal", staat er op dat bord. Maar de dames en heren van het schijnliberale fatsoen kunnen er niet om lachen.
De vreemde, brutale jochies die proestend van het lachen hun zedenkwetsende tekst op het keurig-schoongeboende bord gekalkt hebben behoren tot een wereld die voor hen niet toegankelijk is.
Zij bezitten de duivelse 'morele' kennis, die een onoverbrugbare afstand heeft geschapen tussen de wereld van de volwassene en de wereld van het kind.
Daarom delen zij straffen uit. Zoals iedere zedenmeester dat doet.
De 'cultuur' moet gered worden, roepen ze.
Welke cultuur?
Hun vals-morele 'joods-christelijke cultuur'...


Op 24 november van het jaar 1980 werd mijn verhalenbundel 'Revolutie in het Gekkenhuis' gepubliceerd. Op de achterflap van dat boek stond en staat de volgende tekst afgedrukt:
'Revolutie in het Gekkenhuis is een wending in de Nederlandse letteren. Het bevat korte verhalen die geschreven zijn in een verfrissend proza: lichtvoetig en direkt, zo helder en simpel, dat gesproken kan worden van een breuk met de heersende literatuuropvattingen, die er, volgens de auteur, op zijn gericht de lezer in te lijven in een burgermanswereld, waarin slechts plaats is voor oppervlakkigheid, levensangst of oeverloos gezeur.
De verhalen variëren van bizar tot regelrecht ontroerend, met één duidelijke lijn: het gevecht van het individu met de verstikkende maatschappelijke krachten...'