De Ketterse Kathedraal


Jezus: een super-intelligente homo?

VKblog van zondag 3 oktober 2010 door Wim Duzijn

THOMAS PAINE, in: AGE OF REASON" : "I do not believe in the creed professed by the Jewish church, by the Roman church, by the Greek church, by the Turkish church, by the Protestant church, nor by any church that I know of. My own mind is my own church.



Elton John has claimed
Jesus was a "super-intelligent gay man"

in an interview with a US magazine.
The singer also told Parade
Jesus was "compassionate", forgiving
and "understood human problems".
Elton said in the interview:
"On the cross, he forgave the people who crucified him.
Jesus wanted us to be loving and forgiving."

"I don't know what makes people so cruel.
Try being a gay woman in the Middle
East - you're as good as dead," he added.
In the interview, the singer also said
he did not like being a celebrity any more
because "fame attracts lunatics".


John Barrowman - I Am What I Am,
from La Cage Aux Folles:
Een pleidooi om te zijn wie je bent


Het wonder van de Geile Jezus
uit 'Revolutie in het Gekkenhuis',
Wim Duzijn 1980

Altijd stond hij maar op een koud en tochtig plaatsje, erg eenzaam en alleen in een grote, lege holle ruimte, die de mensen 'Het Huis van God' noemden, verschrikkelijk idioot natuurlijk, alsof God er prijs op stelde te moeten wonen in een grote, ongezellige fabriekshal, alsof God niet liever een mooie, gerieflijke bungalow wilde hebben, met een reusachtige kleurentelevisie en centrale verwarming, zoals gewone mensen, die aan zijn 'almacht' onderworpen waren, die wel bezaten, want die gewone, zogenaamd machteloze mensen waren erg slim en die peinsden er niet over in de kille bedompte holen te gaan wonen, waarin zij wel hun machtige God onderbrachten.
Triestig staarde hij voor zich uit, de ene hand tegen zijn bloedende hart geklemd, de andere hand star en bewegingloos omhooggeheven naar het kleurloze, afgebladderde plafond van de kerk, waarin hij dag in dag uit zijn 'heilige plicht' moest vervullen, als was hij een slaaf, een gebruiksvoorwerp, waarmee je alles kon doen, omdat het toch geen eigen wil bezat, een robot, die niets anders mocht doen dan het uitvoeren van de opdrachten die de mensen hem gaven.
Jezus, onze Heer, noemden de mensen hem, en op zon- en feestdagen dromden ze de holle ruimte binnen, en dan zetten ze zich neer op kille houten stoeltjes en gebedsbanken, die voorzien waren van dunne, muffe kussentjes, waarvan de stof een niet te definiëren kleur bezat, en dan zongen ze, ongevraagd, allerlei vreemde, plechtstatige liederen voor hem, die hij maar mooi te vinden had, en vanaf pompeuze spreekgestoelten, die ze 'kansel' noemden, hielden ze de raarste redevoeringen, niet uit hun eigen, maar uit zijn naam..., en als dat alles afgelopen was, en hij een uur lang had staan trillen op zijn granieten voetstuk, want om de een of andere vreemde reden hadden ze ergens achter in de ruimte een kolossaal orgel gebouwd.., dan spraken ze met ernstige gezichten een dankwoord uit, waarbij ze zich verplichtten hun leven in dienst van hem te stellen, en daarna verlieten ze de koude, holle ruimte, om hem moederziel alleen achter te laten: de ene hand op het bloedende hart, de andere hand omhooggeheven, altijd maar wijzend naar het smerige, witgesauste plafond, waar geen enkele nette christelijke huisvrouw in haar eigen huis genoegen mee zou nemen, maar waar hij blij mee moest zijn, want een God, en dat was hij volgens hen, mag geen al te hoge eisen stellen en moet al tevreden zijn wanneer hij onderdak krijgt...

Uit steen hadden ze hem gehouwen, zodat hij gedwongen was altijd dat vieze, bloederige hart vast te houden en altijd omhoog te wijzen naar een plek, waar zich volgens de mensen de Hemel moest bevinden.
Ja, een stenen beeld, dat was hij, en ze hadden hem een stenen gezicht gegeven, met van die vreemde wezenloos starende ogen er in, die hij eigenlijk helemaal niet mooi vond, maar hij had nu eenmaal niets te willen, en hij bezat verder nog een paar handen en voeten, die voorzien waren van een paar leren riempjes die aan onzichtbare voetzolen bevestigd waren, en verder was zijn lichaam niets anders dan een warrige opeenstapeling van gekke, lange gewaden, die al eeuwenlang uit de mode waren, maar waarin hij, als almachtige God, gedwongen werd rond te lopen, alsof hij daar blij mee was, alsof hij niet de behoefte voelde eens een keer een fraaie licht gebleekte spijkerbroek aan te trekken en een duur leren jack met een witte coltrui er onder, zodat hij niet voor aap op zijn voetstuk stond in zijn gekke lange gewaden, maar als een moderne, vrijgevochten kerel, die schijt heeft aan heiligheid en dikdoenerij, omdat hij veel liever gewoon eens wilde luisteren naar wat gepassioneerde, jazzy muziek, hartstochtelijk jankende klanken van saxofoons en electrische gitaren, zittend in een kring van gezellige jongens en meiden....

Het interesseerde ze allemaal niets. Gezelligheid was taboe! Aan de verlangens van God werd nooit gedacht, daar hadden ze hem waarschijnlijk ook niet voor gemaakt. Nee, ze vonden het leuk hem op een voetstuk te plaatsen en hem te dwingen mee te doen met hun gruwelijke erediensten, zodat hij jaar in jaar uit moest luisteren naar het zeikerige gedram van oude kerels, die magische woorden en toverformules prevelden, lege, holle frasen, die hem al jaren en jaren de goddelijke keel uit hingen.
Maar ja, wat kon hij doen? Ze hadden een stenen beeld van hem gemaakt, zodat hij nooit kon protesteren, nooit eens vol hartstocht uit kon roepen: "Ga godverdomme zelf eens in deze kille, holle ruimte wonen, stelletje idioten, dan zul je zien dat het geen pretje is om de almachtige God van een stelletje egoïsten te moeten zijn..."
Jezus nog aan toe, wat een ellende had hij al die jaren moeten dulden. En dan te bedenken dat de dominees en de priesters in dure behuizingen woonden en 's avonds, als het killetjes werd, de kachel of de verwarming aandeden, terwijl hij rillend van de kou in zijn ongezellige Godshuis stond, met alleen het schaarse lichtschijnsel van een eeuwig brandend godslampje, een prutserig, klein lampje, dat je nauwelijks kon zien, waarschijnlijk omdat dat goedkoop was en omdat ze dachten dat God zo goddelijk was, dat hij geen prijs stelde op licht en warmte.

Eens, op een dag, was er iemand geweest, die had voorgesteld om een paar architecten, aannemers en kunstenaars de opdracht te geven het kerkgebouw te verfraaien, maar unaniem had de bij elkaar getrommelde kerkeraad het voorstel afgewezen, omdat er te weinig geld was, en ach, die stenen Jezus gaf daar toch niets om, die bleef wel gehoorzaam omhoog wijzen en zijn hart vasthouden, nee, dat was allemaal best in orde, en hij had op dat moment wel kunnen janken en schreeuwen van ellende en opgekropte woede, maar hij kon niets doen, want ze hadden hem, met al zijn almacht, gevangen gezet in het starre, levenloze omhulsel van een stenen beeld.
Eeuwenlang stond hij daar nu al op het altaar, en gedurende al die lange jaren moest hij dezelfde ouderwetse kleren dragen, terwijl de kerkbezoekers steeds andere en steeds mooiere en duurdere kleren droegen, zodat hij er gewoon jaloers en afgunstig van werd.
'Waarom moet ik toch God zijn?', zo vroeg hij zich op een gegeven moment af, 'want als God heb je op aarde maar een hondeleven', en hij keek, zo goed en zo kwaad als het kon, naar zijn in primitieve sandalen gestoken blote voeten, en van zijn voeten naar de voeten van de jonge mensen in de kerk, die in dure, glimmend gepoetste leren schoenen en laarzen gestoken waren, en hij dacht bij zichzelf:
'O God, wat zou ik graag willen ruilen. O, was het maar eens mogelijk dat zij in deze tochtige, holle ruimte moesten wonen, dan zouden ze wel anders praten...'

Ja, kwader en kwader werd hij, omdat de mensen er steeds mooier en sjieker bij liepen, terwijl hij daar maar voortdurend op een enigszins stupide wijze in een bloederig hart stond te knijpen, alsof hij geen gevoelens bezat, alsof hij niets anders mocht zijn dan een onderdanige lakei, die voor altijd een spreekverbod heeft opgelegd gekregen, zo van: "Pas op, beste Jezus, dat je je bek niet ongevraagd open doet, want je bent onze Heer en God, en je hebt ons maar te gehoorzamen, en als je dat niet wilt, nou, dan sturen we je naar de hel - dan kun je creperen, verrotten en tot stof vergaan..."
Een hondebaan was het, een baan die waarschijnlijk geen mens wilde hebben, want welke verstandige vent zou toestaan dat er op zo'n gruwelijke wijze met hem werd gesold?
Hij, Jezus de Heer, moest alles dulden. Hij was iemand waarmee gedachteloos werd gedaan. Hij was toch zo lief en zachtmoedig en hij zou er niet over peinzen om te protesteren, ook al treiterde men hem dood, ook al haalde men het bloed onder zijn nagels vandaan, want hij was een god, en met goden mocht je op aarde alles doen: die kon je maltraiteren, die kon je beledigen en vernederen, die kon je als een slaaf behandelen, die kon je de oren van het hoofd zeuren met schijnheilige, huichelachtige gebeden, die kon je als een karrepaard voor elk denkbaar karretje spannen, want ach, daar zijn goden toch voor?
‘Als ik nu eens van dit vervloekte altaar afstapte?’, dacht hij soms bij zichzelf, ‘als ik nu eens domweg weigerde nog langer mee te spelen in deze krankzinnige klucht, wat zou er dan gebeuren?’
O, met een waarlijk boosaardig genoegen stelde hij zich voor wat de mensen in dat geval zouden doen. Heerlijk was dat, om alle opgekropte kwaadheid naar boven te laten komen en daarbij te denken aan de gezichten van al die vrome gelovigen die hem eeuwenlang in de kou hadden laten staan. ‘Ga zelf op blote voeten rondsjouwen’, zou hij kwaad uitroepen, ‘ga zelf in de een of andere flodderige lap lopen, word zelf een stenen beeld en ga kaarsen branden voor jezelf, maar in godsnaam, laat mij verder met rust...’
‘En nog wat’, zou hij schreeuwen, ‘geef me eindelijk de geslachtsdelen eens terug die jullie me hebben afgesneden, want ik verdom het om nog langer als een zielige castraat op een altaar te gaan staan met op mijn gezicht de smerige schijnheilige vroomheidsglimlach die ik volgens jullie behoor te hebben...’
Ja, hij zou eens goed wraak nemen. Het liefst zou hij die leugenpriesters en treiterdominees castreren en ze dwingen een ‘heiligenleven’ te gaan leiden, zoals hij dat eeuwenlang moest doen, zonder dat ooit iemand er over dacht zich in te leven in zijn gevoelswereld, zijn eigen denkwereld, waarin een aantal op verlossing gerichte waarden en normen het hoogste goed vormden...

God, wat had hij genoeg van heilige liederen, wat was hij misselijk van al die schijnheilige mensen die voor hem neerknielden en hem ‘Onze Lieve Heer’ noemden, terwijl ze tegelijkertijd als dolle wildemannen de lieve jongens en lieve ‘heren’ om hen heen in elkaar sloegen, want een ‘lieve heer’, dat was meestal een ‘flikker’ of een ‘nicht’ of een ‘poot’, mogelijk zelfs een ‘kinderlokker’, en die gedachte maakte hem zo kwaad, dat hij zich voornam om, als hij op een goede dag van het altaar af zou stappen, zich aan de wereld te presenteren als ‘De Geile Jezus’, een Jezus die door duizenden lieve jongens ‘Onze Lieve Heer’ zou worden genoemd, want van vrome liefdeloze schijnheiligheid moest hij nu niets, maar dan ook helemaal niets meer hebben.
Voor velen zou dat ongetwijfeld een groot wonder zijn: ‘Het Wonder van de Geile Jezus’, en hij had daar zo veel plezier in, dat hij de afgrijselijke, holle ruimte om hem heen vergat en droomde van ontelbare lieve jongens, die zo mooi mogelijk aangekleed, met prachtige glimmende laarzen, omhangen met gouden en zilveren kettingen en met sierlijke ringen in de oren hem eer kwamen bewijzen, terwijl enthousiaste meisjes hem grote bossen witte bloemen stuurden, zodat hij eindelijk eens kon wonen in een gezellige ruimte vol bloemen, omgeven door een sfeer van hartelijkheid en vriendelijkheid, in plaats van in een kerker, een gevangenis, als een stenen beeld dat vereerd wordt door liefdeloze mensen, die doodsbang zijn voor echte liefde, echte warmte en echt, werkelijk licht.
Ja, hij zou de mensen laten zien dat hij werkelijk een ‘Lieve Heer’ was, geen versteende burgerman die het zich niet kan permitteren om lief te zijn en die daarom de lieve woorden noodgedwongen uitbant, omdat hij alleen maar mag denken aan zijn carrière en het grote, kille geldverdienen, dat in deze wereld niet samen mag gaan met simpele, kinderlijke liefheid.
Heel kalmpjes zou hij van het altaar stappen, weg uit de christelijke kerken, weg uit de christelijke wereld, en hij wist al precies wat hij de mensen zou vertellen:
"Ik kan dan wel geen president worden, geen koning, geen keizer, zelfs geen religieus leidsman..., maar wat ik wel kan, dat is mezelf wezen: de eeuwig lieve en eeuwig geile Zoon van God...."


Elton John & Blue - Sorry