De Ketterse Kathedraal


De mens is een gewoontedier.
VKblog van vrijdag 20 augustus 2010 door Wim Duzijn


Gewoontevorming heeft positieve kanten, immers: ze stelt hem in staat een groot aantal taken gedachteloos uit te voeren, maar ze heeft ook negatieve kanten, omdat het gedachteloos uitvoeren van taken een kritisch benaderen van het eigen gedrag onmogelijk maakt..
Er zijn psychologen die beweren dat je het eigen gedrag niet kritisch kunt benaderen. Dergelijke psychologen kunnen we maar beter niet serieus nemen. Hun opvattingen staan in dienst van de dom makende gewoontevorming, waarmee ze welhaast automatisch vals en leugenachtig worden: waanbeelden, die moeten voorkomen dat een mens uitglijdt op het hellende vlak van zijn bestaan..
De opvattingen van een psycholoog, die in feite kleinburger is, hebben als vaststaand uitgangspunt het gegeven dat de mens een geÔsoleerd wezen is, dat niet in staat is in relatie te treden met een ander. Erken je de relatie wel als deel van je bestaan, dan is een kritisch benaderen van het eigen gedrag heel goed mogelijk. Het reagerend gedrag van de ander is in dat geval de 'spiegel' waarin jij jezelf kunt bekijken.

Binnen de wereld van de 'occultist' (iemand die het menselijke bestaan ruimer wil maken, door ook een werkelijkheid te erkennen die door de kleinburgerij wordt ontkend) is 'de ander' een onlosmakelijk deel van je zelf.
Jezelf leren kennen is de ander leren kennen (en omgekeerd)..
De geÔsoleerde, vereenzaamde mens ('de gewoontemens') heeft zichzelf afgesloten van die ander - die wordt domweg vervangen door 'god', 'het gezin', 'het werk' of 'het geld', allemaal 'gewone' zaken die de mens weg moeten voeren van het kleine 'ikje', dat als kind klein mag zijn, maar dat groot geworden in een grotemensenwereld weinig meer mag zijn dan een onfatsoenlijk gemaakt haatobject.
Daarom is een van de taken van de kritische schrijver (en natuurlijk ook de kritische gelovige die de erfzonde niet als voldongen feit wil erkennen) het herstellen van de zielsrelatie die door ontkinderlijkte gewoonte-mensen wordt ontkend.

Het begrip relatie ('ik op zoek naar het andere - dat zowel mens als god is) speelt een grote rol in het werk van serieuze schrijvers.
Een van die serieuze schrijvers is de absurdist Samuel Beckett.
We kunnen rustig stellen dat het thema van de mogelijkheid of onmogelijkheid van de relatie het centrale thema is binnen het werk van Beckett..
De beelden die Beckett in zijn literaire werk oproept zijn uiterst pessimistisch. De wereld waarin zijn hoofdfiguren zich moeten bewegen is een vervuilde, verslonsde, totaal verwaarloosde wereld, een ontvrouwelijkte wereld, waarin de mens zich blindelings een weg moet zoeken, tastend, roepend, hopend op een wonder.

De godsdienstige mens interpreteert die werkelijkheid op een godsdienstige wijze: Beckett is volgens hem op zoek naar God.
De onverschillige mens, iemand die nooit heeft gezocht en ook helemaal niet geÔnteresseerd is in zoeken, zegt: "Vriendschap is een illusie. Vergeet wat je hebt gezien. Leef en geniet, ook al gaat dat ten koste van de ander."
De eerlijke mens echter, de waarheidzoeker die zichzelf niet wil bedriegen zegt: "Beckett zoekt geen 'god', nee, hij zoekt de ander die bij hem hoort, zoals de homosexuele schrijver Gerard Reve op zoek is naar een 'meedogenloze jongen', die een einde moet maken aan alle destructieve processen van angst, zelfkwelling en naar de dood verlangende wanhoop."

Het werk van Gerard Reve is innerlijk sterk verwant aan de wereld van Beckett, met zijn eenzaamheid die op een vaak monsterlijke wijze wordt uitvergroot, zijn ondraaglijke zwaarte en zijn diepe melancholie, maar het uiterlijk (de verwoording of de vormgeving) verschilt dramatisch, omdat Gerard Reve aan zijn literaire wereld een illusie toegevoegd heeft: die je 'het bedrog van de godsdienst' zou kunnen noemen..
Veel mensen nemen hem dat kwalijk. Ze wijzen de in hun ogen verblinde schrijver erop dat hij afstand moet doen van zijn godsbeeld en dat hij de werkelijkheid onder ogen moet zien..
Zijzelf echter zoeken niets, juist omdat ze als eenzaamheid ontlopende gewoontemensen het zoeken afgezworen hebben. Ze hebben zich opgesloten in een op schijnzekerheden gebouwde wereld waarin voor een ander - laat staan een proesterende ander - geen plaats is.
Ze vergeten dat hun ontkenning van de ander een lege wereld in het leven roept waarin de creatieve geest gedoemd is eenzaam rond te dwalen - zinloos vaak, omdat de zingevende ander niet toegelaten wordt...

Alle schrijvers van importantie kennen het begrip 'leegte' en de gevoelens van wanhoop en angst die zo'n lege wereld in de mens oproepen, en ze geven daarvan uiting in hun werk.
In zijn verhalenbundel 'Wonderkind of een Total Loss' zegt Willem Frederik Hermans:.
"Angst is het vruchtwater waarin ik ben ondergedompeld." "Alles wat bij mij voor morele verontwaardiging gehouden zou kunnen worden is alleen maar afschuw, angst en agressie. (..) Morele verontwaardiging haat ik."

De essentie van die angst is het besef volstrekt alleen te zijn in een wereld die wordt bevolkt door miljarden mensen, een besef dat op de een of andere manier in stand wordt gehouden door een wolk van angst en twijfel, die als taak schijnt te hebben al diegenen die op zoek gaan naar wat anders te misleiden en te ontmoedigen..
De wereld van Beckett blijft vuil, leeg en lelijk: een door conservatisme beheerste onveranderlijke minikosmos, waarin gewoonheid en eenvoud alleen maar drek en vuil mogen zijn. Voor eeuwig zit de mens gevangen zit in een vuilnisbak die een woonplaats voor zoekenden en wachtenden geworden is.
De wereld van Hermans verandert ook niet, kan zelfs niet veranderen, omdat het begrip 'relatie' volledig ontbreekt.
En de wereld van Gerard Reve, tenslotte, wordt grotendeels bevolkt met inhoudsloze jongensschimmen, die als enige taak hebben de leegte tijdelijk te vergeten.
De 'meedogenloze jongen' vervult binnen de droomwereld van Gerard Reve dezelfde functie als 'god' binnen de wereld van linkse of rechtse gelovigen. Die 'god' blijft altijd een abstract gegeven, zodat we rustig mogen stellen dat het die 'god' verboden is 'mens' te worden - een goddeelijk kind dat aan zichzelf genoeg heeft en daarom op voet van gelijkheid om kan gaan met een ander kind dat ook genoeg heeft en niet de behoefte voelt dat kinderlijke besef van 'genoeg is genoeg' te vervangen door het sadistische 'teveel' van de monster geworden volwassene.

De ander mag alleen bestaan als God, de Duivel, de Leider of een andere liefdeloze fictie. Wie 'de ander' afzweert en kiest voor schizofrenie en ongelijkheid gaat vrijuit. Wie op zoek gaat naar de geljkheid scheppende ander wordt verwezen naar de vuilnisbelt.

En daarmee komen we terecht bij Jan Blokker (groot geworden als columnist van de Volkskrant), die in een column (VK, 28 februari 1989) het vraagstuk van 'de lelijkheid' (of de afwezigheid van 'schoonheid') aan de orde stelt..
Hij doet dat naar aanleiding van de banvloek die door de Iranese Ayatollah Khomeiny werd uitgesproken over het boek 'De Duivelsverzen' van Salman Rushdie, een ketters boek, dat de 'heiligheid' van de profeet Mohammed in twijfel zou trekken, door zijn heilige naam in verbinding te brengen met hoeren en homosexuelen...
De 'lelijke saaie, van levensangst vervulde wereld', die de schrijvers Beckett, Reve en Hermans in hun boeken als een fictieve werkelijkheid oproepen, blijkt, wanneer we de uitlatingen van Jan Blokker bestuderen, helemaal niet zo onwerkelijk te zijn. Integendeel, die lelijke wereld is gewoon keiharde realiteit.
Luister naar het verslag van Jan Blokker:

"Ik zie de Russische minister van buitenlandse zaken in z'n keurig zondags kostuum bij de ayatollah op bezoek, en die hele ambiance ziet er niet uit. (.) Decorum, ho maar. De ouwe zit erbij in een nachthemd (.), voor de minister is een keukenkruk aangeschoven. Alles wat naar gerief zou kunnen zwemen is blijkbaar definitief op de brandstapel gegooid.".
En vol grimmige verontwaardiging wijst hij de lezer op de periodieke erediensten die voor de bejaarde Leider worden gehouden:
"altijd in het meest troosteloze gymnastieklokaal dat hij in zijn gewijde oord heeft willen uitsparen...; als er kleur is dan zijn het de tinten van het ulevellenspectrum".

Je zou dus kunnen stellen dat de zoeker die niet tevreden is met hetgeen de wereld van alledag hem te bieden heeft op de een of andere manier terecht komt in een wereld die wordt beheerst door harde, strenge en puriteinse calvinisten.
Dat is een bizarre ontdekking..
Hoe is het mogelijk dat conservatieve calvinisten zoveel invloed hebben in een wereld die op andere terreinen dan het 'geestelijk terrein' zo hoog ontwikkeld is?
Zijn we in 'geestelijk opzicht' dan kleine, onhandige kleuters, die niet opgewassen zijn tegen het negatieve geweld van 'onze geestelijke leiders'?
Verwijst het begrip 'geestelijke leider' misschien naar de duistere werkelijkheid die gnostici (mensen die willen weten) aanduiden met de merkwaardige, wat ouderwets aandoende naam 'Demiurg'?

Ai, hoor ik in gedachten Volkskrantcolumnist Jan Blokker roepen: met 'gnostiek' wil ik niks te maken hebben, dat riekt naar 'godsdienst'..
Ik ben het niet met hem eens..
De gnosticus aanbidt de verstandige mens. Hij wijst, net als de schrijvers Beckett, Hermans en Van het Reve, op de leegte en de somberheid van een liefdeloze, relatieloze wereld en hij stelt dat er aan die duisternis alleen een eind kan komen wanneer 'God Mens wordt'.

Het recht op een christelijke dood

Wat betekent dat, de uitspraak 'God wordt Mens'?
Is dat religie?
Nee, het is een uitspraak die op koele, zakelijke wijze geÔnterpreteerd kan worden.
Hij, die afstand doet van alles wat 'goddelijk' is (dus ook de leider, de groep, de heilige kunst en al die andere zaken die het volledige individu onderdrukken), die wordt zelf 'goddelijk'.
De gnostici noemen dat proces 'sterven' (het recht op een christelijke dood). Met andere woorden: een mens moet sterven om zodoende uit te kunnen groeien tot een volwassen, dat wil zeggen: volledig individu.
Omdat de gemiddelde mens daartoe niet in staat is - de tegenwerkende krachten zijn geweldig sterk en je staat alleen tegenover een werkelijk gigantische meerderheid - zijn er pioniers nodig die de confrontatie met 'de duisternis' aangaan.
Hun strijd maakt de bevrijding van anderen mogelijk. Zij zijn, in gnostische termen uitgedrukt, 'verlossers', mensen die niet akkoord gaan met de algemeen menselijke wil vrijheidlievende mensen op te sluiten in een vuilnisbak, waarin de oneindig sterk gemaakte lompenman keizer is.

De bevrijding ligt dus in handen van de pionier, de eerlijke, naar waarheid verlangende mens die alle illusies overboord zet.
Zo iemand noemt men een 'pessimist'. En pessimisten zijn nooit in aanzien binnen een kleinburgerlijke wereld.
De pessimist wordt gezien als een spelbreker, iemand die de veilige orde aantast. En toch is hij degene die in staat is het 'gewoontepatroon' dat het gedrag van de gemiddelde mens bepaalt aan stukken te breken. Je kunt namelijk alleen maar alles vernietigen als je nergens in gelooft, behalve natuurlijk in je eigen waarde, je eigen kracht en je eigen importantie!
De wijsheidsleraar Krishnamurti wijst op de noodzaak tot vernietiging van alle illusies. Maar hij niet alleen. Ook Griekse wijsgeer Socrates - de lastpost die mensen voortdurend met vragen lastig valt - is een vernietiger.
Maar het vreemde daarbij is dat al die 'wijze mannen', die volstrekt pessimistisch zijn waar het kleinburgerlijke illusies betreft, uiterst optimistisch zijn waar het de resultaten van hun vernietigingswerk betreft.
Je moet alles vernietigen, zeggen ze, want dan kan er ware menselijkheid ontstaan. Een heel merkwaardige paradox is dat...

Hun optimisme gaat zelfs nog verder.
Socrates zegt dat de ware menselijkheid die ontstaat na het vernietigen van alle illusies 'rijkdom en zegeningen' over de mensheid brengt.
Dat is een opvatting die linkse en rechtse ideologen niet zo erg zal bevallen.
"Moeten wij eerst onze idealen vernietigen?", hoor ik hen al roepen, "dat is toch waanzin?"
Ze willen niet inzien dat het instandhouden van collectivistisch-morele illusies die de werkelijkheid ontkennen waanzin is. Die collectivistische moraal (de ontkenning dus van een rationeel geheel van gedragsregels, in handen van rationele persoonlijkheden), is in feite de werkelijkheid van de conservatieve ayatollah's, een wereld die door Jan Blokker als volgt wordt omschreven: "Vieze matjes, verschoten sofa's, bevlekte spreien" en "absurde nachtgewaden"

"We zullen de wereld", merkt Jan Blokker op, "moeten volbouwen met heidense, ketterse en atheistische tempels, moskeeŽn en kathedralen om het pyamavolk van ons af te houden...", en eerlijk gezegd vind ik dat een mooie gedachte.
De strijd aanbinden met het aan geestloze gewoonten verslaafde pyamavolk - daar gaat het toch om, als een mens het spirituele pad wil gaan bewandelen?

Nieuw Links verheerlijkte in de jaren zestig en zevetig de 'pyamamens'.
Fidel Castro, Mao Tse Tung en DDR-leider Honecker waren 'sterke pyamamannen', die alles wat uitzonderlijk was hun gelijkgeschakelde collectivistenwereld uit wilden werken.
De hippies waren in zekere zin ook pyamamannen, een beetje bonter en kleurrijker, dat wel..., maar toch.., allemaal in de eigen groep (de eigen subcultuur), en wie zich niet aan wil passen wordt dood verklaard..

Daarom heb ik, om te voorkomen dat ik vast blijf plakken aan mijn eigen ideeŽn en gedachten (die net als de gedachten van anderen veelal tijdgebonden zijn), mijzelf voorgenomen een ketterse kathedraal te ontwerpen, een kathedraal waar de pyama domweg niet bestaat, omdat iedereen er spiernaakt rondloopt - als Adam en Eva in het niet door giftige slangen bevuilde paradijs...

Mijn ketterse kathedraal is in feite een ontmoetingsplaats. Ze moet ruimte bieden aan mensen die de vrijheid zoeken. Niet de vrijheid van de literaire criticus die als een soort bijbelgeleerde je het hoofd inslaat met zijn 'heilige boeken vol saaie aangeklede mensen', nee, de vrijheid van het individu dat geen enkele pyama meer wil dragen, geen klassieke pyama en geen plebejische pyama..
De gnostici zeggen: 'de mens moet het Koningsgewaad dat hem is afgenomen weer aantrekken'.
Dat is een uitspraak (afkomstig uit 'Het lied van de parel') die me bevalt. Geen smerige, vuile, bevlekte pyama. Nee, een koninklijk gewaad. Het gewaad van de individuele vrijheid, dat bont en kleurrijk, maar ook lieflijk-wit en plechtig-zwart en zelfs bont en kitscherig mag zijn.

"En al die rotzooi dan, waar je ons zo genietend op kunt wijzen", merkt een zwartgallige lezer op, "moet die dan niet worden opgeruimd?"
En hij heeft gelijk natuurlijk, die zwartgallige pessimist, want je bent niet zomaar van de vuiligheid af en met een paar leuke kleurrijke ideeŽn verander je de wereld niet...
Maar het blijft een mooie gedachte, zo'n ketterse kathedraal. Juist omdat de dood er op alchemistische wijze kan worden omgevormd tot wat mystici 'de goede dood' noemen - de dood die leven schept.


Zwolle, 28 februari 1989
n.a.v. Jan Blokker's column 'Lelijk'.