De Ketterse Kathedraal


Anet Bleich en de orde

door Wim Duzijn, Zwolle, 5 april 1989

Volkskrantredactrice Anet Bleich, groot geworden in de jaren zestig, waarin tot vrijheidsstrijders uitgeroepen Marxisten een collectivistische machtsmoraal in ere herstelden, heeft een gruwelijke hekel aan ordelijk, aangepast gedrag.
"Het liefst", hoor ik haar regelmatig zeggen wanneer zij iets te diep in een borrelglas heeft gekeken (maar dat kan ook inbeelding zijn) , "zou ik een versleten spijkerbroek aantrekken, een tikkeltje ordinair, als een gewone alledaagse vrouw, weet je wel, en dan zou ik op trappen van het grote vrijheidsmonument op de Amsterdamse Dam gaan zitten, en dan zou iedere kerel met een rijk gevulde buidel sex met me mogen hebben, gewoon, omdat ik daar zin in heb, weet je wel, en omdat ik als linkse vertegenwoordiger van de sexuele revolutie nu eenmaal maling heb aan een truttige bougeois-cultuur..."

Ik woonde in Amsterdam in de jaren zestig. Ik was geen 'hippie', geen 'provo' en ik was ook niet 'links'.
Ik ben altijd een degelijk, ordelijk tiep geweest. Een beetje doodgewone liefde en een beetje doodgewone vrijheid. Meer heb ik eigenlijk nooit gezocht.
Neuken met zomaar een wildvreemde ander interesseerde me niet. Mannen ontmoeten op een 'homo-ontmoetingsplaats' ergens in een afgelegen stuk bos, of erger nog, in een pisbak, is de hel voor mij.
Ik had een artistiekerige vriend, die wat wider was. Hij wilde kunstenaar worden en op de bekende ongecompliceerde (en daarom zo leugenachtige) Mulisch-iaanse wijze neukte hij er duchtig een eind op los.
Harry Mulisch was er tots op dat bij honderden meiden per jaar kon neuken. Zo opschepperig was mijn vriend niet, maar neuken deed hij veel en graag.
Als hij weer eens een geslachtsziekte had opgelopen, toonde hij me vol trots de dozen met penicilline die de dokter hem gegeven had en met een mengeling van ontzag en intense afschuw blikte ik daar dan op neer.
Iedere keer wanneer hij die blik van mij zag, die vreemde mengeling van angst, walging en jaloezie, barstte hij in lachten uit, en dat deed hij op zo'n aanstekelijke wijze, dat ik van de weeromstuit met hem mee lachte.
En ach, op dat moment vergat ik mijn bezwaren en dan was ik best wel trots, omdat ik in elk geval een aparte vriend bezat, want bijzonder was het wel, wat hij allemaal deed...
De wanden van zijn slaapkamer had hij beschilderd met de meest wilde en kleurrijke taferelen. Uit een kleine draagbare bandrecorder klonk het monotone stemgeluid van de studentenzanger Jaap Fischer. Sentiment, cynisme, wrange ironie - en dat alles gecombineerd met een wat wilde artistiekerige levensstijl.

Mijn moeder vond het maar niks, zo'n wilde, artistieke jongen.
"Een uitvreter", zei ze maar steeds, "te lui om te werken, een parasiet, iemand die een slechte invloed uitoefent op anderen."
Ik zat in die tijd op de HTS; want ik had het vage idee dat ik 'elektrotechnicus' wilde worden.
Mijn vriend verhuisde naar Utrecht. Woonde in een oud huis dat van boven tot onder was gevuld met Utrechtse studenten.
Ik bezocht dat huis een paar maal en vond de sfeer zo overweldigend, zo anders dan het saaie burgermansklimaat dat de Zwolse HTS-ers in zijn greep hield, dat ik besloot mijn verlangen een elektrotechnisch 'perpetuum mobile' uit te vinden overboord te zetten.
Ik wilde ook student zijn!
Praten over de 'vierde dimensie' en zo, zoals men dat deed in die jaren, vond ik uitermate indrukwekkend, omdat ik me nog niet realiseerde dat het in feite allemaal weinig voorstelde - niets meer dan wat quasi-wetenschappelijke luchtbellen, gevuld met een paar feiten en een grote hoeveelheid bluf...
Het wetenschappelijke niveau van de uitspraken die we deden was in feite ook niet belangrijk. Wat je zei was niet van belang, maar hoe je het deed, en met wie. Er was een sfeer van 'wij tegen de anderen', en die sfeer trok je aan: Muren, bedekt met posters van Franse kunstschilders, lange rijen lege wijnflessen tegen een wand gestapeld, druipende kaarsen, cello-sonates van Bach, bizarre jazz-muziek van Roland Kirk en natuurlijk de studentikoze liedjes van Jaap Fischer: 'Eendje ga je mee', 'De cipier' en 'Tem me dan als je kan'.
Het Marxisme - als nieuwe 'moralistische' studenten-levenshouding - bestond nog niet in die tijd. Wat een zaligheid. Heel even mocht ik vertoeven in een studentikoos paradijs...
Tot de linkse anti-intellectuele revolutie uitbrak...

Het Marxisme, beter gezegd 'collectivisme' (of Stalinisme), omdat het marxisme ook positieve (vrouwelijk-sociale) kwaliteiten bezit die niet onder de noemer 'collectivisme' vallen, was de ontkenning van de geestelijke vrijheid, die van een studentenwereld een intellectueel pardijs kan maken.
Toen het het Marxisme tot 'heilig instituut' werd uitgeroepen door de linkse elite in dit land verklaarde de zweverige schrijver Harry Mulisch publiekelijk dat hij nooit meer een 'burgerlijke roman' zou schrijven. De vierde dimensie werd afgeschaft en alleen de marxistische, sociaal-realistische dimensie mocht nog bestaan...
Het was de verdrijving uit het paradijs. Schrijverscollectieven schreven nu drakerige opera's voor een zich 'volk' noemend elitair links publiek..
En het gewone niet studerende volk....?
Dat volk las gewoon de Telegraaf. En de Telegraaf was en bleef gewoon rechts. Zo simpel zat de wereld in elkaar!

Wat me het meest ergerde was het primitieve dualisme dat het denken ging beheersen.
Dat linkse studenten op een zeer rechtse wijze iedereen die het niet met hun eens was tot 'klassenvijand' uitriepen, waarmee elke vorm van werkelijke kritiek onmogelijk werd gemaakt. Alles wat je mocht was slaafs 'ja en amen' roepen.
En gezelligheid was helemaal taboe, omdat er op een uiterst ongezellige wijze over politiek moest worden gepraat...
In de Utrechtse pre-revolutionaire studentenkamers, waar Amerikaanse jazzmusici de sfeer bepaalden, werd ook oeverloos gezwamd, maar als je er genoeg van kreeg dan ging je voor een luidspreker zitten met wat drank en een pakje shag, en dan gaf je jezelf volledig over aan de magische klanken die de een of andere jazzmuzikant uit zijn instrument tevoorschijn wist te toveren.

Anet Bleich, die erg links was in die tijd, heeft waarschijnlijk nooit ingezien dat de meeste mensen er zomaar een eind op los zwammen.
Op een uiterst nonchalante wijze plaatst zij in een artikel in de Volkskrant dan ook de begrippen 'orde' en 'chaos' tegenover elkaar, alsof het om onverzoenlijke grootheden gaat.
Mogelijk is dat een uitvloeisel van de negatieve invloed die het Marxisme op haar heeft uitgeoefend. De God van het collectivisme is nu eenmaal de 'grote contactgestoorde'. Hij zoekt nooit de ander. Hij klit samen met gelijken en maakt van de ander de duivel, de vijand, het maakt niet uit wat, als hij of zij maar een pispaal kan zijn...
Jazz daarentegen, en dan met name aan de 'blues' gebonden jazzmuziek, geboren uit eenzaamheid en ellende en de wil daar op een positieve wijze mee in het reine te komen, is in diepste wezen sociaal.
Jazzmuziek verzoent, jazz verdeelt niet, schept geen schizofrene schijnorde, maat brengt de begrippen 'chaos' en 'orde' bij elkaar.
Jazz is revolutionair maar niet op een wijze die ordelijke geesten van zich vervreemdt, want waar chaos de orde ontkent en muziekvormen in het leven roept die ontkennend van aard zijn, daar wordt de God van het collectivisme op de troon gezet - daar is het bestaan eendimensionaal geworden en daar is geen plaats meer voor welke vorm van magie dan ook.

Daarom mag er in mijn Ketterse Kathedraal alleen maar jazzmuziek worden gespeeld!
Ik houd van saxofonisten. Johnny Griffin bijvoorbeeld. Ik bezit een uniek plaatje van hem, een 'eepeetje', waarop hij met zijn 'Big Soul Band' arrangementen speelt van Norman Simmons. 'Johnny Griffin, playing Norman Simmons arrangements', staat er op de felgekleurde hoes...
Ik leg het plaatje op de draaitafel, neem plaats in een grote fauteuil en luister naar het nummer 'Wade in the water'.
Anet Bleich bekijkt met enige afschuw de grote fauteuil die de plaats heeft ingenomen van het offerblok, dat centraal staat in elke collectivistische eredienst.
Collectivisme is in feite antieke tempeldienst. Zonder offer kan een collectivist niet leven. Altijd moet er iets of iemand sterven om God gunstig te stemmen. Zichzelf opofferen is een welhaast ondenkbare zaak.
Niet voor niets werd Harry Mulisch 'een salonsocialist' genoemd...
Jazz daarentegen, in zijn oervorm, is vrije muziek, muziek, waarin het holistische 'en-en'-denken tot levensfilosofie wordt uitgeroepen. Daarom is het goddelijke muziek!
Binnen het strenge kader van het jazz-arrangement wordt de individuele musicus de ruimte geboden voor improvisatie. Daar houd ik van.
Ik ben een ordelijk mens die van wildheid en vrijheid houdt. Ik weiger de orde te verwerpen en tegelijkertijd weiger ik de wildheid te ontkennen. Ik wil het allebei. Daarom ben ik een liefhebber van big-band-muziek. Daar tref je de combinatie arrangement-improvisatie in zijn meest volmaakte vorm aan.
En het mooie is dat de overstap van de jazz-big-band naar de grote symfonie-orkesten die klassieke muziek ten gehore brengen heel snel is gemaakt.
Je komt dan terecht bij moderne componisten als Strawinsky en Bela Bartok. Ook zij persen de 'wildheid' in een strak kader, zonder dat je het idee hebt dat de 'wildheid'wordt onderdrukt.
Een fraai voorbeeld is Strawinsky's 'Sacre du Printemps'. Dat is perfecte kerkmuziek, die van een ketterse kathedraal een echte religieuze kathedraal kan maken.

Hoog in de ruimte zweven kroonluchters, waarin walmende kaarsen zijn gestoken. Een woeste, middeleeuwse sfeer hangt in de strak-zakelijke ruimte van het immense middenschip.
Uit grote luidsprekers dreunen de wilde, weerbarstige klanken van het symfonie-orkest. En daar...: door een kleine zij-ingang komen grote dromen balletdansers de kerk binnenwandelen, uiterst elegant en gracieus, alsof ze de zwaartekracht overwonnen hebben.
Na het maken van een snelle kniebuiging, waarbij de armen achterwaarts omhoog geheven worden, terwijl het hoofd de punt van de knie raakt, laten ze zich neervallen op een gladgepolijste vloer, die spookachtig verlicht wordt door de grillig flakkerende kaarsen. Een wilde, sensueel bewegende kluwen vormen zij daar, terwijl ik vanuit mijn fauteuil kalm en waardig op hen neerblik...
Op wellustige wijze schuiven ze over elkaar heen. Ritmisch. Op de maat van de muziek.
Dan, plotseling, richten ze zich op...
Star en strak staan ze daar, de armen in een verlangende beweging omhoog geheven naar de hemel. Het is alsof ze God smeken neer te dalen in deze ruimte. Hun hoofden bewegen heen en weer op het opzwepende ritme van de muziek. Er gebeurt iets, iets bijzonders, wat je keel dreigt dicht te knijpen. Ik krijgt het er benauwd van.
De kaarsen verdwijnen. Helle bundels veelkleurig licht priemen door de hoge ruimte en vallen op de dansers neer.
De genadeloze intensiteit van dat licht maakt hun tengere lichamen nog kleiner en kwetsbaarder dan ze al zijn. Wild, woest en bezeten omspoelt de muziek hun geteisterde lichamen. Licht en geluid beuken in op het menselijk lichaam. Het beweegt, het trilt, het schokt. Het lijkt wel een collectief orgasme...
En dan ineens: Stilte. Puur. Ademloos. Majestueus...
Het licht valt weg. Slechts een paar eenzame kaarsen gaan een uitzichtloos gevecht aan met de duisternis. Bewegingloos liggen de dansers op de vloer.

Vanuit mijn relaxfauteuil kijk ik naar de zwetende, hijgende lichamen, die me doen denken aan vissen op het droge: wreed weggetrokken uit hun eigen wereld, wanhopig naar adem happend, terwijl ze weten dat in deze wereld geen plaats voor hen is.
Vol zorgzame tederheid leg ik een nieuwe plaat op de draaitafel. 'In a sentimental mood' van Duke Ellington.
Het is alsof een zee van verfrissend, levengevend water de ruimte binnenspoelt...
Alles wordt weer lieflijk en wondermooi. Een teder naspel na een intens orgasme. Het simpele, van alle bombast ontdane, pianospel van Ellington verzoent je met de orde.

Linkse Annie begrijpt dat niet. Aan haar handen kleeft het 'of-of'- gif van het collectivisme.
Nog altijd gekleed in een linksige outfit, die absoluut niet bij het kakkerig-intellectuele imago van 'de nieuwe linkse elite' past roept ze op venijnige wijze: "Ik wil niet dat je me Annie noemt, toon eens wat meer respect..., ja..."
Lui lig ik achterover in mijn fauteuil en ik kijk haar lang en ernstig aan.
"Tut tut tut", antwoord ik tenslotte, uiterst kalm en bezadigd, "kalm aan maar kameradin, we kunnen niet allemaal pissen op commando hoor. Het Marxistische offerblok is mijn ketterse kerk uitgesmeten. En dat krijg je er met geen tien paarden meer in..."


Zwolle, 5 april 1989,

Ada Netty (Anet) Bleich (Den Haag, 2 september 1951) is een Nederlandse journaliste en columniste.
Anet Bleich studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).
In 1969 en 1970 was Anet Bleich tijdens haar studie lid van de Werkende Jongeren Groep, die ontstaan was binnen de linkse studentenbeweging van de universiteit. Behalve Anet Bleich was ook haar latere echtgenoot Max van Weezel lid van deze groep. Ze was tot 1977 lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Op 21 februari 2008 promoveerde ze op een biografie van Joop den Uyl.

Zie ook: Ik, Hans Daudt & de Linkse bezetting