De Ketterse Kathedraal


Anet Bleich en het fundamentalisme

Wim Duzijn, Zwolle 7 maart 1989

De laatste tijd stel ik mezelf regelmatig de vraag of er in een wereld die gedomineerd wordt door schijnheilige, zich 'vrijheidstrijder' noemende, despoten nog redelijke mensen rondlopen.
Ik heb soms zo mijn twijfels vooral wanneer ik geconfronteerd wordt met de uitlatingen van zeer idealistische medewerkers van de Volkskrant.
Vanmorgen sloeg ik nieuwsgierig de nieuwste editie van de Volkskrant open, omdat daarin een gesprek staat afgedrukt dat twee journalisten hebben gevoerd met een uit de Moslimwereld afkomstige fundamentalist.
Deze twee heren, de heren Schmidt en Mueller, vragen de fanatieke gelovige, die om de een of andere geheimzinnige reden weigert zijn naam te noemen, waarom fundamentalisten andere mensen, die niet tot de eigen groep behoren, willen vermoorden - dit naar aanleiding van de heksenjacht die de Iraanse Ayatollah Ruhollah Khomeiny heeft geopend op Salman Rushdie, de schrijver van het boek 'De Duivelsverzen', waarin de profeet Mohammed ervan wordt beschuldigd omgang te hebben gehad met hoeren en homosexuelen...
Het antwoord van deze fundamentalist geef ik voor de duidelijkheid in samengevatte vorm puntsgewijs weer:

a. De Koran, het heilige boek van de moslims, gebiedt de terdoodveroordeling van alle ketterse geesten;
b. De Islam is het ware geloof dat boven alle andere geloven staat;
c. Het is de taak van de Islam, juist omdat zij het ware geloof is, de hele wereld te beheersen;
d. Homosexuelen en feministen zijn kinderen van de duivel;
e. De democratie is een uitvinding van slappelingen;
f. "Het gaat erom: Wie beheerst wie, wie heeft de macht? (..) Kunnen wij op een dag met jullie spelen of laten we jullie met ons spelen? Wie heeft het machtswoord?"

Deze uitspraken komen uit de mond van een gelovige moslim, maar je hoeft de woordjes 'moslim', 'Islam' en 'koran' maar te vervangen door andere begrippen en je ziet het algemene beeld' ontstaan van de ware gelovige, de man die maar een God kent: De Macht.
Overal waar het mis gaat in de wereld is er sprake van machtsmisbruik.
De machtige mens heeft alle energie van de wereld en is in staat om de zachtere krachten, die toch ook tot het leven behoren, volledig te overheersen en weg te drukken.
Je zou dus bijna zeggen: macht is per definitie 'de duivel', ware het niet dat het streven naar macht volgens sommige mensen, met name astrologen en antroposofen, ook deel uitmaakt van het kosmische geheel dat in zijn totaliteit 'de waarheid' is. God, zo stelden de oude Egyptenaren het duizenden jaren geleden al in hun religieuze geschriften, is 'het geheel van al het bestaande'. In het Oude Testament noemt God (Yahweh) zichzelf 'Ik ben Ik ben'...

De astrologische theorie stelt dat sommige mensen meer in macht (niet te verwarren met de begrippen gezag en autoriteit) ge´nteresseerd zijn dan anderen. Deze mensen behoren tot de invloedssfeer van de dierenriemtekens Leeuw, Schorpioen en Ram.
Tegenover de macht-tekens staan de autoriteit-tekens, die in occulte kringen ook wel worden aangeduid met de verzamelnaam 'goddelijke drie-eenheid', te weten, de tekens: Kreeft, Boogschutter en Steenbok.
Binnen de mystieke werkelijkheid van wat ik op een eigenzinnige wijze mijn ketterse kathedraalnoem worden de machtstekens niet als 'godheid' aanbeden.
Macht als op zichzelf staand principe, dat buiten elke vorm van gezagscontrole valt, is een door en door asociaal gegeven en hij, die de macht tot algemeen, leidend principe in een samenleving uit wil roepen, moet daarom beschouwd worden als een asociale figuur, iemand die niet in staat is de ander als gelijkwaardig te beschouwen.
Macht als zodanig is, zoals gezegd, geen duivels beginsel, dat wil zeggen: het is geen beginsel dat in strijd is met de menselijkheid.
Nee, het duivelse van de macht is gelegen in zijn wil zich af te splitsen van het geheel, met andere woorden, in zijn verlangen de (kosmische) orde te verstoren.
Zodra de macht zich losmaakt van het autoriteitsbeginsel (dat besloten ligt in de drie tekens die binnen de dierenriem het gezag vertegenwoordigen) ontstaat er een toestand van chaos, waarin de mens overgeleverd is aan de volstrekte willekeur van de onredelijke machtsmens - de 'ware gelovige', die op een blinde wijze wil heersen over de gehele aarde, zodat mensen die niet het ware geloof bezitten domweg worden gereduceerd tot zielloze objecten die mogen worden gebruikt en misbruikt..

De brutale machtsmens verwerpt de begrippen 'orde en gezag'.
Orde en gezag zijn namelijk stabiliserende, op kalmte en rust gebaseerde invloeden, die in conflict komen met het verlangen naar 'een wild, ongecontroleerd leven' van de machtsmens.
De machtsmens wil zonder enige remmende controle zijn blinde impulsen uitleven en hij gebruikt daarom de moraal als een middel om die primitieve verlangens ongehinderd in vervulling te doen gaan.
Hij ziet zichzelf nooit als een 'zoeker', nee, hij bezit de waarheid en hij haat degenen die hem er op wijzen dat hij net als ieder ander een kwetsbaar menselijk wezen is dat andere mensen nodig heeft om zichzelf te kunnen ontplooien.
De moraal maakt hem onkwetsbaar, de moraal schenkt hem de vrijheid, de moraal stelt hem in staat machtig te zijn.
Kwetsbare, gevoelige, vrouwelijke en intellectuele mensen veracht hij. Het gaat erom de baas te zijn.
Je gaat niet samen met gevoelige anderen op pad, nee, je stopt die gevoelige anderen in een aanhangwagentje en je zeult ze op een vernederende wijze met je mee, niet om ze sterker te maken, want sterke mensen tasten het ongelijkheidprincipe aan, maar om ze eeuwig zwak te houden.

De machtsmens is geen gevend, begrijpend type, zoals de Kreeft, de Boogschutter en zelfs de ogenschijnlijk gevoelloze Steenbok dat wel zijn.
De machtsmens is, als ge´soleerd gegeven, een zwart gat in het kosmische universum, dat alle energie in zich opzuigt, zonder dat er iets constructiefs mee wordt gedaan.
Dat is trouwens toch het kenmerk van elk teveel. Karl Marx wees al op de waanzin van kapitalistische kapitaalopeenhopingen, een waanzin die zichtbaar werd tijdens een grote 'beurskrach' in de jaren tachtig, toen miljarden guldens gewoon verdwenen, als sneeuw voor de zon.
Dat geld had nuttig besteed kunnen worden, want men had het in feite niet nodig. Maar er mocht niets mee worden gedaan. En het verdween. Zomaar. In het zwarte gat van het grote morele niets.
Op die waanzinnige manier zijn machtsmensen altijd bezig. Ze trekken alles naar zich toe en ze delen met niemand. Dat kunnen ze namelijk niet, delen. Delen is een ontkenning van het gezagsloze machtsprincipe. Wie deelt is niet de baas!

Is het mogelijk zulke ego´stische wezens op een anti-autoritaire wijze tegemoet te treden? Dat is een vraag die binnen de wereld van de macht niet gesteld mag worden.
Anet Bleich bijvoorbeeld, die in de jaren zestig en zeventig deel uitmaakte van de een groep anti-autoritaire (Stalinistische) machtaanbidders, gaat in de Volkskrant op een ongenuanceerde wijze tekeer tegen 'no-nonsens-opvoeders' die een lastig, dwingerig kind een pak voor de kont willen geven als het zijn ego´stische zinnetje door wil drijven.
Dat anti-autoritair opgevoede kinderen nooit leren rekening te houden met anderen, dat beseft zij niet.
Ze heeft domweg niet in de gaten dat dergelijke kinderen uitgroeien tot fundamentalisten, die er maar een principe op na houden: "Wie beheerst wie?" "Wie heeft er het machtswoord?"
Anet Bleich gaat er blijkbaar van uit dat een kind niets hoeft te leren. Je laat het zijn gang maar gaan en dan groeit er vanzelf een vrij, sociaal individu uit.
Dat zou zo zijn als het kind in een vacuŘm zou leven, maar ach, we weten allemaal dat een sociaal vacuŘm niet bestaat. We leven in een wereld waarin alles met alles samenhangt. Dat feit hebben we te accepteren - moraal of geen moraal...

Jean-Paul Sartre (bepaald geen zweverige, holistische fantast) werkt dit gegeven uit in zijn literaire en filosofische werk.
Hij erkent dat de mens zich los moet maken van iedere vorm, maar hij vraagt zich af wat het individu aanmoet met zijn vrijheid in een wereld die onvrij is. Wat heb je aan vrijheid wanneer je niet in staat bent een positieve daad te stellen?
Sartre wil een positieve daad stellen. Hij wil iets doen voor mensen. Hij zoekt contact en dat verlangen naar contact dwingt hem ertoe afstand te doen van een gedeelte van zijn vrijheid, met alle gevaren van dien.
De vrienden die je zoekt kunnen, juist omdat ze gebonden zijn aan de vorm, die een ontkenning is van de vrijheid, je schade toebrengen. Dat is een verschrikkelijk dilemma.
Vrij zijn en nietsdoen leveren je over aan leegte en zinloosheid. Wel iets doen brengt je in contact met de wereld van de op aanpassing gerichte algemeenheid, die er juist op gericht is de individuele vrijheid te vernietigen.

Het is Sartre niet gelukt zichzelf als vrij individu overeind te houden in de wereld van de algemeenheid.
Via het begrip 'menselijke solidariteit' kwam hij terecht in de collectivistische wereld van het Marxisme, een fundamentalistische vorm van Marxisme nog wel, dat de vloer aanveegde met het vrijheidsverlangen dat in zijn literaire werk tot uiting komt.
Hij zoekt 'de ander' en hij vindt 'de hel'!
En het vreemde is dat het vinden van de hel een bijzonder sterk geluksgevoel in mensen op kan roepen, omdat het altijd de ander is die in de hel wordt geplaatst. De fundamentalist, simpel gesteld, bouwt altijd een hemel op de hel van anderen. Dat is de enige vorm van geluk die hij kent. De ander hangt aan het kruis, en de gelovige staat voor het altaar - drinkt daar het bloed van het slachtoffer - en viert feest....

Het verlangen naar menselijke solidariteit en vriendschap wordt binnen een vals-moralistische, dualistische wereld altijd bestraft. Er is binnen die kleinburgerlijke wereld geen plaats voor immorele mensen, d.w.z. mensen met een geheel eigen moraal, een moraal die uitgaat van het recht van elk mens enkeling of individu te zijn..
Gevoel, tederheid, overgave, intellect en al die andere zaken die ook tot het leven behoren, en die binnen de symbolische wereld van de astroloog heel duidelijk als realiteit worden aangegeven, verdwijnen binnen een fundamentalistenwereld op de achtergrond.
Men wil op een bazige manier spelen met anderen. De ander is nooit gelijkwaardig - laat staan een gelijke of een leermeester. Zodra hij gaat streven naar 'gelijkheid' is hij gevaarlijk en dient hij als 'staatsgevaarlijk element' verwijderd te worden.

Het is in feite een primitief sadomasochistisch gedragspatroon dat thuishoort in een sexclub of de echtelijke slaapkamer.
Daar kun je de ander een halsband omdoen en genieten van domineren en/of gedomineerd worden. Maar wanneer je de slaapkamer en de sexclub gaat verplaatsen naar de werkplaats, de politiek, de literatuur, of de wetenschap, dan vernietig je de menselijke orde, dan ben je bezig met chaotisch, bestiaal gedrag.
De psychiater Sigmund Freud wijst er in zijn werk op dat sexuele driften gesublimeerd moeten worden.
Daar zit een kern van waarheid in (in die zin dat de mens weer moet leren spelen en fantaseren), maar het is een gedachte die ook negatieve gevolgen kan hebben. De folterkamers van de geheime politie (bijvoorbeeld) zijn in feite ook vormen van gesublimeerde sexuele energie. Wie kunst als sublimatie rechtvaardigt, die realiseert zich vaak niet dat anti-intellectuele geesten hun eigen vormen van gesublimeerd sexgedrag in het leven roepen.
Sublimatie kan ten grondslag liggen aan de moraal, niet een redelijke, objectieve moraal, die in dienst staat van geestelijke vrijheid en ontwikkeling, maar een geestdodende moraal die moralisten in staat moet stellen op een 'goede' wijze onredelijk te zijn.
Sigmund Freud kan daarom met zijn sublimatieleer een kleinburgerlijke moralist genoemd worden, iemand die de geestelijke ontplooiing van het menselijke individu ontkent en er 'de algemene vorm' tegenover plaatst.

Zelfontplooiing (positieve individualisering) is een ontkenning van het collectivisme. Wie het fundamentalisme wil bestrijden moet derhalve de nadruk leggen op het begrip zelfontwikkeling.
Fundamentalisten zijn nooit ge´nteresseerd in de vrijheid van het individu. Hun kracht is niet gelegen in 'het geven' (essentieel begrip binnen een wereld die vrijheid nastreeft), maar in 'het nemen'.
De wijsheidsverkondiger wil het individu daarom losmaken van de 'nemende algemeenheid' en hem bewust maken van de beestachtigheid die ten grondslag ligt aan een primitief moralistisch machtsverlangen.
De fundamentalist toont ons het woeste gezicht van 'het beest' dat schuilgaat in het labyrint dat zich links noemende schrijvers niet willen betreden.
Een valse moralist weigert zichzelf al schrijvende te identificeren met 'het beest in de mens'. Dan zou hij gaan walgen van zichzelf. En walging is geen leuke, vrolijke bezigheid. Daarom walgt hij liever van anderen en predikt hij op een ondoordachte wijze 'een vrolijke revolutie'.

Volkskrantredactrice Anet Bleich heeft weinig begrepen van de gedachten die ik haar heb voorgelegd. Zij zit vastgebakken aan haar uiterst autoritaire, schijnlinkse 'anti-autoriteitsfilosofie', die in de jaren zeventig ertoe leidde dat vrouwelijke, creatieve geesten het leven onmogelijk werd gemaakt. Ik maak daarom een galante buiging en werp haar een kushandje toe.
"Koeten Taag, Vrouwlain Anet", zeg ik heel vriendelijk, want ze schijnt een Duitse achtergrond te hebben, "auf wiederzeen maar weer...want iech keehe maine tocht vortzetsen...., verstehen Zie?"
Een anti-autoritair opgevoed kind naast haar werpt met een nurkse trek op het gezicht een bloempot uit het raam.
"Weg met het gezag", schreeuwt zij me toe.
Ik echter neurie een vrolijk lied en begeef mij welgemoed huiswaarts.
De zon schijnt.
"Aan alles komt een eind", mompel ik, "zelfs aan de vrolijke revolutie van Anet Bleich..."


Zwolle, 7 maart 1989

Ada Netty (Anet) Bleich (Den Haag, 2 september 1951) is een Nederlandse journaliste en columniste.
Anet Bleich studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).
In 1969 en 1970 was Anet Bleich tijdens haar studie lid van de Werkende Jongeren Groep, die ontstaan was binnen de linkse studentenbeweging van de universiteit. Behalve Anet Bleich was ook haar latere echtgenoot Max van Weezel lid van deze groep. Ze was tot 1977 lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Op 21 februari 2008 promoveerde ze op een biografie van Joop den Uyl.

Zie ook: Ik, Hans Daudt & de Linkse bezetting