De Ketterse Kathedraal


De AA van Aamnesie

ofwel: het grote vergeten
Wim Duzijn, Zwolle, 10 maart 1989

het grote vergeten

Enige jaren geleden, toen ik me een tijd lang schuldig maakte aan het schrijven van brieven aan de redactie van de Volkskrant (internetblogs bestonden nog niet, WD-2021), maakte ik een grap, die aan Volkskrantcolumnist Jan Blokker de uitlating ontlokte: "Ik haat zulke grappen".
Wat voor een grap dat was?
Ach, een heel simpele volkse grap, zo'n grap die gewone mensen onder elkaar wel eens maken, maar die door elitair ingestelde mensen op een zuurzoete, hooghartige wijze van de hand wordt gewezen: een verwijzing naar de Partij van de Arbeid met de zinsnede: de Pee van de Aa, met de Aa van Aamnesie (amnesie - voor diegenen die niet snappen wat ik bedoel - betekent: vergeten).

Ik kon daar in die tijd hartelijk om lachen. Ik ging uit van de gedachte: met sommige mensen valt toch niet te praten, dus dan kun je weinig meer doen dan ze ergeren en ze lastig te vallen met rare grappen, op zo'n manier dat je niet je gevoel voor ernst kwijtraakt.

De onredelijkheid zat in de jaren 80 (de jaren waarin het ideaal van 'de verbeelding' werd ingeruild ' voor de economische zakelijkheid' ofwel 'het neoliberalisme') hoog op de troon.
Als je de woordjes 'redelijkheid' en 'vrouwelijkheid' in de mond nam werd je honend weggelachen, zo van: "Vrouwelijk, pfff, heb je ook een kut?"
Het klinkt erg dramatisch allemaal, maar dat is het niet. Het is geenszins mijn bedoeling mijzelf uit te roepen tot iets bijzonders, iemand die als enige met onredelijkheid en vrouwenhaat wordt geconfronteerd.
Integendeel, ik heb er geen enkel belang bij mezelf uit te roepen tot 'bijzonder mens'. Via het woordje 'bijzonder' kunnen op macht beluste memsen namelijk afstand nemen van al die andere mensen, die net als jij naar de marge van de samenleving worden geduwd, gewone mensen, maar ook hele excentrieke en intelligente mensen, want in een wereld waarin alleen het recht van de sterkste geldt wordt niet gelet op individuele kwaliteiten.
Wie op een hoge stoel zit, zichzelf inbeeldt dat hij God 'himself' is, kan niks anders doen dan al diegenen die de poten onder die stoel weg wil zagen met een kleine klophamer het hoofd inslaan. Dat noemt men 'de wet van de elite', een wet die alleen maar aantoont dat elitaire mensen doodgewone aan macht verslaafde mensen zijn.

De 'wet van de elite' (dure term voor het 'recht van de sterkste') is een fascistisch principe dat in deze eeuw vooral door Adolf Hitler werd gepropageerd.
Het werd in ons land in de jaren zestig en zeventig opnieuw ingevoerd, niet op zo'n fanatieke georganiseerde wijze als de Nationaal-Socialisten in Duitsland het deden, maar op een verborgen, stiekeme wijze, zoals de communisten in Rusland en China dat jarenlang hebben gedaan.
In een vraaggesprek dat Volkskrantmedewerker Philip Freriks voerde met Annette Levy-Willard, schrijfster van de roman 'Tarzan zoekt Jane', komt die harde werkelijkheid heel duidelijk aan het licht.
"In '68 moesten wij altijd achteraan lopen", schrijft Annette, "de jongens moesten zonodig tonen dat ze ballen hadden. Mei '68 was ontzettend macho".

Annette vergeet te vermelden dat het machodom vooral tot bloei kwam in de (nieuw) linkse studentenbeweging. De linkse student werd Maoïst en Stalinist. Hij wilde via de Maoïstische terminologie 'arbeider' worden, immers: de afstand tussen intellectueel en arbeider diende overbrugd te worden, en dat kon alleen gebeuren via strijd en actie-voeren (alles in het kader van de 'permanente revolutie', die er op gericht diende te zijn dat er nooit zoiets zou kunnen ontstaan als een ingedut, zelfgenoegzaam establishment...).
Sommige studenten merkten weinig van dat linkse geweld. Zij waren 'rechtse ballen' en zij studeerden binnen de betrekkelijke rust van hun instituten, kalmpjes af.
Anderen werden op een directe wijze, vaak tegen hun zin, betrokken bij het activisme en zij leden er onder.
Zo is het leven, een ordinaire kwestie van toeval: gepland, mogelijk zelfs voorbeschikt toeval, als je de astrologie mag geloven.

Het toeval was mij niet gunstig gezind. Na het voltooien van een kandidaatsopleiding sociologie in Utrecht, eind 1969, vertrok ik vol goede moed naar Amsterdam, om mijn studie daar te voltooien, zonder me te realiseren dat je in die tijd als onafhankelijk, niet-links student maar beter geen studie kon gaan volgen aan een Amsterdamse sociale faculteit - helemaal al niet wanneer die faculteit deel uitmaakte van een staatsinstituut dat geacht werd neutraliteit en objectiviteit te garanderen
De overgang was niet bepaald plezierig. Mijn nieuwe woonruimte was een vochtige zolderkamer, waar de groene schimmel welig op de muren tierde. Bovendien was het guur najaarsweer, zodat het in mijn kachelloze zolderkamertje bitter koud was.
Een mens wordt daar niet echt vrolijk van.
Buiten joelden de linkse studenten. Harry Mulisch predikte de 'vrolijke revolutie'. En ik, ik had het koud en ik zag de vrolijkheid van een revolutie die ons een 'nieuwe, betere wereld' zou brengen absoluut niet in.
"Ach kom, zeggen de mensen dan: "je moet niet zoveel medelijden met jezelf hebben en steeds de verongelijkte figuur spelen - dat doet de eeuwig optimistische schrijver Harry Mulisch toch ook niet?".
En ze hebben natuurlijk gelijk. Harry Mulisch is een 'gelukkige schrijver'. Die term is niet van mezelf maar van Mulisch-bewonderaar Jeroen Brouwers.

Jeroen Brouwers is, zoals het een echte Vlaamse kunstenaar betaamt, een beetje een wilde man, en die is daarom verslaafd aan de drank, zoals dat altijd gebeurt met wildemannen die een week karakter hebben, en die schrijft daar uitvoerig over in zijn brieven, die in gebundelde vorm deel uitmaken van zijn literaire oeuvre...
Ik heb in de studiezaal van de openbare bibliotheek een tijdlang zitten bladeren in een van zijn brievenboeken.
Ik werd er niet echt gelukkig van. Jeroen gebruikt graag scheldwoorden, waar ik volstrekt geen bezwaar tegen heb, maar ondanks al die branie kun je eigenlijk nooit om hem lachen.
Het bekende boek van Jerome Salinger, 'De vanger in het koren', dat ook over een nogal wild, onaangepast type gaat, dat is een bijzonder humoristisch boek, daar blijf je om lachen, terwijl het toch eigenlijk een heel serieus en triest gebeuren is, waar die schrijver over schrijft, maar bij Jeroen Brouwers mis je elk gevoel voor humor. Hij mist domweg de subtiliteit, die elke goede grap, zelfs de meeste zwarte, dient te bezitten, en je ziet dan ook dat hij de niet van humor gespeende schrijver Gerard Reve afkraakt, terwijl hij een mateloze bewondering uitspreekt voor de volstrekt humorloze schrijver Harry Mulisch, een principeloze meeloper, die alleen maar staat voor leugen, bluf en bedrog - de enige manier om in literair Nederland een 'echt gelukkig mens' te kunnen zijn...
Mulisch is voor Jeroen Brouwers een soort profeet, een man die door de goden is gezalfd, kortom: een uitverkorene, een 'gezegend mens'.
De schrijver Maarten 't Hart is volgens hem ook zo'n 'gelukkige schrijver'.
Nou, dan weten we het wel...
Hoed je voor schrijvers die gelukkig zijn in een wereld die beheerst wordt door kleinburgerlijke moralisten.
Dat is veelal gif, venijn en de eeuwige geestelijke dood.
Jeroen Brouwers heeft daar echter geen bezwaar tegen, tegen dood zijn, en hij schrijft op een welhaast schaamteloze wijze hele brieven vol met volstrekt oninteressante feitjes en wetenswaardigheden, die zelden uitstijgen boven het niveau van het cliché.
Dat kan ook niet anders, want de kunstenaar bij Brouwers is een clichéfiguur. Zijn denken is cliché-denken, zijn handelen is cliché-handelen en zijn filosofie is een cliché-filosofie .
Die Brouwers, denk je bij jezelf tijdens het lezen, is geen levend mens, gewoon een bij elkaar verzonnen romanfiguur. Die schrijft zijn eigen leven, of, zoals Gerard Reve het soms zegt: die liegt de waarheid bij elkaar...

Raar lijkt me dat, om als mens van vlees en bloed een 'romanfiguur' te moeten zijn.
De schrijver Willem Frederik Hermans bezit die eigenschap ook: van zichzelf een karikatuur maken, een masker waarachter de schrijver zich kan verschuilen, zodat iedere mogelijkheid van een diepgaande menselijke relatie wordt uitgesloten: je kunt nu eenmaal niet leven met gefingeerde mensen...
Bij Hermans is de kunstenaar iemand die op rationele wijze vormpjes in elkaar knutselt, vormpjes die dan niet op een directe wijze laten zien wat ze voorstellen, maar vormpjes die moeten verwijzen naar een abstracte werkelijkheid achter de vorm, omdat alleen die verwijzing naar iets anders van een geschreven tekst een literaire tekst kan maken.
Literatuurwetenschappers noemen zoiets allegorisch of symbolistisch handelen en zij smullen ervan, want waar de allegorie heerst, daar zijn zij als uitleggers altijd de baas.
Willem Frederik Hermans is daarom een gevaarlijke man. Die maakt de literatuur ondergeschikt aan het 'baas-principe'.
Hij is de opperbaas. Daaronder zitten de onderbazen - de uitleggers. En helemaal in de diepte zit de gewone lezer.
Zulke tirannieke 'vormpjesmakers', die een hogepriestercultuur in het leven willen roepen, daar gaat mijn voorliefde niet naar uit! Het is de ontkenning van het 'ventisme', dat door de makers van het vooroorlogse literaire tijdschrift FORUM werd verkondigd. Een dergelijk bazig vormdenken maakt van de literatuur 'dode literatuur'.

"Wij kiezen uitsluitend partij tegen de vergoding van de vorm ten koste van de creatieve mens", stellen Menno ter Braak en Eduard Du Perron in een beginselprogramma dat hoort bij hun blad Forum.

De romans van Hermans stimuleren de creatieve mens niet. Integendeel, zij staan in dienst van de reproductieve mens, de literatuurwetenschapper, die honderden boeken tussen zijn langzaam malende kiezen fijnkauwt en aan dat (veelal) stompzinnige kauw- en herkauwproces het recht ontleent zichzelf tot 'wetend' mens uit te roepen.
Zo gaat het ook in de godsdienst.
De schriftgeleerden willen zich via de bestudering van de heilige geschriften het weten (en voelen) van de godsdienststichter eigen maken, zelfs wanneer die 'godsdienststichter' stelt dat hij het Leven wil verkondigen.
Jeroen Brouwers, volgeling van de gelukkige schrijver Harry Mulisch, ziet zichzelf als een religieuze figuur.
In een van zijn brieven (gericht aan de schrijver Gerrit Komrij) zegt hij: "Wij zijn kardinalen" .
Nou, daar heb je het gedonder in de glazen.
Wil je als anarcholiberale rebel een ketterse kathedraal bouwen en dan komt er een stel schrijvende kardinalen aan, die de boel wel eens even zullen gaan bezetten.
Ik ga daar niet meer akkoord.
Niks geen kardinalen. Niks geen paus. Niks geen bisschoppen.
Een ketterse kathedraal is een kerk van onafhankelijke, creatieve geesten.

Maar laat ik verdergaan. Jeroen Brouwers zegt namelijk nog meer in zijn brief aan Gerrit Komrij. Luister maar:
"Was ik godverdomme maar iets anders geworden dan schrijver. Ik weet zeker dat jij dit ook denkt."
Ik wist dat niet. Dat de schrijver Gerrit Komrij zo tegen het schrijverschap zou zijn. Wat ik wel weet is dat Harry Mulisch in de jaren zestig (als aanhanger van Fidel Castro) ook verklaarde een hekel te hebben aan schrijven, omdat schrijvers asociaal en apolitiek zouden zijn...
Maar het vreemde is dat al die anti-schrijvers, ondanks hun indrukwekkend ogende retoriek, gewoon door zijn blijven schrijven en dat ze met al hun negatieve geklets door iedereen de hemel in worden geprezen.

Harry Mulisch, de eeuwig-goede en gelukkige schrijver, heeft een nieuw boek gepubliceerd, dat wordt besproken door Volkskrantcriticus Arnold Heumaker
Arnold heeft Franse taal- en letterkunde heeft gestudeerd en die heeft daarom erg veel verstand van Nederlandse literatuur. Misschien dat wij zonder het te weten allemaal Fransozen zijn. God mag het weten, maar in Nederland kan alles. Dus het is best mogelijk.
Naast het artikel van Arnold Heumaker is een foto van de schrijver afgedrukt.
Harry Mulisch staart ons aan met een 'ik ben een man van de wereld'-blik.
Ecce Homo, Ziet De Mens, schijnt hij te willen zeggen, of iets dergelijks in ieder geval. In zijn rechtermondhoek heeft hij een pijp geklemd, zo'n ouwemannengeval dat wijsheid, berusting en levenservaring dient te suggereren. Alleen de baard en de snor, ook zulke machtige tekenen van wijsheid en bezadigdheid ontbreken. Verder is alles OK.
Ik ben niet zo'n 'pijp-mens' eerlijk gezegd. Nee, echt waar, ik heb een gloeiende hekel aan pijpen. Er komt wel eens iemand aan de deur, een kleine man, met lichtblond, achterovergekamd haar. Die kijkt me dan aan met zo'n rare, ranzige blik in de ogen en dan sist hij: "pijpen?", maar dan werp ik snel de deur weer in het slot, want ordinaire, platvloerse vuiligheid, daar ben ik niet van gediend!
Maar goed, laten we terugkeren naar de 'ernst des levens', zoals de pijprokende schrijvers in dit land dat op zo een voortreffelijke wijzen weten uit te drukken, en laten wij dat achteloos in elkaar geflutselde boekwerkje van Harry Mulisch eens bekijken.
Ik laat me daarbij leiden door de bespreking van Arnold Heumaker.

Ai, wat begint die bespreking somber! Arnold wijst ons er op dat het nieuwe boek van Harry Mulisch een deel is van een groter geheel, een 'oevre, dat wil zeggen: een som waarvan de delen elkaar verhelderen".
Ik ben een arme, maar wel eenvoudige, man en ik heb die andere delen niet in mijn bezit. Wat moet ik dan met dit nieuwe boek, dat ik alleen maar kan begrijpen als ik de beschikking heb over alle delen?
Arnold doet er nog een schepje boven op:
"Zonder () voorkennis is het nieuwe werk () niet of hoogstens op een oppervlakkige wijze te begrijpen".
Nou, daar is alles mee gezegd. Je hoeft dat boek niet te kopen of te lenen bij anderen want het is niet begrijpbaar. Alleen als je een domme sukkel bent die op een oppervlakkige wijze door het leven vlindert kun je dit boek mogelijk waarderen. Maar wie wil er nu een oppervlakkig stuk onbenul zijn?

Laten we daarom als serieuze lezer maar eens kijken wat Arnold Heumaker zelf voor gedachten heeft, want die schrijft een artikeltje dat je wel zonder voorkennis mag lezen...., hoop ik...
Harry Mulisch onderneemt volgens Arnold een 'queeste'.
Laat ik nou niet weten wat een 'queeste' is. Ben ik dan toch te dom? Is Harry Mulisch inderdaad het grote genie dat alle geheimen van de wereld weet te ontsluieren? Noch mijn woordenboek, noch mijn encyclopedie vertellen me de betekenis van dat duistere woord....
Wat moet ik met een woord dat in Nederland niet bestaat? Ik woon toch niet in Frankrijk? Daar kennen ze het woord 'queste', en dat schijnt te verwijzen naar de zoektocht van ridders in de Middel-Eeuwen naar de beker waarin het bloed van Jezus van Nazareth zou zijn opgevangen. Die beker noemt men 'de graal', en boeken waarin deze zoektocht wordt beschreven heten 'graalromans'.
En zo een boek zou Harry Mulisch hebben geschreven, een boek dat ons in contact kan brengen met een man die door een blinde, fanatieke groep religieuze collectivisten aan het kruis geslagen is..., diezelfde Mulisch die in de jaren zestig de vrolijke revolutie predikte en kritiekloos zijn collega's in het buitenland uitleverde aan uitgesproken collectivisten als Fidel Castro en zijn Russische (Stalinistische) collega Breznjef....

"De dood is onze dubbelganger",
lees ik in de recensie van Arnold Hooimaker.

En: "Mulisch' schrijven
is een 'orphisch temmen' van de dood"

Ik zit in mijn Amsterdamse zolderkamer en staar naar de giftig-groene schimmel, die een groot gedeelte van de wanden in bezit heeft genomen. Jazeker: de dood is onze dubbelganger...
In de linkse salons van Amsterdam predikt Harry Mulisch op 'orphische' wijze de vrolijke revolutie.
De schimmel aan de muur is echter keiharde werkelijkheid. Ze brengt me op een gruwelijke wijze in contact met de wereld van verval en ontreddering, die kenmerkend is voor de dood.
De dood ervaar ik als een afschuwelijk gebeuren. Je huilt als er iemand dood gaat. Niemand spreekt aan het sterfbed van een dierbare vriend of vriendin over een 'orphisch gebeuren'.
Je huilt van binnen. Waarom, denk je, waarom moet mij dit overkomen? Mijn god, je hebt toch liefde nodig? Waarom dan in godsnaam dit wrede gebeuren? O god, je haat de dood! Omdat de dood niet getemd kan worden. Omdat alleen de liefde je kan verzoenen met zo iets verschrikkelijks als de niet te temmen dood.

Buiten joelen de linkse studenten. Ze vieren feest. Geen gewoon feest, nee, een 'dionysisch' feest, een feest dat de dood moet temmen. Jij huilt. Je kunt de dood niet temmen. De dood, zo weet je, zo voel je het, zit op een troon, en die dood maakt revolutie en schrijft literaire boeken.
"Het is een leugen", fluister je, en je pakt een vel papier en als in een droom zie je jezelf schrijven, in grote, vette letters, een enkel woord dat alles uitdrukt wat je voelt: BEDROG.


Zwolle, 10 maart 1989,
geschreven n.a.v. een boekbespreking van Arnold Heumakers:
'Vijf in elkaar geschoven A's'.