Een Amerikaans succes
In het artikel Caspar Weinberger (minister van defensie) legde grondslag voor Amerikaans succes in Golfoorlog geeft Joop Veen (secretaris adviesraad vrede en veiligheid), via de bespreking van een zestal criteria voor Amerikaanse militaire interventie, een antwoord op de vraag wat in de oorlog tegen Irak, die toch in de eerste plaats ten doel had het emiraat Koeweit te ontruimen, de werkelijke belangen waren.
Het eerste wat de objectieve lezer opvalt is de benadrukking van de dominante rol die Amerika heeft gespeeld: Joop Veen spreekt namelijk over een Amerikaans succes.
Hij ziet voorbij aan het feit dat het in het Golf-conflict in eerste instantie ging om een poging van de Verenigde Naties een schending van de Internationale Rechtsorde, te weten de bezetting van een onafhankelijke natie door een andere natie, ongedaan te maken.
Ook ziet hij voorbij aan het feit dat de Verenigde Naties alleen dan succesvol kunnen opereren, wanneer alle internationale conflicten op eenzelfde wijze kunnen worden opgelost.
En tenslotte vergeet hij er op te wijzen dat Amerika nooit de rol van politieagent had mogen spelen, omdat het in het conflict zelf partij was en is.
Het feit dat Joop Veen spreekt over een Amerikaans succes moet diegenen, die werkelijk streven naar een Internationale Rechtsorde met argwaan vervullen.
Niet het op universele beginselen gebaseerde recht heeft gezegevierd, nee, de macht, en wel de Amerikaanse militaire macht, heeft gewonnen, op een uiterst wrede en hardhandige wijze.
Wie de Internationale Rechtsorde een goed hart toedraagt zal in de eerste plaats moeten streven naar het instellen van een zo onpartijdig mogelijke geschillencommissie, die bereid is op een vreedzame wijze een conflict op te lossen, waarbij er vanuit gegaan wordt dat beide partijen bereid zijn elkaar te zien als een gesprekspartner.
Als vreedzame middelen ter oplossing van geschillen worden door het Volkenrecht genoemd: onderhandeling, onderzoek, bemiddeling, verzoening, arbitrage en internationale rechtspraak.
Pas wanneer al deze vreedzame middelen falen kan gekozen worden voor minder vreedzame methoden: boycot, blokkade en in het uiterste geval militair ingrijpen.
Het artikel van Joop Veen laat ons zien dat er in het Golf-conflict geen sprake was van het optreden van een onpartijdige geschillencommissie onder leiding van de secretaris-generaal van de UNO.
Vanaf het allereerste begin heeft de secretaris-generaal van de UNO (Javier Pérez de Cuéllar), de rol van boodschappenjongen van een partijdige betrokkene (te weten: Amerika) mogen spelen, een machteloze lakei, die weinig meer bevoegdheden bezat dan het overbrengen van dictaten aan een tot vertegenwoordiger van 'het Kwaad' uitgeroepen wetsovertreder.
Iedereen, die ook maar het geringste schijntje rechtsgevoel bezit, zal inzien dat een dergelijke ambtsdegradatie het aanzien van de UNO aanzienlijk heeft geschaad.
De UNO, als internationaal rechtsinstrument dat dient te streven naar een grotere veiligheid in de wereld, wordt niet versterkt door een Amerikaanse militair succes.
Joop Veen geeft dat trouwens zelf aan, wanneer hij in zijn artikel spreekt over de criteria voor interventie die door Amerika in het geval van internationale conflicten worden toegepast:
1. Bescherming van vitale Amerikaanse belangen.
Dat vitale belang was niet de bezetting van Koeweit door Irak, maar de mogelijkheid dat een vrije aanvoer van relatief goedkope olie in gevaar gebracht zou kunnen worden - dit ondanks het feit dat Amerika en Irak vriendschappelijke relaties met elkaar onderhielden. Waar geen vitale belangen in het geding zijn, daar wordt niet ingegrepen.
2. Grijp alleen in als je kunt winnen.
Met andere woorden: is er geen reële kans op een overwinning, dan hoeft de UNO niet te rekenen op de medewerking van Amerika.
3. Formuleer duidelijke doelstellingen.
Die doelstelling zou alleen maar de ontruiming van Koeweit mogen zijn, maar, zo stelt Joop Veen: gebleken is dat de eigenlijke doelstelling (naast het veiligstellen van de olietoevoer) het breken van de militaire macht van Irak was, waarmee hij in feite zegt dat de doelstellingen van Amerika niet duidelijk waren.
Amerika heeft gelogen - hetgeen vooral in de laatste fase van de oorlog duidelijk is geworden, toen een op de vlucht geslagen leger op barbaarse wijze in de pan werd gehakt, een daad van agressie die op geen enkele wijze valt goed te praten, omdat op het moment van de vlucht de doelstellingen van de Verenigde Naties verwezenlijkt waren, namelijk: de verdrijving van Iraakse troepen uit Koeweit.
4. Verzeker je van de steun van het Amerikaanse volk.
De wijze waarop Amerika zich heeft verzekerd van de steun van het Volk verdient een objectieve en zakelijke bestudering. Je kunt je afvragen of het geoorloofd is om een ander lid van de Volkerenfamilie zonder meer uit te roepen tot een vertegenwoordiger van 'het Kwaad'.
Wie geeft Amerika het recht zich uit te roepen tot vertegenwoordiger van 'het Goede'? Waarom mag een natie het staatshoofd van een ander land tot 'satan' uitroepen, zonder de verplichting daar objectieve en zakelijke beweegredenen voor aan te geven?
Binnen een Internationale Rechtsorde moet altijd voorkomen worden dat middeleeuwse wraakpraktijken het gezonde verstand dreigen uit te schakelen. Een keuze voor primitieve propagandamechanismen, die de domheid van de grote massa in stand behoren te houden kan derhalve nooit gezien worden als een keuze voor een democratische besluitvorming. Democraten die het volk dom houden zijn geen democraten. Zij regeren bij de gratie van de domheid, en dat betekent dictatuur, intellectuelenhaat en goedkoop populisme.
5. Militair geweld mag alleen worden gebruikt wanneer alle andere middelen hebben gefaald.
Daarmee komen we terug op de vreedzame middelen die volgens het Volkerenrecht voorhanden zijn, te weten: onderhandeling, onderzoek, bemiddeling, verzoening, arbitrage en internationale rechtspraak, middelen die in het Golf-conflict als onbruikbaar terzijde werden geschoven, omdat volgens Amerika 'de agressor niet beloond mocht worden'.
"Het zou ideaal zijn geweest", merkt Joop Veen op, "als via het geweldloze sanctie-instrument Irak had moeten inbinden. In Koeweit heerste echter een schrikbewind... Voorlopig moet het oordeel dan ook luiden dat er geen tijd meer was om andere middelen te gebruiken..."
Dat is een argument dat in strijd is met de feiten. De bezetting van Koeweit vond plaats op 2 augustus van het jaar 1990, terwijl de oorlog eerst op 17 januari van dit jaar in gang werd gezet. Tijd om op serieuze wijze vreedzame middelen ter slechting van het geschil aan te wenden was er dus wel degelijk.
De vraag waar het om gaat, is waarom Amerika weigerde het conflict op een vreedzame wijze op te lossen, met andere woorden, waarom er werd gekozen voor het onzakelijke argument dat 'de agressor niet beloond mag worden'.
In de discussies over de Golfoorlog wordt dit argument voortdurend genegeerd. Waarom zou de agressor niet beloond mogen worden? Wat betekent het woord 'beloning' in dit specifieke geval. Wie profiteert er van die 'beloning'. Kan de beloning van de agressor niet tegelijkertijd een beloning van de bestrijder van agressie zijn?
Alles wat Irak verlangde was een koppeling van het Golf-conflict aan het conflict tussen Israël en de Arabieren.
Irak heeft altijd de bereidheid getoond deel te nemen aan een Vredes-conferentie waarin alle problemen van het Midden-Oosten aan de orde zouden kunnen worden gesteld, inclusief het vraagstuk van de bewapening, maar het heeft op een uiterst consequente wijze het op het vernederen van de Arabieren gerichte paternalisme van een verideologiseerd Israël afgewezen. Joden zijn volgens de Irakezen geen betere mensen. De bronnen van de Westerse beschaving liggen niet in Israël, maar in Irak. Daarom heeft (zo luidt hun conclusie) Irak geen moreel voorbeeld nodig.
Die trotse houding was een doorn in het oog van de ideologen. Want de ideoloog wil maar een ding: Dat zijn ideologie door niets en niemand kan worden aangetast. Trots moet derhalve gebroken worden. Alleen de vernedering van de ander bewijst de eigen kracht en goedheid.
De vraag die we ons dus moeten stellen is of het houden van een Vredesconferentie inderdaad gezien moet worden als een 'beloning van agressie', en daarmee een laakbare, immorele daad die in strijd is met de Rechtsorde.
Wat is immoreler (ik gebruik liever het woord amoreel): het platgooien van een land, het doden van duizenden mensen, het verwonden en mismaken van tienduizenden mensen, het ontwrichten van het familieleven van miljoenen mensen en het scheppen van chaos in een groot deel van het Midden-Oosten, of het organiseren van een Vredesconferentie, die plaatsvindt vanuit een positie van kracht, omdat de gehele Internationale Gemeenschap zich tegenover de agressor heeft opgesteld?
Voor mij is het antwoord heel duidelijk: Ik vind het militaire optreden van Amerika in dit geval volstrekt immoreel (in de zin van gewetenloos, d.w.z. amoreel). Als we dan toch immoreel moeten zijn, dan kies ik liever voor een vorm van immoraliteit die het leven van miljoenen mensen niet in gevaar brengt (een morele vorm van immoraliteit dus).
Iedereen weet dat gedurende onderhandelingen eisen kunnen worden gesteld. Er kunnen garanties worden gevraagd voor de veiligheid van de bewoners van Koeweit - er kan geëist worden dat er een begin wordt gemaakt met een troepenreductie - kortom, er kan duidelijk worden gemaakt in een onderhandelingsproces dat de agressie gestopt dient te worden.
Dat is streven naar vrede. In dat geval zou er sprake zijn geweest van een succes voor de Verenigde Naties.
Aan Amerikaanse successen heeft de wereldgemeenschap niets. Want wat is Amerika? De rechts-conservatieve partijkliek rondom George Herbert Bush. De moral majority onder leiding van Billy Graham, een kleinburgerlijke evangelist die nog in de Duivel gelooft?
Of het Amerika dat als een werkelijk democratische natie streeft naar een strikte scheiding tussen kerk en staat, een onpartijdige natie die overal waar de democratie wordt vermoord door theocraten, autocraten en plutocraten de waarschuwende vinger opheft?
De beantwoording van die vraag laat ik, als democratisch ingesteld staatsburger, graag aan de lezer over.
Zwolle, 12 maart 1991,