Het Grote Sterven

herfstachtige hoofdstukjes uit het werk
van een beginnend schrijver,


deel 3.

Wat een geluk dat ik alleen ben, dat niemand kennis kan nemen van de fijnzinnige ironie van het sterven. Nu ziet tenminste niemand dat ik niet lach, hoewel ik me dat toch zo resoluut heb voorgenomen, vroeger, toen alles nog anders was, toen ik nog niet verstrikt was geraakt in de laatste droom van een leven dat geen leven was.
O, en toch zou ik in onbedaarlijk lachen uit moeten barsten, want stel je toch voor: terwijl ik hier rillend van de koorts in bed lig, staart een goedkope, uiterst ordinaire geestverschijning mij aan, een warrige, potsierlijke gedaante, die bezwerend zijn handen ten hemel heft, op een wijze die volstrekt vals en onoprecht is, alsof het bestaan van een stervend mens niets meer is dan een kleuterverhaaltje, een onterend ritueel, dat eindigt met de hopeloos banale woorden, die hier zonder enige schaamte worden uitgesproken: "Wees niet bang, Rense, wees vooral niet bang..."
En ik kijk ernaar, zwijgend, alleen nog maar gedreven door gewone, ordinaire nieuwsgierigheid, en ik zie het wonder gebeuren: Banaal, lachwekkend en carnavalesk.
Wat geeft het, denk ik, wees blij, want per slot van rekening had het nog veel erger gekund.

Erger?

Gelaten kijk ik omhoog naar de mysterieuze bezoeker die mijn wanhoop bezoedelt met zijn kille licht en ik hoop dat er iets gaat gebeuren, iets dat de banaliteit van het gebeuren wat minder groot zal maken, maar alles blijft stil, wat ik ook denk en doe, en het licht wordt killer en killer, en niets om me heen beweegt.
Zo drukkend en beklemmend wordt de dodelijk-stille leegte om me heen dat ik wanhopige pogingen in het werk stel om de talloze gemeenplaatsen, die aan situaties als deze het hoofd dienen te bieden, in mijn geheugen terug te roepen.
Maar het lukt me niet. Zelfs het primitieve wapen van het cliché schijnt me ontnomen te zijn, en als een klein weerloos kind, verlegen en uitermate kwetsbaar, wacht ik de loop der gebeurtenissen af.

Dan, plotseling, alsof een scherp, tweezijdig snijdend zwaard in razende woestenij op me inhakt, flitst er een verschrikkelijke gedachte door me heen.
"Je hebt verloren, Rense, want je zult jezelf niet langer kunnen bedriegen - het proces van doodgaan is begonnen!"
Op datzelfde ogenblik verdwijnt de spookachtige gedaante en ontredderd en beschaamd blijf ik achter: Naakt, vuil en koud, met geen ander gezelschap dan de dood.
"Het is begonnen", mompel ik, "al zou ik terug willen nu, het kan niet meer", en een oplaaiende angstvlaag snoert mijn keel dicht, zodat ik dreig te stikken, hetgeen me overigens in het geheel niet in paniek brengt - erg vreemd is dat.
"Het moet", fluister ik, "het moet", en gelaten vouw ik mijn handen ineen op mijn borst en ik sluit de ogen, om ongestoord mee te kunnen trekken met de wilde, bizarre beeldenstroom, die als een schetterend fanfarekorps op me afstormt:
Een zotte, bespottelijke kruistocht, met op mijn schouders de niet te torsen zwaarte van de dood.

deel 4.

 
Weemoedig kijk ik naar de zomers, die kalm en zonder enige noemenswaardige opwinding door mijn autonoom geworden bewustzijn glijden.
Niets gebeurde er in die dagen: Er was een stilte die rustgevend was en ik voelde me veilig, door niets en niemand bedreigd.
"Nooit zal mij iets overkomen", hoor ik mijzelf zeggen.
Hoe is het mogelijk? En toch heb ik het gedacht, zonder er ook maar een moment aan te twijfelen. Het klonk zo vanzelfsprekend, zo intens gewoon, maar ach, wat doet het er toe: ik heb zoveel gedacht, te veel wellicht - het is gebeurd en daar is in feite alles mee gezegd. Laat het verleden verder snellen, het is betekenisloos, slechts één ding is zeker: Het is voorbij!
Eén schot was genoeg om de breuk te beseffen, te voelen de oneindige leegte en te ruiken de zure, muffe stank, waar vroeger zoete bloemengeuren mijn hart vulden met leven, kinderlijk leven, dat ik geleefd heb in de volstrekte onbeduidendheid van een dronken vreugderoes, zwaaiend met de bonte slingers van een vertederende - maar hopeloos naïeve - onwetendheid.

Verbaasd trek ik opnieuw door de glooiende vlakten van het verdronken land in mijzelf met zijn sprookjesachtige felgekleurde gewassen, en vaag bespeur ik - zelfs nu nog - de bedwelmende geur van de trotse, ranke orchideeën, die mijn verbeelding op de meest onzinnige ogenblikken wist op te roepen, en ik hoor zowaar de rinkelende klank van opalen vergeetmenietjes, die ik heb geplukt met het kinderlijke enthousiasme van sprankelende lichtgelovigheid.

Hoe licht en dartel liep ik daar in mijn kinderlijke wonderland, zonder de zware last van de woorden die ik nu bij me draag.
Stil en met een haast mystieke voldoening heb ik genoten van de wisselende kleuren van de zon, van het magisch-spiegelende water in de sloten en rivieren, en de imponerend-schitterende wolkenluchten, die zich wijzigden op één enkel teken van mijn hand.
Nietsvermoedend roerde ik met een tak in het water, hurkend in het hoge gras, mijzelf koesterend in de armen van een schoonheid die mij zou worden afgenomen, gedwongen door de kracht van een wrede noodzakelijkheid in en rondom mijzelf.
Hoe weinig heb ik er van gemerkt, en desondanks ging het ongelooflijk snel.
Verdwenen waren ineens al die kleine, intieme gewaarwordingen, meegevoerd door de smerige, gluiperige angst, die je onverwachts overvalt, je als een giftige, moordlustige slang hypnotiseert, om je daarna weloverwogen de dodelijke beet toe te brengen.

Er viel niets te doen. Ik was een kind en ik kon mijzelf niet verdedigen. Een glinsterende droomwereld kent geen gif - maar helaas ook geen anti-gif...

Naakt en zonder enige bescherming stond ik tegenover mijn vijanden, hopend op een wonder, mijn vertrouwen stellend in het goede gesternte waaronder ik ongetwijfeld geboren was, hoewel het al begonnen was, genadeloos, alsof het een onderdeel vormde van een bizar proces, een stom en willoos functionerend perpetuum mobile, met als enig resultaat een donkere, trage onverschilligheid, die mijn eerst zo heldere blik verduisterde.
Toen het over me kwam veranderde er iets, ik weet niet wat. Lang heb ik naar mijzelf gekeken, heel lang en geconcentreerd, en ik verbaas me er over dat ik niet in lachen ben uitgebarsten, integendeel, op devote wijze mijzelf bleef observeren, zonder me te realiseren dat ik van nu af aan een onbegaanbaar pad zou moeten volgen, door een land dat niet langer van mijzelf was, niet naakt, niet onbeschermd, maar bepantserd met de potsierlijke grimas van een eigenaardig geluk, dat niets met echt geluk te maken had, in een spel zonder regels: nu eens huilend bij zinloos, opgedrongen verdriet, dan weer lachend bij het doorbreken van de zon, een vijandige, misvormde zon, die werd uitgebraakt door afzichtelijke monsters, die zichzelf in leven hielden met een onsmakelijke, onverteerbare woordenbrij.

Niets begreep ik van het wrede, harde cynisme dat me voortdreef in een wereld die woest en barbaars was, niet goedaardig ruw, nee, zelfs niet onbehouwen - erger - oneindig erger: listig en geslepen, zo sluw en uitgekookt, dat ik eerst nu besef hoe wreed dat alles was.

En zo dwaal ik nu door dode steden, door rumoerige straten die me vreemd zijn, vervuld van een peilloze radeloosheid, die met iedere langsrijdende auto nieuwe impulsen krijgt, zodat een onblusbare brand opvlamt in mijn hoofd, daarmee de laatste resten vernietigend van een absurde, meelijwekkende schoonheid: kinderlijke dromen over een pure, zuivere liefde - boven de zinnen, onvergankelijk, onverwoestbaar en eeuwigdurend.

Hulpeloos beweeg ik me door het chaotische schimmenwoud dat de wereld geworden is, verbijsterd door het oorverdovende lawaai om me heen, innerlijk verscheurd en desondanks grimassend met de anderen om niet verslonden te worden, huilend en vloekend, om niet gek verklaard te worden, met de vage hoop ooit een tegengif te zullen vinden, een wondermiddel dat moet bestaan en waarnaar ik met blinde hartstocht zoek, gedreven door de slopende moed van een wanhopige.

Kon ik het daar vinden?

Ik weet het niet, beangst als ik ben voor de huizen om me heen, onafzienbare rijen, weinig meer dan grijze, verveloze muren, ondergedompeld in schuimende watermassa's, en de grote drommen mensen voor en naast me, eigenaardige, vormeloze wezens die ver verwijderd zijn van een realiteit die in iedere vezel van mijn lichaam voelbaar is, een gigantische metamorfose van het bewustzijn, een verandering die zo ingrijpend is, dat ik me afvraag of een wending ten goede ooit nog mogelijk zal zijn.
Gruwend laat ik de huizen in elkaar storten om vol afschuw te ontdekken dat de dood zelfs hier zijn macht laat gelden:
Zonder een enkele kreet te slaken vallen de mensen neer, terwijl onder luid gekraak betonnen platen hun schedels pletten en ledematen worden afgerukt door ijzeren steunbalken, die na gedane arbeid hels piepend over elkaar schuiven en voor altijd verdwijnen in de grote wolken alles- en iedereen omhullende stof.

Er sterft niemand meer!
Alleen ik, ik alleen zou nog kunnen sterven. Als een trieste, aangrijpende jammerklacht zou mijn hartverscheurende gekerm de protestloze stilte doorbreken.
En dan...



wim duzijn, zwolle - holland