het grote
STERVEN


In mei van het jaar 1970, ik woonde in Amsterdam, op een zolderetage aan de Admiraal de Ruyterweg (nummer 175), werd ik getroffen door overweldigende gevoelens van melancholie. Je zou ook kunnen zeggen dat ik het allemaal niet meer zo zag zitten. Dat klinkt wat minder duur, maar de werkelijkheid waar je naar verwijst blijft natuurlijk precies hetzelfde.
Terwijl de wereld om mij heen op een materialistische wijze revolutie maakte, begon ik een vreemde, curieuze reis door de spelonken van een geest in verwarring: mijn geest...
Het spriritele proza (spiritueel gezien als verwijzing naar 'geestelijke bewustwording') dat in die tijd ontstond kan hieronder worden aangetroffen. Geen taal voor heiligen, omdat spritualiteit niet heilig is, maar taal voor mensen die weten dat geestelijk leven geboren wordt uit de dood - die altijd een reis is die een mens in zijn eentje maakt...


Nietzsche & het avontuur van de dood

"Het grote sterven komt onverwachts, als een aardbeving. Plotseling wordt de ziel aangegrepen door de heftigste aandoeningen, geschokt, losgerukt uit de banden waarin ze zich tot dan toe bevond, zonder te begrijpen wat er aan de hand is.
Een vreemde drift overmeestert haar, de wil, het verlangen ontstaat, weg te gaan, ergens heen, tot elke prijs, een heftige, gevaarlijke hartstocht om een nieuwe wereld te ontdekken laait op en benevelt alle zinnen.
'Liever sterven dan hier te moeten leven', roept de gebiedende stem in haarzelf vol verleidelijke overgave, en dat 'hier', dat 'thuis', is alles waar ze tot dan toe van hield.
Een plotselinge angstige argwaan tegenover alles wat 'plicht' heet, een oproerig, eigenzinnig, vulkanisch verlangen weg te trekken, een verlangen naar vervreemding, afkoeling, ontnuchtering, ijzingwekkende koude, een afkeer van liefde, wellicht een allesontwijdende blik op datgene, wat tot dan toe aanbeden en bemind werd, misschien ook een gloed van schaamte over datgene wat zij aan het doen is, en tegelijkertijd een vrolijk juichen, juist omdat zij het doet, een dronken, jubelend inwendig huiveren, dat duidt op een overwinning.
Een overwinning? Van wie? Van wat?
Een raadselachtige, problematische overwinning die veel vragen oproept - maar desondanks een overwinning!
Dergelijke overweldigende, smartelijke gebeurtenissen maken deel uit van het grote sterven..."

Friedrich Nietzsche
in: Menselijk, al te menselijk; een boek voor vrije geesten.

Hieronder de 4 eerste delen die in de vorm van PDF-bestanden gedownload kunnen worden.

Tegen een kleine vergoeding (5 euro) kan men in het bezit komen van het volledige manuscript van 'Het Grote Sterven', aangevuld met 'Zwaarmoedige gedichten 1969-1972' en 'Klein Amsterdams Dagboek'. Het betreft hier een EBOOK, ofwel een als EPUB-bestand. EPUB is een standaardformaat, geschikt voor alle E-book-readers.

Bezit van een E-book-reader is niet noodzakelijk. Diegenen die niet beschikken over een E-book-reader kunnen gebruik maken van gratis te downloaden softwareprogramma's zoals CALIBRE en DIGITAL EDITIONS van ADOBE. Daarmee kunnen EPUB-bestanden binnen de gewone desktopcomputer-omgeving worden gelezen.


deel 1.

Lang heb ik er over nagedacht, erg lang, en toch kan ik het alleen maar laten gebeuren, in stille berusting mijzelf overleveren aan een werkelijkheid die in steeds meer dimensies uit elkaar valt, als was het een verwarrende en uiterst gecompliceerde droom.

Ja, ik zal niet langer proberen er een andere naam voor te vinden: het is een droom, wat ook de anderen ervan zullen zeggen, voor mij is het genoeg, ik wil ik er verder niets meer over weten - er valt ook niets te weten.
Simpelweg zal ik alles ondergaan. Noodgedwongen wellicht. Omdat het te laat is voor een reddende ingreep.
Niemand in de hele wereld zal mij nog kunnen helpen. Voor de wereld ben ik dood!

deel 2.

 
Voldaan leun ik achterover in de stapel dunne, platgedrukte kussens die overtrokken zijn met onwezenlijk-gebloemde slopen, alsof iemand een feestelijke sfeer wil oproepen in een donkere kelder vol grafzerken, en ik bestudeer vol verbazing de grillig gelijnde sporen die het warme, kleverige bloed, dat traag uit een diepe borstwond sijpelt, over mijn naakte armen en benen getrokken heeft.
Vaag bespeur ik diep in mijzelf het verlangen op te gaan in de bedwelmende illusie van rode en blauwe sterrenspiralen, weg van het ontmoedigende, pijnlijke weten, maar al snel verdwijnt die gedachte en blijf ik achter met een benauwend besef van leegte, een onmachtig gevoel, dat zich niet weg laat duwen, brutaal en cynisch mij lastig valt en me terugwerpt in mijzelf, gevangen in de beelden van een verknoeid en verspild leven, verscholen in een kleine kamer, die in al zijn kleinburgerlijke benepenheid mijn laatste rustplaats zal zijn.

Ach, hoe dierbaar was mij eens het leven.
En nu dit: een laatste rustplaats. Alsof mijn zoeken daar op was gericht.
Alsof..., tja, alsof ik moe ben - volledig uitgeput en opgebrand...

Moe? Ik?

Lusteloos staar ik naar een hoek van de kamer, waar een witte nevelwolk een vreemde, onnatuurlijke glans verleent aan alle voorwerpen die eens mijn bestaan uitmaakten. Koel en onbewogen staren ze me aan, al die nuttige dingen, die ik verzamelde met het serieuze voornemen daarmee op dappere en koelbloedige wijze mijn artistieke levenstaak te vervullen, een grootse taak natuurlijk, een trotse en hero´sche opdracht, door welwillende Goden geschonken aan mij: Rense, scheppend kunstenaar...

Mijn God: de waanzin!
Wat heb ik me op een stompzinnige wijze ingespannen. Alsof ik het niet voelde. Alsof ik helemaal van niets wist.
Waren de voortekenen dan niet duidelijk genoeg?
Als een verblinde idioot heb ik mezelf vastgeklampt aan het leven, terwijl alles er op wees dat het gebeuren zou, dat op een kwade dag mijn leven afgesneden zou worden van de werkelijkheid van de anderen - kapotgetrapt, vergruizeld en versplinterd.
Onheilspellende, duistere emoties welden op uit de troebele diepten van mijn ziel en overspoelden me met afkeer en diepe, intense ontevredenheid.
Waarom wilde ik het niet toegeven? Waarom probeerde ik op nonchalante wijze de moeilijkheden weg te wuiven?
Ik begrijp het niet - het is alles zo duidelijk nu.
Vreemd, het was er en ik zag het niet. En toch zat ik er midden in: Ik werkte al geruime tijd niet meer.

Nu weet ik het. Maar wat stelt dat weten voor? Als een klein, onbeduidend schepsel lig ik hier, in al mijn bittere naaktheid weggedoken onder een paar dekens, en ik zing, zoals men dat verwacht van een kunstenaar die gek geworden is, een zoete lofzang op de nietsonthullende werkelijkheid, onder de nieuwsgierige blikken van een geheimzinnige verschijning, een schertsprodukt wellicht van mijn waanzinnige geest, die gehuld in een sprookjesachtige nevelmantel mijn rommelige zolderkamer is binnengedrongen, juist op het belangrijkste moment van mijn leven, nu alles om me heen versplintert en vergruizelt in mijn koude, machteloze handen.

Het deert me niet. Wat kan mij nog overkomen? Er is geen weg terug. Wie dat weet, die heeft geen zorgen meer.
Het zal aflopen, gewoon, in alle eenvoud en bescheidenheid, zonder het overdonderende geweld van uitbundige genialiteit, binnen de behaaglijk-intieme beslotenheid van deze walgelijk-nuttig-ingerichte werkkamer.
Heel even een moment van pijn. En dan...
Tja. Wat dan?

Tevredenheid? Ik weet het niet. Nee, ik geloof niet dat het dat is. Het is iets anders. Een vreemd gevoel, dat ik zou willen beschrijven, maar dat ik niet kan beschrijven, omdat ik er geen macht over heb. Ongewild komt het over me, dat vreemde, merkwaardige gebeuren dat zich aan het voltrekken is, en ik ervaar het als een beklemmend gevoel van bitterheid, ook al is dat niet de juiste uitdrukking ervoor, een sombere stemming die strakke lijnen trekt in je gezicht, zodat je denkt: Je zou eigenlijk moeten lachen, terwijl je niet kunt lachen, omdat je gezicht je vertelt dat je zwaarmoedig bent.

Zou het misschien teleurstelling zijn? O God, nee, dat niet, niet op dit onzinnige ogenblik, laat het zover alsjeblieft niet komen. Het allerlaatste stadium van een verloren leven dat bedolven wordt onder een beschamende last van grootse verwachtingen, kleurige visioenen en triomfale vergezichten, dat is om in krankzinnig lachen uit te barsten - nee, dat kan en mag ik niet toelaten.
Vergeten moet ik dat alles, het vernietigen, alsof het een venijnig stekend insekt is. En het weinige dat overblijft zal ik samenballen in deze ruimte, met inbegrip van mijzelf, zoals ik hier lig: dodelijk gewond, walgend van de pijn en de stank binnen in mijzelf, met daarbuiten, gevangen in de alledaagse werkelijkheid van een bestaan dat voorgoed voorbij is, het harde, koude licht van de waanzin, die zich heeft gematerialiseerd, niet als een fantasierijke goddelijke verschijning waarmee je in gekkenkringen mogelijk goede sier zou kunnen maken, maar als een simpele huis- tuin- en keukengeest, temidden van met stofflarden overdekte schilderijen, gebroken vaatwerk, versleten meubilair en een stevige, uiterst robuuste werktafel, die ik in een vlaag van protserige zelfvoldaanheid heb aangeschaft omdat hij - zoals men mij verzekerde - een leven lang mee zou gaan...



wim duzijn, zwolle - holland