Gerard Reve & De Dood

strenge bespiegelingen over god, religie en de liefde

Naarmate ik ouder word, wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord,
steeds enkelvoudiger van inhoud:
Liefde (of geen Liefde), en ouder worden, en dan de Dood

Gerard Reve (Amsterdam, 14 december 1923 – Zulte, Oost-Vlaanderen, 8 april 2006), geboren als Gerard Kornelis van het Reve, was een Nederlands schrijver en dichter.
Zijn bekendste werken zijn De Avonden (roman, 1947), Werther Nieland (novelle, 1949), Op weg naar het einde (epistolair proza, 1963) en Nader tot U (proza, 1966).
Samen met Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans wordt hij tot De Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse schrijvers gerekend.

Wat men ook op de schrijver Gerard Reve aan kan merken, niet te ontkennen valt dat hij een van de weinige Nederlandse schrijvers is, die zich bezig heeft gehouden met twee zeer belangrijke zaken in het leven van de mens: De Liefde en de Dood.
Nu is dat niet zo'n geweldig groot compliment, omdat het heel goed mogelijk is je te verdiepen in belangrijke zaken, zonder dat je ooit aan een wezenlijke verdieping van het eigen bestaan toekomt.
Ook priesters en dominees hebben het gebied van de liefde en de dood tot hun specifieke werkterrein uitgeroepen, zonder dat zij ooit de abstracte werkelijkheid van het heilige woord konkreet maken, door vanuit het schimmige wolkenrijk van de schone illusies neer te dalen op de aarde, alwaar men kalmpjes en zonder overdreven opwinding rond kan lopen, uiterst simpel en met de beide voeten stevig op de grond.

Het begint er op te lijken dat Gerard Reve, in navolging van al die kleingelovigen, die alleen maar kunnen (en willen) praten over belangrijke, heiligverklaarde zaken, niet weg wil stappen uit zijn quasi-mystieke wolkenrijk, alsof hij bang is voor de harde, nuchtere werkelijkheid, die mogelijkerwijs niet mysterieus genoeg is en hem wellicht zelfs zou kunnen dwingen afstand te doen van het religieuze speelgoed dat een irreële, dweepzuchtige wereld hem op wellustig-gulle wijze aanreikt.

Gerard Reve houdt van speelgoed, dat is een uit zijn kinderlijk-naïeve karakter voortvloeiende eigenschap waar het katholicisme handig op inspeelt.
In bepaalde opzichten is Gerard Reve een groot kind dat het liefst wil leven in een kinderkamer, die van onder tot boven is volgestapeld met de meest bizarre speelgoed-beesten, het ene nog groter en massiever dan het andere, zonder te beseffen dat een dergelijke fanatische verzamelwoede gevaarlijk is, want ook het fameuze Paard van Troje was een speelgoedbeest, een vakkundig gemaakt hebbeding, dat vol enthousiasme door de juichende Trojaners werd binnengehaald, maar dat desondanks de ondergang van de stad Troje bewerkstelligde, omdat het van onder tot boven was volgeladen met vijandelijke soldaten.

Al spelend haalt het volwassen kind Gerard Reve de vijand binnen in zijn bestaan: Niet een simpele, agressieve of meedogenloze jongen, niet een vijandige soldaat, met wie je kunt praten, met wie je kunt vechten en die je in een afmattende krachtmeting tot je vriend kunt maken, zoals je ook een wild dier temt, nee, hij haalt zich met zijn ogenschijnlijk kinderlijke grappenmakerijen een volledige kerkgemeenschap in huis, die zich tijdens een eeuwenlang onderdrukkingsproces geworteld heeft in de vruchtbare voedingsbodem van een zeer duister collectief-kleinburgerlijk onderbewuste: de Rooms-Katholieke kerk...

Ik heb het rijk alleen, merkt hij in het gedicht 'Boekenweek 1973' op. Het rijk alleen... Je moet maar durven met een paar miljoen biddende en zingende gelovigen in je huis.
Op een duidelijke wijze manifesteert zich hier het zweverige, chaotische en inconsequente karakter van Gerard Reve, een karakter waarop hijzelf het etiket ‘romantisch-decadent’ heeft geplaatst, hetgeen als een treffende omschrijving mag worden aangemerkt.
Met miljoenen mensen samenklonteren in een klein, benauwd achterkamertje en dan beweren dat je het rijk alleen hebt...
Dat is in strijd met de nuchtere wetten van het degelijke, gezonde verstand, dat mogelijk niet altijd de waarheid in pacht heeft, maar dat in het geval van Gerard Reve een noodzakelijke voorwaarde is voor het herstellen van een door de kleinburgerij (mensen met een klein denkraam) verstoorde orde.
Gerard Reve is een chaotische man, die nooit echt contact heeft kunnen maken met de wereld van het gezonde verstand, een wereld van nuchtere regelmaat en orde, die hem in staat kan stellen uit te groeien tot een kritisch, zelfbewust mens.
Zijn God, dat zou een uiterst strenge, verstandelijke God moeten zijn, een beeldenstormer met een meedogenloze, welhaast calvinistische mentaliteit, die al zijn religieuze prullalaria, inclusief de muisgrijze ezel met de fameuze 'geheime opening' met een zware moker aan stukken slaat, onder het ijzingwekkend strenge motto: "Wil jij de Dood beste man? Welaan, dan krijg je nu de Dood...!”

Huilend zal de arme katholiek-decadente Gerard vanuit de bij-keuken van het huis dat hij met eigen handen in een onherbergzame streek in Frankrijk heeft gebouwd moeten toekijken hoe zijn meest dierbare bezittingen worden weggesleept.
Dodelijk verbouwereerd staat hij daar met een van angst vertrokken gelaat, en handenwringend ziet hij toe hoe al zijn idolen en religieuze geheimen aan gruzelementen worden geslagen door de strenge, alles-ontheiligende meedogenloze jongen, die hij zijn leven lang heeft aanbeden, maar die hij tegelijkertijd ook grenzeloos heeft gehaat, omdat hij in feite niet sterven wilde, gewoon, uit angst voor de leegte van een door God verlaten, mysterieloos bestaan.

Wat moet een mens met een romantisch, dweepzuchtig karakter beginnen zonder sentimentele heiligenbeeldjes, zonder een Goddelijke Moeder die hem beschermt en zonder die eeuwig aanwezige, maar nooit zichtbare God, die ooit, ter wille van de bevrijding en de verlossing van een in duisternis gedompelde mensheid 'mens' werd, maar die van zijn navolgers voortdurend te horen krijgt dat hij zijn opmerkelijke verlossingsdaad nooit meer mag herhalen?
Wat moet hij zeggen tegen een meedogenloze jongen, die veel meer kwaliteiten bezit dan een stout jongenskontje, dat uitdagend in een strakgespannen broek is gestoken?
Zo'n strenge, meedogenloze jongen slaat je niet met zijn broekriem op je wellustig omhooggestoken kont, nee, zo'n jongen neemt je, juist omdat hij meedogenloos is, alles af, en hij is waanzinnig streng, zo streng dat je er als romantisch-decadent dweper gewoon bang van wordt.
Strengheid, daar heeft Gerard Reve altijd tegen gevochten, hoewel hij er tegelijkertijd een diepe bewondering voor heeft.
Zijn grootste tegenstanders trof hij aan in het strenge, meedogenloze calvinistische kamp, want daar ligt blijkbaar de Goddelijke wereld die hij zoekt: bij de strenge bestrijders van zijn bij elkaar gelogen werkelijkheid.
Nooit heeft hij begrepen dat hij in de strijd met die meedogenloze vijand niet moest overgaan tot een terugtocht in de dweperige wereld van een kerkgemeenschap die weliswaar zekere geloofsmysteries kent, maar die niet in staat is het Goddelijke Mysterie van de eenwording te begrijpen: het opheffen van de kleinburgerlijke schizofrenie, die tot uiting komt in verzuiling, versplintering en blinde, collectieve mensenhaat.

Nee, als hij dan toch godsdienstig zou willen zijn, dan zou hij lidmaat moeten worden van een strenge protestantse kerkgemeenschap.
De eenzijdig mannelijke, aan giftige vooroordelen gebonden protestantse God zal hij dan moeten omvormen tot een meedogenloze jongen, want zo een jongen heeft Gerard met zijn chaotische, dweepzieke karakter nodig: een jongen die hij zachtheid schenkt en die hem in ruil daarvoor de hardheid geeft die hij nodig heeft om uit te groeien tot een volledig, evenwichtig mens, die in staat is de morele druk van een negatief ingestelde wereld te weerstaan.

Evenwicht veronderstelt het bestaan van twee polen, die weliswaar tegengesteld zijn, maar die desondanks niet zonder elkaar kunnen bestaan. Zonder de een raakt de ander op drift, en hij blijft net zo lang in die toestand van onzekerheid en rusteloosheid verkeren, tot hij de ander als noodzakelijke tegenpool erkent.
Zelfs de aarde kent twee polen: een noordpool en een zuidpool, maar Gerard Reve doorbreekt de nuchtere logica die aan ons bestaan ten grondslag ligt en hij probeert een wereld op te bouwen die enkel en alleen uit zuid-polen bestaat, zonder te beseffen dat gelijkgerichte polen nooit bij elkaar kunnen komen in een wereld die alleen een toestand van harmonie kan bereiken wanneer aan elkaar tegengestelde krachten samenwerken. .

De God van de katholieken is een God waarmee Gerard Reve nooit in contact zal kunnen treden, omdat het een gelijkgeaarde God is, en hij heeft juist een God nodig die anders is, afstotend op het eerste gezicht, maar juist daardoor in staat de beperkingen van het eigen bestaan op te heffen, omdat die God allerlei eigenschappen bezit die bij hem niet, of in te geringe mate, aanwezig zijn.
Een lieve jongen met een streng, d.w.z. Saturnaal karakter (een karakter dat op karikaturale wijze werd uitgedragen door de kleingeestige protestantse gemeenschappen die hem als zijn grootste vijand beschouwden), heeft de Boogschutter Gerard Reve nodig, om zodoende samen op weg te gaan naar het Intelligente Rijk van het Midden, waaraan religieuze dwepers de bijzonder onrealistische term 'het koninkrijk der hemelen' verbonden hebben.
Die jongen zegt tegen hem, met een stuurse, afwijzende trek om de mondhoeken: "Waarom noem je jezelf op zo’n kinderachtige wijze 'Gerard Reve', je staat toch bij de Burgerlijkje Stand ingeschreven onder de naam 'Gerard van het Reve'?"
Die jongen blijkt een tijdlang met een zekere norse onverschilligheid neer op het kleine Maria-altaar met zijn eeuwig brandende gloeilamp, en merkt tenslotte op: "Als je zonodig iemand wilt vereren, hang dan mijn foto aan de muur, en gooi in godsnaam al die heiligenbeeldjes weg..: vooral die afgrijselijk-fatsoenlijke, heilige moeder in haar eeuwig-blauwe gewaden, want mijn God, de meeste moeders hebben hun ziel en zaligheid in handen gegeven van duistere burgermansluitjes die alle moederlijke, beschermende krachten kapotwalsen bij het najagen van hun onbenullige, aan macht en hol vertoon gebonden idealen, dus wat koop ik voor die flauwekul?"
Maar nee, Gerard Reve is niet in staat de macht van de duisternis te breken. Hij noemt zichzelf 'Rooms' en hij sluit zich daarmee op in een wereld, waarin hij de god die hij zoekt, de strenge, meedogenloze jongen, die ondanks zijn koele afstandelijkheid de Reviaanse warmte hard nodig heeft, nooit zal ontmoeten, omdat die ander nu eenmaal tot een andere wereld behoort.

Dat is de meest-wezenlijke tragiek van het menselijke bestaan. Wie een ander zoekt, kan er bijna zeker van zijn dat die ander niet gevonden zal kunnen worden in de veilige, vertrouwde eigen kring.
Zoals Christus rust en geborgenheid zal moeten vinden in de schoot van 'de Satan' (Van het Reve brengt zelf dat inzicht naar voren in zijn 'Pleitrede voor het Hof', waarin hij stelt dat zelfs de in duisternis geketende tweelingbroeder van Christus, de Satan, werkelijk God is..), zo kan Gerard Reve rust vinden bij zijn tegenstanders, die in staat zijn, samen met hem, het uit elkaar gevallen Rijk van het Midden te herstellen.
De bangelijke, alles en iedereen veroordelende protestantse God staat dichter bij hem dan de katholieke Paus van Rome, zoals de Satan dichter bij Christus staat dan wie ook in deze wereld.
Dat is een waarheid die Gerard Reve weliswaar niet ontkent, maar die hij niet ten uitvoer kan brengen, juist omdat hij voortdurend wegloopt van een Dood, die hij in zijn verzen op een welhaast hysterische wijze bezingt.
Natuurlijk, zijn protestantse vijanden zijn de gevangenen van een door en door vervuilde wereld (de absurde wereld die Samule Beckett oproept in zijn literaire werk), maar dat is Gerard Reve zelf toch ook? Noemt hij de katholieke wereld, de wereld van de 'ware kerk', niet steeds een waanzinnige, smerige leugentroep?
Wat doet het ertoe wie of wat je bent. Juist het besef dat je zo en zo bent kan je ertoe brengen afstand te doen van een werkelijkheid, waarmee je jezelf in feite niet meer kunt identificeren.


Wie oog in oog heeft gestaan met de Dood, die is een ander mens geworden.
De Dood vernietigt de holle oppervlakkigheid van een op bluf en holheid gebouwde burgermanswereld.
Welk nut heeft een gigantisch paleis, wanneer de Dood morgen voor de deur staat?
Wat betekent een literaire prijs, wanneer je weet dat je morgen zult Sterven?
Waarom een ander haten die net zo kwetsbaar en machteloos is als jij bent in dat vreemde, geheimzinnige grensgebied van het menselijke bestaan waar de Dood regeert?
Wanneer twee vijanden het grensgebied van de Dood betreden komen zij tot de ontdekking dat zij bij elkaar horen, dat zij elkaar zelfs nodig hebben en dat zij zonder elkaar niet eens kunnen bestaan.
Door de haat van de ander leert men zichzelf en de eigen meest wezenlijke behoeften vaak het beste kennen.
Blinde, destructieve haat, die niet constructief aangewend kan worden beheerst de kleinburgerlijke wereld, die het contact met het Rijk van het Midden verloren heeft.
Daarom juist roept het Evangelie op de wereld te overwinnen.
Je vijanden liefhebben kan alleen betekenisvolle realiteit worden in een situatie waarin je in staat bent de ander als Mens te zien, een wereld waarin egoïstische, op sex beluste flikkers de strenge Saturnale waarden van het calvinisme (degelijkheid, trouw en monogamie) leren waarderen, een wereld waarin socialisten inzien dat mystiek en astrologie waarheden bevatten die de eigen beperkte kijk op het leven kunnen verruimen, een wereld ook, waarin niet langer een misdadige schizofrene God het morele recht wordt gegeven alles wat intelligent, gevoelig en redelijk is kapot te slaan.

In zo'n wereld kan de schrijver Gerard Reve een vers maken dat inhoudelijk het tegendeel is van het gedicht 'Scheppend Kunstenaar'. Schrijft hij daar:

Naarmate ik ouder word,
wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord,
steeds enkelvoudiger van inhoud:
Liefde (of geen Liefde),
en ouder worden,
en dan de Dood.


In de situatie van wereldoverwinning (een toestand die alleen daar kan ontstaan waar mensen bereid zijn de holheid van een oppervlakkig leugenbestaan op te geven) zou hij kunnen schrijven:

De Dood (alleen de Dood),
en dan de Liefde!


Nu komt hij aan dat inzicht niet toe. In het gedicht 'Uit mijn leven' zegt hij:

In verre droom verschijnt mij 's nachts de Glorievolle Maagd,
die ik beloof ter bedevaart te gaan...,
Ik ren voor de Dood uit, ademloos.


Jezelf laten inhalen door de Dood, die strenge, somber blikkende man met een zeis in de hand, zoals je hem ziet afgebeeld in astrologieboeken bij beschrijvingen van de planeet Saturnus (waar het zo zwaarbeladen begrip Satan naar verwijst..), daar denkt Gerard Reve niet aan.
Zoals ieder ander mens is hij bang voor de Dood, omdat de Dood je alles afneemt en je op een meedogenloze wijze plaatst in een groot Niets waaruit al het oude vertrouwde is verdwenen, al datgene waaraan je zoveel waarde hechtte (ja mogelijk zelfs je vader, je moeder, je vrouw en je kinderen), terwijl je niet begrijpt dat die 'leegte' noodzakelijk is, omdat een volwassen wereld je heeft geleerd onbelangrijke zaken hoger te achten dan de zaak waar het werkelijk om gaat: de bevrijdende, verlossende Liefde, die binnen een verzuild, versplinterd burgermanssysteem nooit gevonden zal kunnen worden.

In dat geval kan Gerard Reve's gedicht 'Credo' een echte geloofsbelijdenis worden:

Niets te verwachten, niets te hopen,
Er rest mij niets dan duisternis en Dood.
Ik zie het, maar ik wankel niet: Wie gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn bloed.


In die situatie, waarin je alles achter je hebt gelaten en waarin je geen enkele behoefte meer hebt aan het bedrog van ideologen, nihilisten, heterosexuelen en homosexuelen, die nooit op zoek gaan naar 'de Ander', is het mogelijk dat God naderbij komt, mogelijk met een wat ironische, spottende trek om de lippen, een beetje stuurs wellicht, of kwaad zelfs, terwijl hij mompelt:
“Kon het godverdomme allemaal niet wat gewoner? Moest je je nu echt zo verschrikkelijk aanstellen om mij duidelijk te maken dat je van me houdt?
Wie Gij Ook Zijt.., mijn hemel, gooi die vervloekte protserige hoogdravendheid eens van je af. Een mens kan toch niet leven in een kil en tochtig kerkgebouw? Wie laat er zijn beste vriend nu op zo’n harteloze wijze in de kou staan?
Woon jij dan ook in een kille kerker? Ik dacht dat jij met je werk een boodschap van Verlossing wilde brengen? Maar hoe wil je een ander verlossen, wanneer je niet bereid bent hem te zien als een gewoon mens, een verstandige, nuchtere kerel, die doodziek wordt van het zinloze gelul van heiligenaanbidders en die smacht naar de aanhankelijkheid, de zachtheid en de lichtvoetige humor, die je in zo’n overvloedige mate bezit.
Waarom vrolijk je mij niet op, in plaats van me steeds opnieuw neer te werpen in een kille, kleinburgerlijke wereld van zonde en slechtheid, waaruit een ontsnapping niet mogelijk is?
Waarom neem je de barrière die tussen ons bestaat niet weg, in plaats van haar te vergroten?”

De schrijver Gerard Reve kijkt de strenge, nuchtere God op een kinderlijk-schuldbewuste wijze aan. Toneelspel zal hem hier niet helpen. Daarom denkt hij bij zichzelf: "Het is waar. Ik heb inderdaad nooit echt rekening gehouden met Hem. Ik heb me als een idiote clown aangesteld en Hem bekogeld met een onzinnige woordenbrei zonder te begrijpen dat je een God met een ernstig karakter op een geheel andere wijze moet benaderen."
"Nu is dat voorgoed afgelopen", prevelt hij, en hij perst de lippen woedend op elkaar. “Van nu af aan wordt er niet langer meer op een oeverloze wijze gezwamd en geluld, nee, nu maak ik werkelijk korte metten met alles. "Nu" (en hij zegt het eigenlijk weer veel te theatraal), "nu geef ik mijzelf volledig over aan de Dood...”

(Zwolle, 26 mei 1990)



wim duzijn, zwolle - holland