Heldhaftig, Vastberaden en Barmhartig
een boek voor doodgewone mensen


PREAMBULE
voorwoord van een gelukkig mens



een Amsterdamse roman



1.

Ik ben een gelukkig mens.
Heel eerlijk durf ik daar als doodgewoon mens voor uit te komen. Ja, bij alles wat me heilig is zweer ik dat het de waarheid is. Ik ben niet langer bang om mijn anders-zijn toe te geven. Die angst heb ik overwonnen.
O, geloof me, het was niet gemakkelijk die stap te zetten: heel gewoontjes erkennen, in alle eerlijkheid en oprechtheid, dat je gelukkig bent. Dat vergt echt wel moed en vastberadenheid er natuurlijk heel veel doorzettingsvermogen.
Maar, zoals u merkt, ik heb mijn aanvankelijke zwakheid als een nutteloos en onbruikbaar rekwisiet terzijde geschoven en ik sta hier dan ook dapper en met open vizier voor u: Als een eenzaam vertegenwoordiger van de onderdrukte bevolkingsgroep der ‘gelukkige mensen’.
Onderdrukte bevolkingsgroep?, hoor ik sommige mensen denken en dan kan ik alleen maar antwoorden: Jazeker, niemand die in deze wereld erger gediscrimineerd wordt dan een ‘gelukkig mens’. Laat ik proberen uit te leggen wat ik bedoel…
Kijkt u eens: ‘Geluk’ is in deze wereld niets meer dan een abstractie in handen van elkaar rivaliserende groepen mensen.
‘Geluk zal de mens op aarde niet vinden’, beweren religieuze mensen. Je bent alleen maar gelukkig in de hemel.
‘Gelukkig wordt de mens eerst in onze nieuwe heilstaat’, stellen vals-optimistische socialisten en marxisten en andere utopisten. ‘Geluk bestaat helemaal niet’, roepen melancholici en gefrustreerde intellectuelen...
Kortom: een mens, die niet religieus is, geen socialist of marxist en ook geen gefrustreerde intellectueel, iemand zoals ik dus, een buitenbeentje dat alleen maar op een simpele, gewone wijze ‘mens’ wil zijn, zo van ‘o wat ben ik gelukkig dat ik een doodgewoon mens ben…’, die bestaat in hun ogen niet, sterker nog: Die mag in hun ogen niet bestaan.
Gewoon, eenvoudig geluk is in hun eeuwig ‘bijzondere’ wereld ongeluk.

Lange tijd heb ik op grond daarvan mijn eigen identiteit onderdrukt. Ik geloofde werkelijk dat ik als gewoon mens niet gelukkig mocht zijn, gewoon dus, in heel mijn volheid, zoals ik ben en moet zijn, en ik verstopte mijzelf, uit angst voor de anderen.
Hoe kun je nu op zo een simpele manier gelukkig zijn?, vroeg ik mezelf af. De anderen zullen je uitlachen en uitjouwen en je toeroepen dat je een geschifte naïeve dromer bent, een oppervlakkige grappenmaker, die de ernst van het leven niet onder ogen wil zien.
Ja, het heeft erg lang geduurd voordat ik inzag hoe onzinnig die vraagstelling in feite was Jarenlang zat ik in mijn studeerkamer te tobben en te piekeren, steeds maar weer mezelf afvragend of ik nu wel of niet een gewoon mens kon zijn, heel serieus en gewetensvol.., en dan druk ik me zacht uit, want het was werkelijk afgrijselijk extreem en zo buitengewoon dat ik er ongelukkig van werd.
O, u kunt zich niet voorstellen hoe ellendig ik me soms voelde met mijn simpele gewone mensengeluk. Steeds als ik in lachen uitbarstte keken drommen ongelukkige mensen mij verwijtend aan, alsof ze bij zichzelf dachten “Waarom lacht die simpele vent zo verschrikkelijk uitbundig?”
Op het laatst ging ik me gewoon schuldig voelen, want ik moest lachen; dat was een soort innerlijke drang in mezelf. Om het minste of geringste kan ik lachen, dat gaat bijna automatisch, ik weet echt niet hoe het komt. Het gevolg daarvan is dat ik de bijzondere mensen om me heen maar even hoef aan te kijken of ik barst in onbedaarlijk lachen uit.
Bij begrafenissen en in het algemeen bij ‘plechtige gebeurtenissen voel ik die drang altijd het sterkst, heel vreemd is dat.
Ik herinner ik me nog heel goed de dag waarop mijn overleden grootmoeder lag opgebaard in een deftige, met witte en paarse bloemen volgepakte rouwkamer.
U kunt zich wel voorstellen hoe het daar toegaat, denk ik. Alle aanwezigen blikten overdreven ernstig voor zich uit, stijfjes op een stoel, of in een groepje bij elkaar. Een paar tantes hadden zelfs hele dikke tranen in hun ogen staan, van die weke, opdringerige tranen, ik weet niet of u ze kent. Het is een speciaal soort. Het zijn geen verfijnde tranen, zoals je ze wel ziet hij mensen die huilen van het lachen of van ontroering, want dat zijn mooie, fonkelende, lichtende tranen, die snel wegrollen langs de wangen, tintelend en speels, heel los en levendig, als waren het gesmolten druppels zilver.
Nee, de tranen die ik daar zag waren lomp en dik: geen druppeltjes maar van die walgelijke, vette droppen, die voortdurend groter worden, tot ze het hele oog opvullen en niets meer zijn dan een vormeloze vloeistofmassa, die het oog misvormt en het doet lijken op een vissenoog — heel waterig en week en uitdrukkingsloos…
En als het oog dan helemaal is ingebed in dat weerzinwekkende vocht, dan treedt er plotseling een soort overstroming op: het water loopt over de oogrand heen en vormt een slijmerig spoor op de wangen..; en dat noemen ze dan huilen...
Nou, ik wil het eerlijk bekennen: ik geloof daar niet in. Toen ik mijn tantes daar zo zag zitten, allemaal met van die kille vissenogen, toen moest ik onwillekeurig aan Artis denken, die grote dierentuin in Amsterdam. En u kunt me geloven of niet,maar op dat moment zag ik tientallen krokodillen voor me, met wijd open gesperde bekken, en ik begreep ineens waarom mensen spreken over ‘krokodillentranen’, want dat waren de tranen van mijn tantes, die met opengesperde bekken in het water zwommen, tenminste, zo ervoer ik het, en die gedachte was zo komisch, dat ik schaterde van het lachen, of nee, een hikkend geproest was het eigenlijk, want ik wist dat ik in deze plechtige omgeving niet mocht lachen; en juist daarom werd het steeds erger.
En al die lijdende, ongelukkige tantes van me staarden me maar aan met hun opgezwollen vissenogen en de verontwaardiging die achter hun tranenwalletjes zichtbaar werd zag er ongelooflijk gek uit, want het kon helemaal niet, ik bedoel,al die gevoelens tegelijkertijd: naar me kijken, nieuwsgierig zijn, verontwaardigd, geschokt, kwaad, maar ook sereen, bedroefd en geresigneerd zijn….
En toen ze tenslotte zich van me afwendden en druk met elkaar gingen zitten roddelen, nou, toen ik dat zag: hoe ze elkaar met de ellebogen aan zaten te stoten en naar me wezen met hun zwart behandschoende vingers, terwijl ze me met hun bedroefde waterige ogen op een heel geniepige wijze aanstaarden, nou, echt hoor, toen ben ik schokkend en snuivend naar de kist met het lijk van mijn grootmoeder gestrompeld, alleen maar om weer wat op adem te komen.
En weet u wat er gebeurde toen ik mij over de kist heen boog…?
Mijn dode grootmoeder opende haar ogen en ze knipoogde me uitermate vriendelijk toe en ze fluisterde: “lieve jongen van me, jij bent de enige hier die op waardige wijze afscheid van mij neemt en daar ben ik erg blij mee.” En daarna werd ze weer helemaal stijf, maar niet lijkwit want ze hadden haar gezicht door de begrafenisonderneming oranje laten kleuren, en ik wist werkelijk niet of ik nu gedroomd had of niet; maar desondanks was het een uiterst opmerkelijke en eigenlijk ook wel leerzame ervaring voor mij.

2.

Nu ik dat verteld heb en u dus weet dat ik een heel gewoon, maar uiterst gelukkig mens ben, die zich niets aantrekt van het rancuneuze ongeluk van alle buitengewone en bijzondere mensen om me heen, vals-moralistisch ongeluk, dat er op gericht is alles wat eenvoudig is te vernietigen, wil ik overgaan tot het vertellen van mijn verhaal, want daarom sta ik hier voor u.
Het is echt niet mijn bedoeling om luid en hard te schreeuwen dat ik zo verschrikkelijk gelukkig ben, want daar heeft niemand wat aan.
Nee, dacht u dat ik niet wist dat de meeste mensen het helemaal niet op prijs stellen wanneer iemand hen toeroept dat hij gelukkig is? Zoveel mensenkennis bezit ik wel om te beseffen dat vrijwel alle mensen, hoe goed en vriendelijk ze er ook uitzien, diep in hun hart jaloers en wraakzuchtig zijn. Daarom zal ik mijn best doen om mezelf in te tomen, zodat u niet bij uzelf gaat denken: “Bah, wat is dat voor een verwaande kwast, die ons durft lastig te vallen met een berg smerig geluk? Denkt die wereldvreemde gek nou echt dat wij met al onze goede en mooie plannen ongelukkig zijn…?”
Nee, het is niet mijn opzet u lastig te vallen met holle leuzen en spreuken. Ik wil u als gewoon mens een onmerkelijk verhaal vertellen, meer niet. Vergeeft u mij dus als mijn betoog naar uw mening wat te lang uitvalt. Ik zal mijn uiterste best doen om me zo bondig mogelijk uit te drukken.

3.

Wat heeft een ‘gelukkig mens’ ons te vertellen?, dat zullen veel lezers zich afvragen en ik wil daar graag op ingaan.
Kijkt u eens: wat ‘ongeluk’ is, dat hoef ik niemand te vertellen, dat weten we allemaal. Alleen al de vraag ‘wat heeft een gelukkig mens te vertellen?’ wijst er op dat ‘ongeluk’ een normaal, vanzelfsprekend gegeven is binnen onze werkelijkheid, terwijl ‘geluk’ iets is dat moet worden uitgelegd.
Een boek vol ongeluk gaat er bij de meeste lezers in als koek, gek eigenlijk, want echte koek, ‘koek op de boterham bedoel ik, of koek bij de thee... moet zoet zijn of in ieder geval ‘gewoon lekker’ en geen mens zal het in zijn hoofd halen een zure, bittere koek te bestellen bij de bakker.
Schrijvers denken er vaak anders over. Kunst is pas kunst, zeggen ze, als alles wrang en bitter wordt. Ongeluk is sjiek. Geluk is van de straat.
Maar dat is natuurlijk niet waar, want een mens heeft het recht om op zijn eigen wijze te reageren op de werkelijkheid, en ook al gaat de hele wereld ten onder, dan nog heeft hij het recht om te lachen en gelukkig te zijn.
Dat zou je de wet van het kinderlijke anarchisme kunnen noemen, want kinderen gebruiken het leed niet om van zichzelf ongeluk scheppende wraakzuchtige onheilsbommen te maken. Kinderlijke vrijheid, dat is ‘geluk zien als een vorm van troost’.., en dat is natuurlijk de echte vorm van geluk die ik als gelukkig mens verdedig.
Het zou toch absurd zijn dat de mens tot een product wordt gemaakt van een ongelukkige omgeving? Dat is een ontkenning van de vrijheid die een mens bezit. Waarom zou een kunstenaar niet mogen wijzen op schoonheid en geluk in een verkilde, benepen wereld?
Muziek mag niet harmonieus zijn. Beeldende kunst mag niet vloeiend en herkenbaar van vorm zijn, Literaire romans moeten een en al gekunsteldheid en onoprechtheid zijn. Ja, alles wordt zo onwerkelijk gemaakt en er wordt zo’n grote afstand geschapen tussen de mens en zijn eigen voortbrengselen, dat een gelukkig mens er ongelukkig van zou worden.

De wereld van de ‘kunst’ bevindt zich in een puberteitsfase, daar ben ik heilig van overtuigd. Moderne kunst is vaak weinig meer dan onvolwassen geklets en gezeur van mensen die op zoek zijn naar zichzelf en niet eens beseffen dat ze op zoek zijn.
Men wentelt zich rond in drek en modder en men maakt daarbij uiterst diepzinnige, vaak volstrekt onbegrijpelijke opmerkingen en daar is het dan mee afgelopen. Verder komt men niet.
Nou, laat ik dan uitdrukkelijk zeggen hier dat ik aan dat zelfbedrog niet mee werk. Na de drek en de modder komen inzicht, verstand en schoonheid; dat is voor mij een logische ontwikkeling, een proces dat bestaat uit verschillende fasen, die elkaar noodzakelijkerwijs opvolgen.
Het belangrijkste kenmerkt van wat men ‘moderne kunst’ noemt is de afwezigheid van een ontwikkelingsproces. Men blijft maar ‘aanmodderen’, als varkens, die zich genotzuchtig rondwentelen in een stinkende modderpoel…
En dan te bedenken dat het ook anders kan, dat er ook een andere wereld is dan de ontwrichte, ontmenselijkte wereld van onvolwassen, puberale geesten. Jazeker, dat durf ik volmondig te stellen…; als gelukkig mens…

4.

Ik begrijp eerlijk gezegd niet zo goed waarom kunstenaars zo hardnekkig de eeuwige duisternis blijven bezingen. Waarom lopen ze allemaal met een wijde hoog om het leven heen? Ze huilen en janken alsof verdriet een leuk toneelstukje is en in hun wereld, waarin mensen worden verzopen in een volmaakt zinloze tranenvloed, ontmoet je nooit eens iemand die probeert de impasse te doorbreken.
Nee, kunst verheerlijkt als het ware het ongeluk en mensen die op zoek gaan naar een andere werkelijkheid mogen binnen hun ongelukscultuur het etiket ‘kunstenaar’ niet eens dragen. Geluk, zo luidt de onderliggende gedachte, is de dood van ‘onze cultuur’.

Wel, zoals gezegd, ik weiger de wetten van het ongeluk te gehoorzamen. Gewoon, omdat ik niet geloof in de echtheid van die zogenaamde droefheid.
Wat als verdriet wordt gepresenteerd is veelal weinig meer dan een uiting van bekrompen fantasieloosheid. Kinderachtige, onvolwassen woede-uitbarstingen krijg je voorgeschoteld en van echte, eerlijke diep gemeende emoties is er geen sprake…, en dat kan ook niet, want om diep te kunnen voelen moet je een geestelijk volwassen mens zijn en je moet een hart in je lijf hebben en onbevreesd het lijden en de dood onder ogen kunnen zien.
Maar wie heeft er in een volwassen puberwereld nog een ‘hart’? Wie vindt zoiets onpuberaals als orde scheppende hartewarmte en romantiek nog mooi en aangrijpend?
Clichés noemen de ongelukkige onvolwassen pubermensen zoiets, alsof ‘liefde’ een afgezaagd onderwerp is en ‘haat en wanhoop’ niet.
‘Ik ben ongelukkig’ of ‘Ik maak lekker iedereen kapot’, dat is in feite toch ook niets meer dan een leeg, inhoudsloos cliché?
Kunstenaars voeden zich met clichés. Hoe ongelukkiger men is, hoe hoger men komt op de hoge, hiërarchische kunstenaarsladder, die overal naar toe voert, behalve naar de liefdevolle wereld van de simpele, gelukkige mens.
En zo jankt men maar aan en vervaardigt men hele reeksen kunstboeken volgens een en hetzelfde ‘treurnissjabloon’, terwijl de mensen die werkelijk verdriet hebben, omdat zij de puberale chaos van liefdeloze mensen afwijzen, in de kou blijven staan. Dat is bedrog, daar ben ik heilig van overtuigd.
Ja, ik weet het nu heel zeker: Ik zal mij tegen de leugens van ongelukkige mensen verzetten. Ik ben en blijf een gelukkig mens.

: 5.

Maar wat heeft een ‘gelukkig mens’ nu te vertellen?, zal een ongeduldige lezer zich afvragen en ik wil daar graag een serieus antwoord op geven, via het stellen van de tegenvraag: ‘Wat heeft een ongelukkig mens ons te vertellen?’
Want kijk, die mogelijkheid is er ook. Een mens heeft het recht om het ongeluk ter verantwoording te roepen en ik geloof dat er tot nu toe te weinig gebruik is gemaakt van dat recht.
Laten we dus niet bescheiden in een hoekje gaan zitten, maar recht op de man af de vraag stellen of een ongelukkig mens ons iets zinvols te vertellen heeft.
Het is natuurlijk gemakkelijk om die vraag hier met een pertinent ‘nee’ te beantwoorden, zoals de ongelukkige mensen dat gewoon zijn te doen, ja, want die zeggen op alles wat hen niet zint ‘nee’. Nee, ik geloof dat ik mij aan die fout niet schuldig mag maken. Ik wil mij op een serieuze wijze van mijn taak kwijten en ik zal dan ook proberen een heel precies en genuanceerd antwoord te formuleren; de lezer verwacht niets anders van mij neem ik aan…
Laten we daartoe samen het ‘ongeluk’ eens ter hand nemen en kijken welke kenmerkende eigenschappen het bezit.
We draaien het om en om in onze handen en na een korte periode van nauw nauwgezette bestudering ontdekken we al snel het volgende: het ongeluk ontkent de eenvoudige wereld van het geluk...
Ik geef toe dat het wat banaal klinkt, maar de opschepperige wereld van het ongeluk is nu eenmaal een lege, banale wereld en ik neem daarom aan dat geen enkel ongelukkig mens mij een verwijt zal durven te maken.
Als een ongelukkig mens bijvoorbeeld ziek wordt, dan wordt hij nooit neer beter; dat is een vaststaand, welhaast onwrikbaar gegeven.
‘Eens betoverd, altijd betoverd’, zo luidt een uitspraak van een zeer vooraanstaand Hollands schrijver, die ondanks de pech en het ongeluk die het universum volgens hem beheersen het ene boek na het andere schrijft, terwijl je toch zou verwachten dat zo iemand verlamd, blind of op zijn minst doodziek zou zijn…, maar goed, daar gaat het hier niet om en ik ga er dan ook niet verder op in, want waar het om gaat is de destructieve eenzijdigheid die in het werk van ongelukkige mensen tot uiting komt.
Laat me een voorbeeld geven:

Er zit een man aan de oever van een rivier. Die man zit daar niet gewoon te zitten met een hengel in zijn hand of zo, op een laag krukje met een thermosfles vol hete koffie op schoot, nee, hij staart chagrijnig naar een dikke laag zwart slib, want op een uiterst geheimzinnige wijze is het water dat normalerwijs door de rivierbedding stroomt verdwenen. De man voelt zich derhalve diep ongelukkig, want het harde noodlot heeft hem een lelijke poets gebakken.
Op het moment dat wij hem daar aantreffen huilt hij, want de politie heeft hem zojuist meegedeeld dat zijn vrouw, die van huis was weggelopen, zelfmoord heeft gepleegd.
‘0 God’, denkt de arme ziel, ‘waarom heeft iedereen mij verlaten?’, en hij vergeet helemaal dat hij van de ongelukkige auteur die hem geschapen heeft helemaal niet in God mag geloven, omdat alles wat gelukkig kan maken verboden is in schrijversland.
‘0 God’, zo roept hij ten tweeden male, want ongelukkige schrijvers brengen graag melodramatische kleurschakeringen aan in werk, ‘o God, was ik maar dood…’; ook zo een heerlijke dooddoener, waarmee altijd wel succes wordt geoogst bij een geluk hatend intellectueel publiek.
Diepbedroefd kijkt de man omhoog naar de grauwe, troosteloze hemel. Met een vuile, smoezelige zakdoek veegt hij zijn tranen weg en in een vlaag van wanhoop baant hij zich een weg door de dichte dorenstruiken die langs de rivierbedding groeien.
Grote zwarte vogels, waarvan de naam niet genoemd mag worden, omdat een betekenisvolle naam mensen gelukkig maakt, klapwieken schreeuwend heen en weer en uit de rivierbedding stijg een benauwende walm op, die vanzelfsprekend weerzinwekkend stinkt.
Met gescheurde kleren, worstelend met de wrede natuur die hem gevangen houdt, loopt de man verder, tot hij niet meer kan en krampend van pijn ineen zinkt..: een waar toonbeeld van wanhoop en diepe ellende...
Als in een flits ziet hij zijn hele mislukte leven voor zich, kompleet met oorlogsbeelden, bloedende lijken, bommen en granaten, en terwijl zijn ogen breken stroomt bruisend het water de bedding weer in, want het was alleen maar afwezig omdat hij bestond….

Een aaneenschakeling van clichés dus, die het verhaal nauwelijks doen uitstijgen boven het niveau van een willekeurige smartlap.
Kitsch voor intellectuelen. Voer ook voor psychologen, die van clichébestrijdend geluk weinig willen weten, omdat ze graag aan het werk blijven in moeilijke, ongelukkig makende economische tijden. Want geluk lijkt leuk, maar doet niet de kassa rinkelen in ongelukkig psychologenland…

6.

Wat mankeert dergelijke ongeluksprofeten toch?, vraag ik me wel eens af. Waarom vinden ze het fijn om voortdurend te schrijven over trieste mensen, die altijd van de trap vallen, die behept zijn met ziekten en gebreken en die nooit eens schateren van het lachen? Vanwaar die valse, clichématige opeenstapeling van ellende? Vanwaar die hardnekkige pogingen om het ‘geluk’ belachelijk te maken?
Laat ik u dan zeggen dat een gelukkig mens niet zo eenzijdig is. Hij ziet de wereld in heel zijn ‘volheid’ en dat betekent dat hij alle facetten van de werkelijkheid heel intens ondergaat, inclusief de ziekte en ellende die er is, maar die er niet kunstmatig aan hoeft te worden toegevoegd…
Een gelukkig mens brengt de genuanceerde instelling die bij volledigheid hoort in zijn werk tot uiting en daarom moraliseert hij, heel subtiel soms misschien zelfs geheel onzichtbaar voor de oppervlakkige waarnemer, maar de moraal is altijd aanwezig. Geen vals ongelukkig makend gepreek, maar een menselijke moraal, die niets te maken heeft met de starre, nivellerende burger mansmoraal die aan de wereld van het ongeluk ten grondslag ligt. En daar ligt nu net het belangrijke verschil met het gezeur van de banale ongeluksverkondigers. Die kennen in feite geen enkele moraal, omdat ze de ‘werkelijkheid’ niet willen kennen, een beperking, die hen noodzaakt hun toevlucht te nemen tot banaliteiten en clichés, die altijd de onechte leugenwereld van valse moralisten in stand houden.

O God, ik haat laffe mensen, die hun wanordelijke gedachten en gevoelens op je loslaten en daarbij denken dat ze uitermate intelligent en creatief zijn.
Grote kunst verwijst naar ‘wanorde’, zeggen ze dan, en dat klinkt natuurlijk veel beter dan gewoon eerlijk toegeven dat je zelf chaotisch en onvolwassen bent, niks meer dan een verwarde puber, die als een op hol geslagen olifant door de porseleinkast van de menselijke emoties dendert.
Zoals mijn vader ‘s avonds naast de kachel zijn kruiswoordpuzzel oploste, zo puzzelen zogenaamd moderne kunstenaars met woorden, en als het even kan maken ze van tevoren een paar hokjes zwart, zodat de puzzel onoplosbaar is, want op de een of andere manier zijn mensen gaan denken dat zoiets het toppunt van artistieke creativiteit is.

7.

Als gelukkig mens moet ik soms hard lachen als ik kijk naar het kinderachtige gepuzzel van moderne, puberale kunstenaars.
De wereld van ‘de kunst’ wordt tot een kinderkamer gemaakt. Wie niet mee wil spelen, die krijgt een grote blokkendoos naar het hoofd geslingerd.
‘Meedoen, geen spelbreker zijn..’, schreeuwen de kleuters je toe, ‘niet nee zeggen, nee meedoen, kunstenaar zijn...’
Maar ik wil als doodgewoon mens helemaal geen kunstenaar zijn en negeer daarom hun kleinzielige pogingen om mij belachelijk te maken. Heel kalm en onverstoorbaar ga ik verder met het vertellen van mijn verhaal.
Gaat u er naar eens goed voor zitten, want wat hetgeen ik u ga vertellen is zeer zeker de moeite waard. Misschien begrijpt u mij niet helemaal, nou ja, het zij zo. Misschien ook bied ik u juist de ontbrekende schakel aan, die tot meer begrip voert…; mogelijk, want een onbegrijpelijk verhaal wil ik niet vertellen. Nee, geen kruiswoordpuzzel met zwart gemaakte hokjes bied ik de lezer aan. Integendeel: een parelend, glashelder verhaal, fonkelend als het duurste kristal en toch erg simpel en gewoon, zoals een echt, menselijk verhaal naar mijn mening behoort te zijn.

8.

Het verhaal dat ik u ga vertellen is, zoals ik eerder al heb gezegd, een opmerkelijk verhaal, en wel daarom, omdat het een verhaal vol ernst en humor is.
‘Nou en?’, vraagt u zich wellicht af, ‘is dat dan zoiets bijzonders?’
Nee, zeg ik op mijn beurt, dat is helemaal niet bijzonder; het is zo verschrikkelijk alledaags en simpel, zo gewoon, zo ongedwongen, ongecompliceerd ook, dat het welhaast banaal is, en dat is nu juist het bijzondere ervan. Balanceren op de grens van het banale en toch die grens niet overschrijden. Dat is een hele kunst, en dat niet alleen, het is de echte kunst, want kunst krijgt pas betekenis wanneer zij het leven weet te benaderen, en zegt u nu zelf: Is het leven een drama, een toneelstuk of een roman?
‘Nou nee, eigenlijk niet’, zult u (mogelijk na enige aarzeling) opmerken, en kijk: dat is nu het geheim van het volle leven. Erkennen dat het niets bijzonders is en daardoor uitstijgen boven de verwarring van dweepzuchtige vervoering, die nooit de werkelijkheid wil aanvaarden en er iets verhevens of iets chaotisch van wil maken, terwijl het ware leven daar heel simpel tussen in ligt, net zijn dwaze voorvallen, zijn lichte droefheid en zijn kleine, tedere vreugden, gespeend vaak van iedere heroïek, maar toch niet laf of vals, omdat de ongeschroefde heroïek van mensen die niet durven te leven vals is: onwerkelijke, wanhopige pogingen om meer te zijn dan de anderen, beter, knapper belangrijker.., alsof een dergelijk door eerzucht ingegeven gedrag ooit waardevol kan zijn.

Nee, als gelukkig mens houd ik me niet bezig met valse en lafhartige gedragingen.
Misschien komen er personen in mijn verhaal voor die zich zo gedragen, maar dan zijn het figuren die ik verafschuw, daar moet u steeds aan denken, want ik wil dat u mij goed begrijpt: ik ben een gelukkig mens en ik wil graag de moraal van het niet aan eerzucht gebonden geluk aan de lezer overdragen. Ben ik daarom een moralist? Ach, wat maakt het uit? Die vraag is op het ogenblik volstrekt onbelangrijk. Ik ga een verhaal vertellen, een humoristisch, bij tijden kolderiek, maar ook serieus verhaal, waarin ik mijzelf probeer uit te drukken; daar gaat het mij om.
Leuzen en valse clichés die me belangrijk doen lijken bied ik de lezer niet aan. Ikzelf ben het antwoord op alle vragen en ik ben dan ook blij dat ik als verteller de werkelijkheid van anderen mag binnen stappen. Een verteller wil geen afstand scheppen, zoals leuzen- en clichémakers dat wel doen, Hij heeft toehoorders nodig en hij geniet van de aandacht die het publiek hem schenkt.
Het liefst zou ik me op dit moment dan ook neerzetten bij een superromantisch kampvuur, ja, heus waar…
En als ik daar dan zit, dan kijk ik om me heen en in het zachte, flakkerende schijnsel van de vlammen zie ik mensen verwachtingsvol naar me op kijken, hetgeen me een warm en blij gevoel verschaft.
O, ik zie het gewoon voor me… Het is een koele zomeravond en de wind ruist in de bomen.. Heel in de verte, voorbij de dichte, uitgestrekte bossen, zoemt het verkeer op de een of andere snelweg, maar dat deert ons niet. Wij zitten samen rond het vuur en we slaan de warme, wollen dekens om ons heen...
Eigenaardig is dat. Nu ik zo midden tussen al die mensen zit moet ik terugdenken aan vroeger. Het vuur was er toen werkelijk. Behaaglijk weggedoken in een deken zat ik bij het zacht knetterende vuur en ik luisterde naar een spannend verhaal, dat verteld werd door een kleine, vriendelijke man, die genoeglijk aan zijn pijp trok en ons heel geheimzinnig aankeek, alsof er een wereld vol wonderen in hem schuil ging.
Ja, zo was het…: hij zat daar stil en rustig in het donker. Alle mysteriën van de hele wereld schenen zich in hem samen te bundelen. Niemand van ons was bang, hoewel het pikdonker was en de bomen soms klaaglijk ruisten en zongen in de wind, die ons voortdurend aanraakte en de vlammen van het hout de meest grillige bewegingen liet maken.
Dicht tegen elkaar aangedrukt, gehuld in onze warme dekens, keken wij verwachtingsvol naar hem op, en het was die mengeling van lichamelijk contact, zo volmaakt ongedwongen, heel sensueel maar desondanks zonder angst of schaamte, van duisternis, de geheimzinnig was, en de rustgevende aanwezigheid van de man daar voor ons, die ons gelukkig maakte.
Daar, hij dat simpele, maar o zo romantische kampvuur, voelde ik me verbonden met de anderen, zoals ik me nu graag als verteller verbonden wil voelen met mensen die naar me luisteren, zonder mijzelf te schamen, zonder dat ik enige behoefte gevoel om wie dan ook uit te lachen…; want er is de verhullende duisternis van de nacht om ons heen, aan weerszijden van ons voelen we de aanwezigheid van een ander, en bovendien is er het verhaal, dat verteld wordt door iemand, die niet bang is, die de blauwe, geurige rook van zijn pijp omhoog blaast en ons aanstaart met een vriendelijke, zachtmoedige blik in de ogen..; zo rustgevend, dat de hele wereld niet meer bestaat…

Ach, kon ik zo’n verteller zijn….


Wim Duzijn - Zwolle - Holland