De eeuwige gevloekte
amsterdamse gedichten 1970-1971

melancholieke geluiden vanuit
een Amsterdams bovenhuis (deel 1)


De eeuwige gevloekte
Ik mag niet huilen
Het is, het was
Een opgang in verdriet
Liefde
Haat
Venster
Graf

 
DE EEUWIGE GEVLOEKTE

Triest hurkt hij in het vuil
En praat en lacht en kan niet huilen,
Omdat huilen bittere waanzin is.
Hij is de hopeloos mismaakte,
Die alles ziet, maar eigenlijk niets,
Die groet en stil voorbijgaat aan de wereld,
Gedreven door het melancholisch Liefdesvuur,
Dat flakkerend voortsmeult in zijn hart.
Hij is de eeuwige gevloekte,
Gevangen in het noodlot van de ondergang,
Waar wilde feeŽn gillend dansen,
En zwarte spinnen wachten
In een angstaanjagend web.
Het rijk der doden heeft hem opgenomen,
En viert nu een rumoerig feest,
Terwijl hij angstig wegkruipt,
Melaats en weerzinwekkend,
Besmeurd met drek en vuil...

 
IK MAG NIET HUILEN

Ik mag niet huilen,
Nu bloed tussen mijn vingers glijdt,
Als het glinsterendwitte zand,
Dat naar de koele, zwarte aarde stroomde,
Vroeger, lang geleden,
Toen een golf van rust omhoogsteeg uit de diepten,
Wasemend,
Voor mij alleen...

Stil is het in deze plechtige, gewijde ruimte,
Waar lijken naar mij staren,
Peinzend en bedachtzaam,
Terwijl mijn lichaam rood kleurt,
Daar waar het de nabijheid voelt
Van het kleverige bloed,
Dat ik met kalme, lome pas doorwaad.

Voor het laatst hef ik het hoofd,
En hoor, nog steeds verbaasd,
Het luid rumoer,
Dan vallen gaten in mijn lichaam,
En ik weet dat nu beŽindigd is
Een vreemde, dodelijke ziekte,

Leg me zwijgend bij de loop der dingen neer.

 
HET IS, HET WAS

Zacht gloeien ogen in het mistig donker,
Waar vlammend ijzer kolkt over grauw basalt,
En bruisende stromen
Verdampen tot ijle vochtdemonen,
Een teken van een vreemde macht.

Langzaam ziet de zon de maan verbleken,
En wacht,
Terwijl mijn klaagzang voortsnelt in de nacht,
En nooit zal ik vergeten:
De rampspoed aan mijn zijde,
Het noodlot op mijn pad...

Te houden van mijn wreedste vijand,
Zijn hand zo bleek, zijn blik zo droef,
RuÔne van mijn mooiste dromen,
Met onkruid overwoekerd,
Verrottend in de dampen
Van een giftig-groen moeras.

Zo werd ik overwonnen,
En klonk mijn laatste schreeuw,
Nu zit ik voor zijn troon,
Een kleine, dwaze nar,
En spring en dans en buitel,

En zing: Het is, het was...

 
EEN OPGANG IN VERDRIET

Onwrikbaar is het riet
Dat oprijst in de ruimte,
Vermetel en koelbloedig,
En grijpt mij stevig vast,
Nu brandend water mij ontwortelt,
Heerszuchtig eisend dat ik meetrek
Met de wilde, woeste vlammenstoet.

Vol angst zie ik daar toe
Hoe 't vuur zich stort op hulpeloze vogels,
Die moeizaam zich verzetten,
Wegzinken in het slib,
Om plotseling weer op te wieken,
Vuurvogels, rood en vlammend,
In cirkels om mij heen.

Ontredderd en verloren
Ontworstel ik het riet,
En zweef omhoog - de pijn, de pijn,
Tesamen met de dode vogels,
Versteend tot dorre, meerdimensionale vormen,

Een wrede opgang in verdriet.

 
LIEFDE

Hoog in de stille, lege hemel,
Klapwiekend boven woest voortjagende golven
Zie ik de grijze God der ZeeŽn,
Die mij toeroept af te dalen
In zijn fonkelend diepzeerijk,
Waar, zacht en flonkerend,
Zonnestralen gouden vissen achtervolgen,
In een spel van tedere ontroering,
Begeleid door kleine wolkjes zand,
Die vrolijk deinen op het trage ritme
Van het kalm-bewegend water.

Vermoeid spreid ik mijn vleugels
En bied, glimlachend,
Eenieder die mij toewuift
Mijn bescherming aan,
Stil en melancholiek,
Rusteloos zwervende vogel,
Die niet af kan dalen naar de aarde,
Omdat steeds de wind,
Als een wreed-meedogenloze kracht,
Hem verdervoert.

Zwijgend kijk ik daarbij toe
Hoe de wereld onder mij voorbijglijdt,
En bitter is de smaak van leegte en eenzaamheid,
Die mij doet huiveren,
Terwijl mijn vingers verstarren
In een laatste groet,
En droomloos alles zwart wordt,

Alsof het nacht is...

 
HAAT

O Duivels Paard,
Dat oppermachtig voortraast,
Op brede banen bliksemlicht,
Langs uitgestorven steden
En fel brandende bossen,
Hoor hoe ik huil van geluk,
Nu ik eindelijk jou gevonden heb.

Ik voel je warme lijf
En grijp je wapperende manen,
Genietend van de hete adem,
Die als een fijne nevel mij omgeeft,
Terwijl ik opga in het kolkend schuim
Van wervelende luchten,
En tuur naar wild wegvluchtende werelden,
Die onder jouw gouden hoeven
Genadeloos worden ontvolkt en vertrapt.

Snikkend breng ik een saluut
Aan deze helse bron van haat,
En in een harde, rode gloed,
Gaat alles waar ik ooit van hield tenonder,
Beangst voor het laaiend, likkend vuur,
Dat onstuitbaar voortwoedt,
En waaraan niet te ontkomen valt,
Omdat klagen zinloos is.

O God, aanhoor mijn schreeuw,
Een laatste kreet van pijn en woede,
Waarvan de aarde trilt en schokt,
Zoals ik beef,
Gegrepen door een wreed geweld,
Dat mij nu willoos voortsleurt,
Tesamen met woest voortjagende ruiters,
Die alle poorten van de zeeŽn openwerpen,
En onbewogen toezien
Hoe eeuwig aanzwellende vloedgolven
Mij dwingen tot een blinde, uitzichtloze vlucht.

 
VENSTER

O, Wolken in de lucht daarboven,
Blijf toch,
Laat me niet achter,
Zittend voor dit kleine, hatelijke venster,
Dat zware, glazen tralies heeft,
In een wereld,
Die niets meer kan bieden
Dan een huilend kind,
Verscholen in de grauw-banale verte,
Een bromfiets die wordt aangetrapt,
En een hoge, schelle meisjesstem,
Die op triest-vulgaire wijze
Een onverstaanbaar wijsje zingt.

Ach kom,
Fluistert de wind,
Heel zacht en teer-verlegen,
Ik zal je wel vermaken,
Vooruit,
Let op,
Hoor toe...

En zo zit ik voor het raam,
De kin in de gevouwen handen,
Sil-starend naar wat dwaas-pompeuze wolken,
Die statig voorwaarts schrijden,
Verdwijnend in het niets,
Tesamen met het woordloos zingend meisje,
Het kind, verscholen in de verte,
En de rode, fonkelnieuwe bromfiets,
Die nog steeds - god weet waarom - wordt aangetrapt...

 
GRAF

Al vloeien al mijn dromen over
Van licht en warmte, zilver, goud,
Ze kunnen niet verhullen
De zwarte, schimmige ruÔnes,
Waarin gebarsten klokken tijdloos dreunen,
Verspreidend somberheid en angst,
Een vage, donkere beklemming,
Al is ook alles, lang reeds,
Weggezonken in een poel vol walmend, stinkend drab.

Zo leef en droom ik,
In een niet bestaande wereld,
Nog minder dan een druppel regen,
Die als een diamant mag prijken
Op de kroon van de natuur,
De vriend is van de planten,
Die in alle onschuld leven zijn,
Nog minder dan een hond,
Die trouw en kinderlijk oprecht mij aankijkt,
Met zachte, schuldeloze blik.

Tot niets in staat ga ik maar verder,
Gegrepen door een willoos kloppend levensritme,
Zoekend, tastend in de enge ruimte,
Verdwalend in de chaos van een zelfgedolven graf.


(c) wim duzijn