Klein Amsterdams Dagboek
1970, 25 juni - 20 oktober

ernstige bespiegelingen van een verwarde jongen



mijn zolderkamer, nina simone op de 'garrard'-draaitafel
philips 2 x 5 watt versterker, astrologieboekje in de hand,
verder boeken van samuel beckett en leopold flam



Ik heb een gek gekend, die dacht dat het einde van de
wereld was aangebroken. Hij schilderde. Ik mocht hem
graag. Ik zocht hem vaak op in de inrichting. Ik nam hem
bij de hand en trok hem naar het raam.
Kijk. Daar. Al het graan dat opkomt. En daar. Kijk.
De zeilen van de haringvloot. Al die pracht...
Hij rukte zijn hand los en ging terug naar zijn hoek.
Verbijsterd. Hij had slechts as gezien.
Hij alleen was gespaard gebleven...

Uit EINDSPEL van Samuel Beckett.

1. Donderdag 25 juni:

Vreemd, te bedenken dat niets zich meer in je roert, dat alles vervaagt en verdwijnt in een gapende afgrond, geconfronteerd als je bent met het zinloze, dat alles wil transformeren tot weerzinwekkende belachelijkheid...
Bij ieder woord dat ik uitspreek, ontdek ik dezelfde weerzin, die verbijsterende walging, die me dwingt tot een houding van volledige passiviteit.

Dit zwijgen is hartverscheurend. Ieder idee, iedere gedachte verliest zijn betekenis, en de taal, die in mijn dromen ooit uitgroeide tot een machtig wapen, wordt tot een kwelling, omdat zij me voortdurend wijst op mijn machteloosheid, een onmacht die potsierlijk is, zodat ik stil voorover zit, het hoofd als een zware last op de schouders getorst...: voor het oog van de buitenwereld een 'denker', omdat de buitenwereld nooit werkelijk heeft nagedacht, maar in mijn eigen, meedogenloos observerende ogen weinig meer dan een dwaze, belachelijke nar...

O, hoe zelfbewust kon ik soms opmerken: 'Getooid met de zotskap wil ik sterven', maar ach, nooit zal ik de tragiek van mijn mateloze verdriet kunnen verbergen.
De bellen rinkelen. Omhoog en omlaag gaat mijn hoofd. En ik sluit mijn ogen en stop mijn oren dicht.

Wat betekent 'authenticiteit', wanneer daarmee alles verdwijnt, terwijl er geen mogelijkheid is om te vluchten?
Mij in mijzelf verborgen houden? Een gevangene zijn van mijn eigen geest?
Het landschap, de zee, de wolken, o, ze drijven aan me voorbij, maar ik ben niet in staat ze te grijpen, ingesloten als ik ben in glazen traliewerken, waardoorheen ik alles zie, omdat ik deel uitmaak van het krankzinnige aardse leven, willoos voortlopend, als een vreemdeling, voor eeuwig veroordeeld tot eenzame opsluiting in mijzelf.
Ik weet dat ik de boeien kan verbreken, ach, dat is niet zo moeilijk, maar tevens dringt in volle duidelijkheid het besef tot me door dat ik zonder boeien ten onder zal gaan!

Dit is dan mijn vrijheid:
Te kiezen het lot van levende gevangene, of te zijn een dode, die als een robot door het leven trekt, een mens die schijnbaar 'leeft'.
Zijn dat reële alternatieven? Ben ik werkelijk vrij? Mijn hemel, hoe kan ik mijzelf prijsgeven en doof en blind en stom het leven leiden van de 'dood'?

Er is maar één maatstaf, en dat is de wens, diep in mijzelf verborgen, om te Leven, een behoefte die ik niet zonder meer als denkend wezen objectief kan beschouwen, om zo langs rationele weg haar waarde te bepalen, teneinde haar af te wegen tegen andere mogelijkheden.
Heel mijn denken en handelen is gebouwd op die Wil tot Leven, een krankzinnige wens, die mijn gehele bezit uitmaakt, en die ik moet beschermen tegen alles en iedereen, wil ik niet verpletterd worden door het geweld om mij heen.

Ik ben in het geheel niet vrij! Vanwaar die krankzinnige wens om te 'Leven'? Vanwaar de inhoud die ik geef aan dat begrip?
Ben ik dan niets meer dan een werktuig in handen van een Lot dat ik nooit heb bepaald? Ik weet het niet. Achter alles wat ik doe schuilt maar één gedachte: LEVEN.

En mijn god, dan spreek ik die gedachte uit en dan kijk ik naar mijzelf en dan ontwaar ik weinig meer dan wanhoop en een deerniswekkend gevoel van onmacht...
Hoe weinig heroïsch is het bestaan. Bij tijden omvat de werkelijkheid die me wordt opgedrongen weinig meer dan een tragisch verlangen naar de dood, die me mogelijkerwijs kan verlossen, zowel van de kluisters die me vastketenen aan mezelf, alswel van het vulgaire, afgrijselijke leven dat de wereld een vrijgemaakte geest aanbiedt.

Hier zit ik, wetend dat er geen oplossing is - er nooit geweest is en er misschien ook nooit zal zijn...
Diep in mijzelf rust de stille hoop morgen, bij het ontwaken, een beker aan te treffen, gevuld met snelwerkend vergif, mij geschonken door een in witte gewaden gehulde engel, die niets zegt.., alleen maar zwijgend naar me kijkt...
En ik zie mijzelf drinken, met kalme, plechtige gebaren, in een stilte die welhaast absoluut is.

Wat moet ik aanvangen met mijn emoties en de beklemming die uitgaat van een vijandige buitenwereld?
De walging wordt steeds heviger, terwijl een werkelijk isolement mij onmogelijk wordt gemaakt.
Slechts één ding maakt mij het leven draaglijk: de gedachte aan de 'Dood'.
O, hier klaag ik en schrei en vouw de handen in wanhoop samen, terwijl alles om me heen voortkabbelt, stom en emotieloos, in een beklemmende massaliteit, die ik ervaar als een wurgende, verstikkende greep om mijn keel.

Zie me hier staan met mijn apocalyptische toekomstperspectief: een nietige, onbeduidende visionair, die het einde van de wereld voorziet, maar die waarschijnlijk niets anders doet dan het transponeren van zijn werkelijkheid in de algemeenheid.
Het einde van de wereld, opgevat als rampzalige gebeurtenis, zal slechts het einde zijn van het Vrije Individu, het einde van het Leven, het einde van God.
De verstarring en de dood zullen zegevieren, uit naam van een humanisme dat geen humanisme is en een menselijkheid die volstrekt onmenselijk is...
Wat overblijft zal het kleinburgerlijke egoïsme zijn, de enige werkelijk bindende kracht in de krankzinnige werkelijkheid van deze wereld.

Het is vernederend toe te moeten zien hoe alles zich voltrekt, als een lamme uitgestrekt te liggen voor de stadspoorten, zonder het vermogen iets te kunnen doen.
Ik bezit alleen Mijzelf, en wie niets meer bezit dan dat, is gedoemd eenzaam en uiterst behoedzaam zich voort te bewegen, omdat hij op geen enkele vraag antwoord kan geven - in feite niets weet, helemaal niets...

Zo zwerf ik langs de wegen van de wereld, waar eenieder uitbundig feest viert, en alles wat ik zoek is een plaats om te rusten.
Debielen dwarrelen om mij heen en doktoren in smetteloos witte jassen.
'Dag', zeg ik maar, zoals een klein kind dat doet, 'dag, ik blijf niet lang hoor, dag...'
Er is iets gebeurd, ik weet niet wat. Voor mij staat een grote gouden beker. Er is een engel en hij lacht.
'Dag', zeg ik, 'vaarwel..'. En omdat ik niet kan beletten dat er tranen opwellen in mijn ogen, mompel ik, voorzichtig, zodat geen mens me kan horen:

"Het enige wat ik hoop te vinden is een plek waar ik jullie nooit meer zal ontmoeten...".



wim duzijn, zwolle - holland