SOCIALE VERANDERING,
SOCIALE BEWEGING EN MARGINALITEIT

de schrijver in 1969

literatuurscriptie - utrecht, november 1969,

HOOFDSTUK VI
Marginaliteit en het individu

(een empirische benadering)

1. Statusinconsistentie en politiek extremisme
(zie voor definities hfdst. 4: Jackson e.a.)

Het is onze stelling dat frustratie en onlustgevoelens als gevolg van statusinconsistentie tot uiting komen in politiek gedrag.
Deze stelling wordt bevestigd in een onderzoek van Jackson (105). Uit zijn onderzoek bleek dat vooral personen met een hoge sociaaleconomische positie, hoge opleiding en lage sociale afkomst politiek reageren, in tegenstelling tot personen met een lage sociaal economische positie, lage opleiding en hoge sociale afkomst.
Het onderzoek toont aan dat niet iedere vorm van statusinconsistentie aanleiding geeft tot het ontstaan van een sociale beweging. Jackson stelt dat het van belang is op welke wijze een individu zijn moeilijkheden interpreteert.
Zo zal een persoon wiens verworven ("achieved") positie inferieur is aan zijn toegewezen (“ascribed") positie er eerder toe geneigd zijn de situatie waarin hij zich bevindt te verklaren vanuit persoonlijk falen; hij kan niet, zoals het individu met lage sociale afkomst, zijn gebrek aan succes verklaren door te wijzen op de geringe mogelijkheden, verbonden aan de sociaal economische positie van zijn ouders.
Daarentegen, zegt Jackson, zal een (inconsistent) persoon wiens verworven sociaal economische positie hoger is dan de overeenkomstige positie van zijn ouders zichzelf als succesvol zien. Wanneer hij spanningen ondervindt als gevolg van conflicterende verwachtingen, zal hij de oorzaak niet bij zichzelf zoeken, maar zal hij zijn problemen zien als het resultaat van het onjuist handelen van anderen.

De politieke richting van uiteenlopende groeperingen als professoren, Joodse zakenlieden, filmsterren en geestelijken wordt, zo stellen Jackson en (ook) Lenski, eerst begrijpelijk vanuit het begrip statusinconsistentie. Hoewel wij een hoge mate van tevredenheid zouden verwachten bij deze groeperingen, blijkt het tegendeel, hetgeen, zo stellen deze auteurs, begrijpelijk is, omdat deze groeperingen gekenmerkt worden door een hoge mate van statusinconsistentie.
Professoren en geestelijken b.v. genieten hoog beroepsaanzien en een relatief laag inkomen; Joodse zakenlieden bekleden hoge sociaaleconomische posities terwijl zij tegelijkertijd behoren tot een (vaak) gediscrimineerde minderheidsgroepering.

Goffman is de mening toegedaan dat de mate van statusconsistentie omgekeerd evenredig is met het positieve oordeel over de machtsverdeling in de Amerikaanse samenleving. Zijn gegevens tonen een verband aan tussen de wens naar veranderingen in de machtsstructuur van een samenleving en een hoge graad van statusinconsistentie (106).
Veranderingen bleken vooral nagestreefd te worden door vertegenwoordigers van de hogere sociale lagen; de lagere sociale lagen waren meer gericht op sociale mobiliteit. Beide groeperingen werden bewogen door hetzelfde doel, namelijk reductie van spanningen die uit statusinconsistentie voortvloeien.

Ringer en Sills constateerden bij een groep extremisten in Iran een hoge dissatisfactiegraad. Extremisten zijn, zo stellen zij, ongelukkig, zowel wat hun persoonlijke leven betreft, als wat hun gevoelens ten aanzien van de bestaande orde betreft (107). Bovendien bleek dat extremisten werden gekenmerkt door een hoge mate van ongebondenheid ("detachment").
Extremisten zijn, zo stellen zij, veelal alleenstaanden, en de werkeloosheid onder deze groepering is groot (ze zijn niet opgenomen in het economisch productieproces). Extremisten hebben geen sterke gezinsbindingen, geen religieuze banden, en een beperkt aantal vrienden. De traditie neemt meestal een geringe plaats in binnen het referentiekader van deze personen (108). Het is juist deze ongebondenheid die veel personen noodzaakt aansluiting te zoeken bij groeperingen die zich afzetten tegen de bestaande orde, omdat zij anders het gevaar lopen geïsoleerd te raken, een gevaar dat vooral groot is in een samenleving die afwijzend staat tegenover iedere vorm van vernieuwing.

Ook Malewski bevestigt de opvattingen van voornoemde auteurs. Hij formuleert een aantal stellingen die wij (wellicht ten overvloede) hier willen vermelden, omdat de redeneertrant van de statusconsistentie-theoretici hierin goed naar voren komt (109):

  • 1) Hoe groter de incongruentie, hoe groter de individuele onzekerheid. Deze onzekerheid bij het individu leidt ertoe dat anderen het individu anders gaan behandelen, zodat het individu nog minder sociale waardering wordt toegekend dan het op grond van zijn positie toekomt. Er is hier sprake van "selffulfilling prophecy": Men voelt zich minderwaardig en gaat zich dienovereenkomstig gedragen, met als gevolg dat de mensen de persoon in kwestie gaan behandelen als iemand waarmee men weinig rekening hoeft te houden.
  • 2) Het individu zal aan de tegenstrijdigheid, die conflicten veroorzaakt, een eind proberen te maken door de laag gewaardeerde sociale posities te verlaten.
    Zo geeft Malewski als voorbeeld de ‘nouveau riche’, die de tekenen van zijn lage afkomst wil camoufleren door in te trouwen in gerespecteerde families, door landgoederen te kopen e.d.; kortom door te trachten van zichzelf een aristocratisch ideaaltype te maken.
  • 3) Wanneer het niet mogelijk is de laag gewaardeerde sociale positie te verlaten (b.v. vanwege leeftijd, huidskleur, seks of opleiding), zal de betreffende persoon, wanneer hij van mening is dat het systeem het hem onmogelijk maakt zijn statusinconsistentie op te heffen, zich aansluiten bij diegenen die dat systeem willen veranderen.
  • Bovengeschetste zienswijze wordt, zo stelt Malewski,gesteund door een groot aantal auteurs. Hij noemt Lipset, Bendix en Michels (110).

    Zo ontdekte Lipset bij de bestudering van de ‘Co-operative Commonwealth Federation’ (Socialistische partij van de Canadese provincie Saskatchewan), dat een groot gedeelte van de leden van deze partij zakenlieden en mensen met een hoge opleiding waren die, bij nader onderzoek, bleken te behoren tot laag gewaardeerde minderheidsgroeperingen.

    Michels, Lipset en Bendix constateerden dat veel joden uit de hogere en middenklassen behoorden tot socialistische en communistische partijen (111).

    Kornhauser stelt dat totalitaire bewegingen, bewegingen die een beslissende invloed willen uitoefenen op het functioneren van de samenleving en die een grote controle willen uitoefenen op het gedrag van de mensen in deze samenleving, hun aanhangers vooral rekruteren uit die personen die van de samenleving zijn vervreemd:
    “We seek to show that totalitarian movements (Fascism, Communism) in particular mobilize people who are available" by virtue of being socially alienated" (112).
    Na bestudering van de ledensamenstelling van een groot aantal bewegingen meent hij deze stelling te kunnen bevestigen. Het bleek dat een belangrijk kenmerk van de leden het geringe aantal sociale bindingen was; een belangrijk gedeelte van de leden waren "detached" intellektuelen (Zie Ringer en Sills), gemarginaliseerde leden van de middenklasse en werkelozen (113).

    Brinton, (die een aantal als belangrijk aangemerkte revoluties bestudeerde, o.a. de Russische en de Franse revolutie) spreekt over "balked creative intellectuals", mensen die er niet in geslaagd zijn hun diepste verlangens te verwezenlijken.
    Zo noemt hij de volgende figuren: “Marat the neglected scientist, Robespierre the dabbler in essay and verse at Arras, Lenin the ambitious philosophical thinker who would outdo Marx, or at least Plekhanov, Mussolini the would be intellectual, Hitler the man who failed to be a painter".
    Hij vervolgt: “Their fanatism is nurtured on their sense of personal failure in the creative art they sought to excel in. Now, in their revolutionary role they want to destroy a society that does not appreciate them" (114).
    Het is niet zo, stelt Brinton, dat revoluties het gevolg zijn van een strijd tussen twee klassen, ze moeten eerder gezien worden als een reactie op "strong feelings (that) are roused in those who find an intolerable gap between what they have come to want - their needs - and what they actually get" (115).

    Lipset verdedigt, aan de hand een empirisch materiaal, de stelling dat een laag niveau van "sophistication" (gebondenheid), en een hoge mate van onzekerheid een individu predisponeert tot een extremistische politieke houding (116).
    Hij stelt: "Isolation, a punishing childhood, economic and occupational insecurities are conducive to withdrawal, or even apathy, and to strong mobilisation of hostility. The same underlying factors which predispose individuals toward support of extremist movements under certain conditions may result in total withdrawal from politial activity…..”
    In normal periods apathy is most frequent among such people, but they can be activated by a crisis, especially if it is accompanied by strong millennial appeals" (117).

    Zo vloeien het McCarthyisme in Amerika en het Poujadisme in Frankrijk volgens Lipset grotendeels voort uit de onoplosbare frustraties van diegenen die zich afgesneden voelden van de belangrijkste groeperingen in de samenleving; de aanhangers van deze bewegingen worden vooral gerekruteerd uit die groeperingen, die hun bestaande positie dreigen te verliezen (118) (zie hfdstk 4, Sociale mobiliteit)

    2. Conclusie

    Wij menen uit het bovenstaande te mogen concluderen dat het begrip marginaliteit, in het bijzonder het begrip statusconsistentie, van grote importantie is bij de bestudering van probleemsituaties in een samenleving. Vooral bij analyse van het politieke gedrag van mensen dit begrip van belang.

    Wat betreft de bruikbaarheid van het begrip statusconsistentie echter bestaat binnen de sociologie geen eensluidendheid. Zo bestrijden Kelley en Chambliss de opvattingen van Lenski e.a. op grond van empirisch onderzoek, waaruit bleek dat personen met een lage statusconsistentie wat betreft politieke voorkeur geen relevante verschillen vertoonden met personen gekenmerkt door een hoge mate van statusconsistentie (119).
    Bruikbare begrippen zijn volgens hen de begrippen sociale klasse en etnische achtergrond; het begrip statusconsistentie is, zo concluderen zij, onbruikbaar.

    Een dergelijke boute conclusie lijkt ons niet verantwoord:

  • a) Het is niet de stelling van de statusconsistentie theoretici dat statusinconsistentie automatisch leidt tot politiek extrenisme. Jackson maakt duidelijk onderscheid tussen een aantal vormen van statusinconsistentie. Zo stelt Jackson dat in sommige gevallen statusinconsistentie gevoelens van persoonlijk falen tot gevolg heeft, die, zoals Gibbs en Martin aantonen (120), tot zelfmoord kunnen leiden, echter ook tot minder extreme oplossingen zoals alcoholisme, druggebruik, grote werkdrift etc.. (121).
    Er is, zo kunnen we stellen, een groot aantal variabelen werkzaam, die de uiteindelijke richting van de oplossing bepalen. Jackson stelt dat de interpretatie die het individu geeft van zijn moeilijkheden richting bepalend is. Dat is ongetwijfeld waar, maar een duidelijk antwoord is daarmee eigenlijk nog niet gegeven, omdat de vraag hoe het referentiekader, van waaruit het individu de werkelijkheid interpreteert, tot stand komt onbeantwoord blijft.

  • b) Wat betreft de grotere bruikbaarheid van het begrip etnische achtergrond boven het begrip statusconsistentie willen wij het volgende opmerken:
    De etnische achtergrond van een persoon vormt ongetwijfeld een belangrijke factor bij het tot stand komen van politieke attituden. Beschouwing van de etnische achtergrond alleen echter is niet voldoende; de etnische achtergrond van een persoon wordt eerst belangrijk wanneer zij gecombineerd wordt met andere posities die het individu bekleedt.
    Het is niet de etnische achtergrond, maar het zijn de onlustgevoelens als gevolg van frustratie van behoeften, die tot politiek extremisme kunnen voeren; men is b.v. zowel burger van een staat als lid van een minderheidsgroepering. Juist het bekleden van meerdere posities geeft aanleiding tot conflicten omdat de ene positie de andere uitsluit.
    Zo zal het feit dat een als 'neger' herkend persoon 'arts' is niet automatisch betekenen dat deze persoon voorkeur heeft voor extremistische denkbeelden. Eerst wanneer hij als 'zwarte arts' in een "blankenwijk" wordt geplaatst, kan een conflictsituatie optreden omdat de arts zich geplaatst ziet tegenover een bevolking die een groot aantal vooroordelen bezit ten aanzien van negers. Hij zal daarom nooit arts kunnen zijn zoals zijn collega's arts zijn, hij zal niet op dezelfde wijze worden behandeld.

    Wij menen dan ook onze stelling te kunnen handhaven dat tegenstrijdige verwachtingen als gevolg van het bekleden van meerdere geïnstitutionaliseerde posities (marginaliteit) in belangrijke mate het menselijk gedrag in het algemeen, en het politieke gedrag in het bijzonder, bepalen.
    We kunnen stellen dat marginaliteit ongetwijfeld een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van een sociale beweging vormt, hoewel zij zeer zeker geen voldoende voorwaarde vormt. Een groot aantal bijdragende voorwaarden is werkzaam, die per situatie kunnen verschillen.

    Over deze bijdragende voorwaarden willen wij nog opmerken dat een groot aantal auteurs van mening is dat een zekere desintegratie van de samenleving een belangrijke voorwaarde is voor het ontstaan van een sociale beweging. Deze desintegratie kan variëren van sterke economische groei (Brinton. 122) tot ontmythologisering en sterk verval van religieuze waarden.
    Het belang van de werkzaamheid van religieuze, fatalistische waarden benadrukt Merton wanneer hij stelt dat een fatalistisch georiënteerd waardensysteem ertoe zal leiden dat de mensen slechts weinig sociale problemen zullen ontdekken, terwijl een activistisch waardensysteem daarentegen alles in een samenleving in principe onderworpen ziet aan menselijke controle. Een dergelijk waardensysteem zal tot gevolg hebben dat een groot aantal sociale problemen ontstaat (123): een actief mens schept in zekere zin problemen.
    Ook Lipset ziet de religie als een van de mechanismen die een zeker conformisme in de hand werken. Wanneer de godsdienst in verval is zal de kans op politieke actie groot zijn, zo stelt hij (124).

  • Samenvatting en eindconclusie

    Met de beschouwing over het begrip statusconsistentie zijn wij aan het eind gekomen van deze scriptie.

    Wij hebben getracht de begrippen marginaliteit en sociale beweging te plaatsen in een zo ruim mogelijk kader. Uitvoerig hebben wij de factoren aangewezen die binnen een samenleving aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van marginaliteit, en daarmee frustratie en onzekerheid bij het individu.
    Het is gebleken dat binnen iedere samenleving, ook in een relatief stabiele samenleving, factoren werkzaam zijn die spanningen kunnen veroorzaken bij het individu. Daarmee relativeren wij het begrip sociale structuur, wanneer daarmee een stabiele samenleving wordt bedoeld, en stellen wij dat iedere samenleving zekere desintegratieverschijnselen vertoont. Wij zouden zelfs willen stellen dat marginaliteit en de daarmee verbonden conflicten een onvermijdelijk begeleidingsverschijnsel zijn van iedere vorm van samenleven.

    We hebben gezien dat een individu op een groot aantal wijzen kan reageren in een marginale situatie. Daaronder bevinden zich gedragsvormen die in hoge mate irrationeel zijn, en die daarmee een bedreiging vormen van de vrijheid van andere mensen (negatieve gevolgen van marginaliteit). Daarnaast hebben wij gewezen op positieve gevolgen van marginaliteit: intellectuele creativiteit, openheid voor vernieuwingen en een objectieve kijk op de sociale verhoudingen binnen een samenleving.
    Met het begrip statusconsistentie tenslotte hebben wij gewezen op de mogelijkheid de marginaliteitproblematiek empirisch te benaderen.
    Ondanks de problemen die nog verbonden zijn aan het begrip marginaliteit (zo wijst Gibbs op het probleem van de meetbaarheid van het begrip statusconsistentie (125)) kunnen wij toch stellen dat dit begrip belangrijk is bij de bestudering van een groot aantal verschijnselen in deze samenleving, vooral echter van het zo belangrijke verschijnsel sociale beweging.

    Wij hopen met deze scriptie de noodzaak van een sociologische bestudering van het grillige verschijnsel sociale beweging duidelijk te hebben gemaakt. Als slot willen wij nogmaals deze noodzaak benadrukken met de uitspraak van Albert Camus:

    'We dragen onze gevangenis, onze misdaden en de vernielende kracht der hartstochten in onszelf. Onze taak is die last niet op de wereld los te laten; we moeten die krachten blijven beheersen in onszelf en in anderen". (126)

    Utrecht, september 1969

    Noten:

    * 105. Jackson (1962), p. 469 e.v. - * 106. Goffman (1957), p. 275 e.v. - * 107. Ringer en Sills (1952/53), p. 689 e.v. - * 108. Idem, p. 689 e.v. - * 109. Malewski (1966), p. 303 e.v. - * 110. Idem, p. 303 e.v. - * 111. Ontleend aan Malewski - * 112. Kornhauser (1960), p. 177 - * 113. Idem, p. 223 - * 114. Brinton (1965), p. 118 - * 115. Idem, p. 251 - * 116. Lipset (1960), p. 137 e.v. - * 117. Idem, p. 116 - * 118. Idem, p. 172 - * 119. Kelley en Chambliss (1966), p. 375 e.v. - * 120. Gibbs en Martin (1958), p. 140 e.v. - * 121. Jackson (1962), p. 469 e.v. - * 122. Brinton (1965), p. 250 - * 123. Merton, in: Merton/Nisbet (1961), p. 715 e.v. - * 124. Lipset (1966), p. 170 - * 125. Gibbs en Martin (1958), p. 140 e.v. - * 126. Camus (1965), p. 239

    Literatuurlijst:

      Brinton, C. The anatomy of revolution, 1965
      Camus, A. De mens in opstand, 1965
      Gibbs, J.P. en W.T. Martin A theory of statusintegration
        and its relations to suicide
        Am. Soc. Review, vol 23 (1958) pp. 140-147
      Goffman, I.W. Statusinconsistency and preference for change
        in powerdistribution.
        Am. Soc. Review, vol 22 (1957) pp. 275-281
      Jackson, E.F. Statusconsistency and symptoms of stress
        Am. Soc. Review, vol 27 (1962) pp. 469-480
      Kelley, K.D. en W.J. Chambliss Statusconsistency and political attitudes
        in: Am. Soc. Review, vol 31 (1966) pp. 375-382
      Kornhauser, W. The politics of mass society, 1960
      Lipset, S.M. Political man, 1960
      Lipset, S.M. Valuepatterns, class and the democratic polity,
        in: Class, status and power, R. Bendix and S.M. Lipset eds, 1966
      Malewski, A. The degree of statusincongruence and its effects,
        in: Class, status and power, 1966
      Merton, R.K. en R.A. Nisbet, eds Contemporary social problems, 1961
      Ringer, B.B. en D.L. Sills Political extremists in Iran
        The public opinion quarterly, vol 16 (1952/53) pp. 689-701