SOCIALE VERANDERING,
SOCIALE BEWEGING EN MARGINALITEIT

de schrijver in 1969

literatuurscriptie - utrecht, november 1969,

HOOFDSTUK V
Hoe reageert het individu in een marginale situatie?

(een theoretische benadering)

In het voorafgaande hebben wij gezien dat binnen de samenleving "krachten" werkzaam kunnen zijn die marginaliteit in de hand werken. Op sommige plaatsen werd reeds gewezen op pogingen van mensen de conflicten als gevolg van marginaliteit op te heffen. Hieronder echter willen wij pogen de mogelijke reactiewijzen van het individu op gevoelens van onzekerheid en frustratie zo systematisch mogelijk weer te geven. We zullen de opvattingen van een aantal auteurs naar voren brengen en trachten deze met elkaar in verband te brengen.

1. Krech en Crutchfield.

Krech en Crutchfield stellen dat wanneer een individu zich bevindt in een situatie van voortgezette frustratie, het onvermogen een gesteld doel te bereiken kan leiden tot gevoelens van persoonlijk falen en tot angstgevoelens. Om zijn zelfrespect te handhaven kan het individu een defensieve houding aannemen.

De belangrijkste defensieve reacties zijn volgens Krech en Crutchfield (85):

  • a) Agressief gedrag;
  • b)'Regression’, irrationele, primitieve gedragswijze. Er wordt niet geprobeerd op verstandelijke wijze inzicht te verkrijgen in de situatie.
  • c) 'Withdrawal’, men heeft het gevoel niets te kunnen doen en vervalt in een passieve (soms apathische) houding.
  • d) ‘Repression’, die verlangens die een conflictsituatie bewerkstelligen worden verdrongen;
  • e) ‘Reactionformation’, naast verdringing concentreert men zijn aandacht op het gedrag dat direct tegengesteld is aan het gedrag dat zou beantwoorden aan de meest fundamentele behoeften van het individu. Overdrijving en fanatisme kunnen het gevolg zijn van deze reactiewijze. (Zie het ageren tegen individualisme en egoïsme in communistische landen.)
  • f) Rationalisatie', men aanvaardt het niet kunnen bereiken van een gesteld doel, legt zich er bij neer, en rechtvaardigt deze houding door een aantal factoren aan te wijzen die buiten het individu liggen.
  • g) Projectie, bepaalde (minder goede) eigenschappen of verlangens worden geprojecteerd in anderen. Op deze wijze kunnen zich bepaalde vooroordelen ontwikkelen m.b.t. minderheidsgroeperingen.
  • h) Autisme, men verliest het contact met de werkelijkheid.
  • i) Identificatie, door zich te identificeren met een succesrijke groepering kan het individu eigen falen verbergen en zich tooien met het succes van de groepering waartoe hij behoort: de groepering die hij in feite "is geworden".
    (In een samenleving waar sterk de nadruk wordt gelegd op het streven naar succes zal een groepering die in hoog aanzien staat en veel successen oogst mensen, die niet in staat zijn aan de eisen van de samenleving op dit punt te voldoen, in staat stellen hun persoonlijke conflicten te elimineren door een vereenzelviging met deze groepering.)
  • Wanneer we al deze reactiewijzen nader bekijken dan kunnen we constateren dat "withdrawal, repression, reactionformation, rationalisation” en "projection" niet tot nieuwe gedragsvormen leiden. Op grond van allerlei motieven durft men een openlijke confrontatie met de werkelijkheid niet aan of ziet men de zin daarvan niet in. Al deze reactiewijzen leiden tot conformisme. Autisme is in feite ook een vorm van conformisme, hoewel men zich niet conformeert aan bestaande waarden, maar vlucht in een schijnwereld.

    Identificatie met een bepaalde groepering kan zowel conformisme als rebellie tot gevolg hebben. Niet de doeleinden van een groepering staan primair; primair staat het opheffen van de individuele conflictsituatie. Deze opvatting vinden we ook terug bij Hoffer wanneer hij spreekt over de onderlinge verwisselbaarheid van sociale bewegingen. Hoffer stelt zich op het standpunt dat alle massabewegingen hun aanhang rekruteren uit mensen van dezelfde geestesgesteldheid, en concludeert daaruit dat:

  • 1) alle massabewegingen elkaars concurrenten zijn, en dat de ledenwinst van de een ten koste gaat van de ander;
  • 2) alle massabewegingen onderling verwisselbaar zijn (86).

    Agressiviteit kan leiden tot allerlei vormen van afwijkend gedrag. Het individu kiest bepaalde objecten waarop het zijn haatgevoelens afreageert; deze objecten kunnen zijn: bepaalde personen, dingen, dieren en/of zichzelf.
    In deze situatie zal de bereidheid van het individu toe te treden tot een beweging, die het in staat stelt persoonlijke haatgevoelens af te reageren, groot zijn. Krech en Crutchfield stellen: “A man frustrated by failure to get ahead in his job may be a likely recruit for an agressive hate group" (87)
    Frustratie kan er dus toe leiden dat iemand zich agressief opstelt tegenover de bestaande orde.

    Enige opmerkingen terzijde.

    Wij willen hier niet zover gaan te stellen dat alle gedragsvormen die afwijken van bestaande gedragsvormen irrationeel en daarmee negatief zijn. Wij willen ons dan ook distantiëren van die sociologen die slechts de negatieve gevolgen van marginaliteit benadrukken.
    We vinden daarbij de socioloog Seeman aan onze zijde, waar hij constateert dat binnen de sociologie het begrip marginaliteit binnen de sfeer van het abnormale, het pathologische wordt getrokken. Tegenover deze negatieve zienswijze, die op het ogenblik domineert, stelt Seeman de opvatting dat marginaliteit een aantal positieve gevolgen kan hebben (88)
    Seeman gaat uit van de these dat marginaliteit een nuttige vorm van non-conformisme kan betekenen, die de creativiteit op het gebied van ideeën bevordert. Het marginale individu dat goed aangepast is aan zijn marginale positie, d.w.z. dat zich bewust is van zijn marginale positie en van de conflicten die daar het gevolg van kunnen zijn, zal, zegt Seeman, geen genoegen nemen met gegevenheden binnen de sociale structuur waar hij deel van uitmaakt, maar zal uitkijken naar nieuwe mogelijkheden (89).
    Uit onderzoek bleek, zo stelt Seeman, dat intellectuele kreativiteit, gecombineerd met het zien van de werkelijkheid in zijn juiste verhoudingen, onder deze mensen zeer groot is. Hiermee bevestigt hij een uitspraak van Simmel, die de marginale persoon ziet als een vreemdeling die gekenmerkt wordt door de objectiviteit van een vreemdeling, een objectiviteit die ertoe leidt dat het individu onbevooroordeeld en begrijpend de werkelijkheid benadert (90).

    Ook Milikowski benadrukt de positieve gevolgen een marginaliteit. Hij verdedigt zelfs in zijn boek "Lof der onaangepastheid" de stelling dat menselijke vooruitgang alleen mogelijk is door onaangepast gedrag. Duidelijk stelt hij echter dat deze stelling niet omkeerbaar is: "Niet alle onaangepastheid is bevorderlijk voor de menselijke vooruitgang" (91).

    Ongetwijfeld hebben Krech en Crutchfield gelijk wanneer zij wijzen op een aantal negatieve gevolgen van marginaliteit; een te sterk benadrukken van de negatieve gevolgen echter leidt ertoe dat iedere vorm van gedrag die enigszins afwijkt van het gedrag van de meerderheid, als abnormaal wordt beschouwd, zodat onderdrukking van de zijde van gezagsdragers het gevolg is.
    Milikowski stelt: “Gezagsdragers, die niet genuanceerd denken, zijn van mening dat men slechts met excessen te doen heeft. Het afwijkend gedrag,hoe onschuldig ook, wekt hun haat en agressie" (92).

    2. Reactiewijzen bij Merton.

    Een tweede reeks van reactiewijzen vinden we bij Merton, die het volgende schema opstelde:

    Modes of adaptationculture goalsinstitutionalized means
    1. Conformity ++
    2. Innovation +-
    3. Ritualism - +
    4. Retreatism - -
    5. Rebellion +/- +/-

    + = acceptance;
    - = rejection;
    +/- = rejection of prevailing valucs end substitution of new valuca.

    Uit dit schema blijkt dat ‘conformity’ en ‘retreatism’ reactiewijzen zijn die geen vernieuwingen in het sociale systeem tot gevolg hebben. De conformist past zich aan, de ‘retreatist’ vlucht uit de samenleving omdat hij de strijd niet aan kan (of omdat hij het zinloos vindt te strijden).
    Deze aanpassingswijzen vinden we terug bij Krech en Crutchfield:

  • Conformisme: "repression; reactionformation; rationalisation; projection".
  • ‘Retreatism’: "withdrawal".
  • De resterende categorieën uit dit schema kunnen we bestempelen als innovatief gedrag. We onderscheidden immers drie soorten innovaties: innovaties op structureel, cultureel en structureel/cultureel gebied.
    Deze conclusie behoeft enige toelichting omdat het schema van Merton enigszins verwarrend werkt; men krijgt de indruk dat alleen in het geval van "rebellion" van productief gedrag gesproken kan worden; ‘innovation" en "ritualism" houden volgens het schema slechts verwerping van bepaalde structurele of culturele gegevenheden in.

    1) ‘Ritualism’.

    Ritualisme wordt door Merton gezien als een reactiewijze waarbij het individu bepaalde waarden verwerpt zonder er nieuwe waarden voor in de plaats te stellen, omdat het niet in conflict wenst te komen met bestaande instituties, waarvan het bestaansrecht erkend wordt.
    De vraag komt nu op waarom Merton deze categorie ( "ritualism") zo duidelijk onderscheidt van de categorie "conformism".
    Inderdaad is objectief gezien sprake van afwijkend gedrag; het individu wijst een aantal waarden uit het bestaande cultuurpatroon af. In de praktijk echter betekent deze afwijzing niets anders dan een zich aanpassen aan een bestaande situatie. De juistheid van de afgewezen waarde wordt niet betwijfeld, het individu aanvaardt de bestaande orde die deze waarden in stand houdt. Aanwijsbare consequenties voor het sociale systeem vloeien uit dit gedrag niet voort, zodat deze categorie eerder behoort tot de categorie conformisme.

    Is in de zienswijze van Merton ritualisme niets meer dan een vorm van conformisme, het begrip krijgt een eigen inhoud wanneer wij het schema anders interpreteren.
    In onze zienswijze gaan wij er vanuit dat een persoon bestaande waarden verwerpt, echter tegelijkertijd, met behulp van de (geïnstitutionaliseerde) kanalen die hem ter beschikking staan, nieuwe waarden tracht te verwezenlijken (ingang te doen vinden).
    In dit geval is sprake van non-conformistisch gedrag, wat niet het geval is wanneer het individu er een levensfilosofie op na houdt die, zoals Merton het stelt, tot uiting komt in de volgende clichés: “I’m playing safe", "I’m satisfied with what I’ve got”, etc…(94).

    2) "Innovation".

    Wanneer hij spreekt over "innovation", doelt Merton op de spanningen die kunnen ontstaan tussen de waarden van een samenleving en de mogelijkheden die de samenleving haar leden biedt deze waarden in de praktijk te realiseren. Het individu, als lid van de samenleving, heeft geleerd bepaalde doeleinden na te streven (b.v. succes); als lid van een bepaalde groepering (b.v. een minderheidsgroepering) is het individu echter niet in staat deze doeleinden te bereiken. Merton stelt nu dat deze discrepantie een gevoel van persoonlijk falen tot gevolg heeft, en dat sommige personen de bron van hun onzekerheid zoeken in de sociale structuur. die zij derhalve verwerpen.
    Merton konkludeert nu: "Those who find its source (de bron van hun onzekerheid) in the social structure may become alienated from that structure and become ready candidates for adaptation" (95).
    Ook hier vragen wij ons af welke betekenisinhoud Merton nu toekent aan het begrip innovatie. Weer stellen wij, dat dit schema alleen gehandhaafd kan worden wanneer we innovatie zien als het verwerpen van bestaande institutionele kanalen en het zoeken van nieuwe wegen om bestaande waarden te verdedigen en algemeen aanvaarde doeleinden te kunnen verwezenlijken.
    Slechts deze interpretatie maakt een plaatsen van het begrip innovatie naast de andere begrippen uit het schema mogelijk.

    Samenvattend commentaar:

    Zagen we bij Krech en Crutchfield alleen nog maar de mogelijkheid die het individu heeft toe te treden tot bepaalde groeperingen teneinde innerlijke conflicten op te lossen, bij Merton zien we binnen dit ruime begrip groepering een drietal vormen zich aftekenen. Het kenmerkende van deze gedragsvormen is dat ze vernieuwingen nastreven, er is sprake van innovatief gedrag, gedrag dat veranderingen in een sociaal systeem impliceert.

    We zien dus dat in bepaalde gevallen, vanuit een gevoel van individuele onvrede, de wens naar voren komt bij het individu veranderingen in een sociaal systeem na te streven. Deze innerlijke onvrede, gecombineerd met de behoefte aan sociaal contact, de sociale waardering van gelijkgezinden, en de praktische onmogelijkheid veranderingen alleen na te streven, maakt het ontstaan van een sociale beweging waarschijnlijk.
    Dit kunnen, uitgaande van het bovenstaande, bewegingen zijn die structurele, culturele of structureel/culturele veranderingen nastreven (‘innovation, ritualism, rebellion’).

    3. Reactiewijzen bij Barnett.

    Ook Barnett gaat er vanuit dat een kernbegrip bij de adoptie van innovaties het begrip "dissatisfactie" is.
    Noodzakelijk voor het ontstaan van de bereidheid nieuwe denkbeelden te aanvaarden is een gevoel van onvrede met bestaande middelen, die bepaalde behoeften niet bevredigen. Deze onvrede wordt, volgens Barnett, bepaald door een aantal factoren die voortvloeien uit het geplaatst zijn van het individu in een bepaalde historische context; in wisselwerking met zijn omgeving kan het individu een predispositie tot het accepteren van vernieuwingen ontwikkelen.
    Tot deze factoren behoren volgens Barnett vooral de biografische determinanten van een individu. Niet alleen bepaalde onplezierige ervaringen in het verleden, maar ook het aanleren van een aantalbehoeften tijdens de opvoeding kunnen later tot conflicten aanleiding geven.
    Barnett stelt dat deze onvrede uit kan groeien tot een duurzame houding; deze houding "may have had its genesis in repeated specific disappointments; or it may have emerged under indoctrination; or it may be due to a compulsion to generate an attitude from a single or a few intense or prolonged disillusionments".
    Hij vervolgt: "Those who manifest such a diffuse attitude of apathy or dissatisfaction tend to be universal acceptors. They are most likely to be the impersonal friends, the reluctant participants, and, if they have the courage, the chronic dissenters and escapists. They are the truly marginal individuals" (97).

    Barnett noemt vier categorieën van ‘adopters’, mensen die op verschillende wijzen reageren op hun marginale situatie (98):

    a. 'The dissident';
    b. 'The indifferent';
    c. 'The disaffected';
    d. 'The resentful'.

    Van deze categorieën is de ‘dissident’ de non conformist, in de zin die Seeman eraan toekent (zie boven). De non-conformist is iemand die openstaat voor het nieuwe, maar die weigert die denkbeelden te aanwaarden, die juist zijn openstaan voor het nieuwe bedreigen. Hij is de scepticus bij uitstek; hij bewaart altijd een zekere afstand; hij zal nooit zonder meer ideeën aanvaarden, maar zich steeds afvragen wat de consequenties zijn, wat de zin van het nieuwe is (99).
    De non-conformist is de vijand van alle ideologieën, omdat een ideologie hem dwingt zich definitief te binden, waarmee zijn onafhankelijke houding verloren zou gaan. Hij is wars van al het irrationele geweld dat kenmerkend is voor een sociale beweging. De leden van deze beweging bezitten een motivatie die hem vreemd is; wij zeiden het reeds, ideologieën verkondigen waarheden. koesteren bepaalde idolen, waarmee ieder gevoel voor de juiste verhoudingen verloren gaat. (zie boven)
    De non conformist echter kent slechts een waarheid: de voortdurende twijfel. +)

  • +) Wij constateren dat juist deze non conformistische houding binnen de sociale wetenschappen aan betekenis inboet op het ogenblik. Men stelt zich op het standpunt dat de wetenschap losgemaakt moet worden uit zijn ivoren toren en dienstbaar moet worden gemaakt aan de gemeenschap en 'de ideologische grondslag' daarvoor dient te worden geformuleerd.
    Het zou echter wel eens bijzonder gevaarlijk kunnen zijn wanneer er geen mensen meer zijn die deze ontwikkeling vanaf enige afstand beschouwen. Het zich onvoorwaardelijk overgeven aan een ideologie, het organiseren van een sociale beweging kan krachten ontketenen, die misschien niet meer in de hand te houden zijn. Bestudering van het verschijnsel sociale beweging zou voor veel mensen aanbevelenswaardig zijn en hen er wellicht toe kunnen bewegen iets voorzichtiger te zijn bij het nastreven van een ideaal.
    Als tweede categorie noemt Barnett de "indifferents". Deze categorie staat enigszins los van de andere categorieën omdat de adoptiebereidheid bij deze personen niet voortvloeit uit onvrede met bestaande verhoudingen, maar, zo stelt Barnettt uit het ontbreken van een aantal remmingen. Zo zouden vooral kinderen gekenmerkt worden door een indifferente houding jegens de waarden van hun ouders, tot volledige indoctrinatie (socialisatie) heeft plaatsgevonden (100).
    Wij zijn van mening dat een dergelijke indifferente houding ten aanzien van bestaande waarden en normen kenmerkend is voor iedere ‘adopter’. Het zijn juist bepaalde remmingen (b.v. groepsnormen) die een individu ertoe bewegen bepaalde vernieuwingen (die door de groep worden afgekeurd) af te wijzen.
    Zo wordt de non-conformist gekenmerkt door een hoge mate van indifferentie; hij identificeert zich niet met bestaande waarden, zodat vervanging van deze waarden gemakkelijk gaat; er gaat geen gedeelte van wat men als ‘het eigen zelf’ beschouwt (iets "natuurlijks") verloren.

    Het kenmerkende van de toestand van "disaffectedness" is volgens Barnett gelegen in de onmogelijkheid bepaalde behoeften te bevredigen met behulp van bestaande middelen. Zo wijst hij op de grote cultuurschok die een student ondervindt bij de overgang van het ouderlijk milieu, met zijn zekerheden, naar een universitaire omgeving waar bepaalde culturele gegevenheden worden gerelativeerd, zodat bevrediging van een aantal behoeften op de wijze die hij gewend was niet meer mogelijk is.
    Deze persoon bevindt zich in een ambivalente situatie: enerzijds moet hij voldoen aan de verwachtingen die voortvloeien uit zijn status als student, anderzijds kent hij een aantal behoeften die niet meer op de vertrouwde wijze kunnen worden opgelost. De behoeften echter bestaan, en het individu zal naar andere oplossingen zoeken (101).
    Zo is het mogelijk dat een religieus persoon overtuigd socialist wordt, wanneer deze socialistische overtuiging niet in strijd is met binnen de universiteit geldende waarden en normen. (Zie Hoffer, blz. 42).
    Wanneer de universitaire omgeving het deze persoon echter niet mogelijk maakt een nieuwe oplossing te vinden (o.a. door het op intellectuele wijze aanschoppen tegen alle idolen) is het mogelijk dat de optredende frustratie afgereageerd wordt in een agressief optreden tegen het gevestigde instituut. Er kan een streven ontstaat, dat erop gericht is van de wetenschap een op ideologie gebaseerde beweging te maken, die zich ren doel stelt dienstbaar te zijn aan de mensheid.

    The resentful" (derde categorie) is de persoon die niets heeft ("The have not") omdat binnen de samenleving waarvan hij deel uitmaakt niet iedereen alles in gelijke mate kan bezitten. Er zijn een aantal goederen die schaars voorhanden zijn, en die derhalve niet iedereen kan bezitten (102).
    Zo kent een samenleving een aantal posities die de bekleder een relatief grote macht geven. Voor het individu dat macht wil bezitten zal het een gruwel zijn een ondergeschikte positie in te nemen.
    Barnett stelt: “They are not resigned to their fate; and by contrast with the complacent individuals whom they envy, they are markedly receptive to the suggestion of a change which will at least equalize opportunities or, perhaps even better, put them on the top and their smog superiors on the bottom" (103). +)

    +) Vaak is het streven naar macht een van de latente doeleinden van een sociale beweging. Dit streven zal, vooral in een idealistische beweging, niet vaak expliciet gesteld worden omdat een streven naar macht naar egoïsme zweemt, terwijl een beweging toch steeds het collectief, en het welzijn daarvan benadrukt. In een later stadium van de beweging (de institutionaliseringfase) wordt dit impliciete doel veelal manifest, en zien we het ontstaan van een nieuwe klasse. ( Zie Milovan Djilas: "De nieuwe klasse".)
    Conclusie:

    We hebben gezien dat een individu op een groot aantal manieren kan reageren op een marginale situatie. Alle auteurs benadrukken het ontstaan van sociale bewegingen als reactie op gefrustreerde behoeften.
    We kunnen daaruit concluderen dat de primaire functie van een sociale beweging de bevrediging van individuele behoeften is. Deze behoeften kunnen variëren van het willen uitoefenen van macht, tot het zich dienstbaar willen maken aan andere mensen, Al naar gelang de behoeften van het individu zal het zich aansluiten bij die beweging die zijn behoeften op de beste wijze bevredigt, zodat aan een onplezierige situatie een einde komt. +)

    +) Het is veelal de tragiek van een sociale beweging dat haar aanhangers eigen waarden en doeleinden verabsoluteren, en niet begrijpen dat deze waarden en doeleinden hun eigen behoeften weerspiegelen, die niet noodzakelijkerwijs universeel zijn.
    Na deze bespreking van mogelijke reactiewijzen van een persoon die geplaatst is in een marginale positie kunnen wij ons afvragen wanneer de diverse reactiewijzen optreden.
    Is het mogelijk aan te geven onder welke omstandigheden, in welke gevallen een sociale beweging ontstaat? Waarom trekt het ene individu zich terug en sluit de ander zich aan bij een agressieve beweging?
    Een antwoord op deze vragen is moeilijk te geven (vooral niet in zijn algemeenheid) omdat wij hier geconfronteerd worden met een samengesteld complex van factoren: persoonlijkheidskenmerken, sociale omstandigheden en kenmerken van nieuwe denkbeelden.
    Wel kunnen we stellen dat de voorkeur voor bepaalde nieuwe denkbeelden in belangrijke mate afhankelijk is van variabelen die met de inhoud van deze denkbeelden geen directe relatie hebben.

    Omdat wij deze stelling niet in zijn algemeenheid op juistheid kunnen testen willen wij ons in de navolgende beschouwing beperken tot het politieke gedrag van mensen.
    We gaan daarbij uit van de stelling van Aich dat persoonlijke en sociale variabelen een grote rol spelen bij het tot stand komen van een politieke instelling (104).
    Een groot aantal auteurs tracht deze uitspraak met empirisch materiaal te ondersteunen, vooral die auteurs die zich bezighouden met het begrip statusconsistentie.
    In het volgende hoofdstuk zullen wij de opvattingen van deze auteurs raar voren brengen, wanneer wij de relatie marginaliteit (statusinconsistentie) - sociale beweging (m.n. sociaal politieke beweging/politiek extremisme) bespreken.

    Noten:

    * 85. Krech en Crutchfield (1962), p. 199 e.v. - * 86. Hoffer (1952), p. 29 - * 87. Krech en Crutchfield (1962), p. 120 - * 88. Seeman (1964), p. 425 - * 89. Idem, p. 432 - * 90. Idem, p. 425 - * 91. Milikowski (1968), p. 14 - * 92. Idem, p. 15 - * 93. Merton (1957), p. 139 - * 94. Idem, p. 150 - * 95. Idem, p. 147 - *. 96. Barnett (1953), p. 379 - * 97. Idem, p. 380 - * 98. Idem, p. 381 e.v. - *. 99. Idem, p. 381-385 - * 100. Idem, p. 386 e.v. - * 101. Idem, p. 390 - * 102. Idem, p. 401 - * 103. Idem, p. 401 - * 104. Aich (1966), p. 509

    Literatuurlijst:

      Aich, P. Soziale Determinanten der politischen Einstellung der
        Afrikanischen und Asiatischen Studenten in Deutschsprachigen Ländern
        Kölner Zeitschrift für Sociologie und Sozial-Psychologie
        (1966) Vol. 18, pp. 482-515.
      Barnett, H.G. Innovation, the basis of cultural change, 1953
      Hoffer, E. De ware gelovige;
        beschouwingen over het wezen van massabewegingen, 1952
      Krech, D., R.S. Crutchfield e.a. Individual in society, 1962
      Merton, R.K. Social theory and social structure, 1957
      Merton, R.K. The role-set; problems in sociological theory,
        The British Journal of Sociology vol 8 (1957) pp. 106-120
      Milikowski, H.Ph. Lof der onaangepastheid, 1968
      Seeman, L. Intellectual perspective and adjustment to
        minority status, in: Mass Society in crisis,
        B. Rosenberg, I. Gerver and F.W. Howton, eds., 1964