SOCIALE VERANDERING,
SOCIALE BEWEGING EN MARGINALITEIT

de schrijver in 1969

literatuurscriptie - utrecht, november 1969,

HOOFDSTUK IV
Marginaliteit.

1. Marginaliteit. DefiniŽring van het begrip.

In dit hoofdstuk zullen wij de marginaliteitsproblematiek behandelen aan de hand van een aantal definities. We gaan daarbij in eerste instantie uit van de vrij enge definitie van R.E. Park en E.V. Stonequist, en zullen proberen te komen tot een ruimere definitie door het belichten van essentiŽle (geestelijke) processen die werkzaam zijn.

Uitgangspunt voor onze benadering van het begrip marginaliteit vormt voor ons het feit dat de sociale werkelijkheid gezien kan worden als zijnde gestructureerd. Wij ontdekken een sociale structuur die we kunnen beschouwen als een geheel van posities.
Onder sociale positie wordt verstaan: ďde plaats die iemand inneemt binnen een groep of in een samenleving, in verhouding tot anderen" (47).
Aan deze positie zijn een aantal rechten en verplichtingen verbonden, d.w.z. zowel het individu als degenen met wie het in relatie staat hebben bepaalde eisen en verwachtingen ten aanzien van elkaar. Op grond van deze wederzijdse verwachtingen weet het individu hoe het zich in een bepaalde positie behoort te gedragen, welke sociale rol het moet spelen.

In iedere groepering nemen we een tendens waar tot uitkristallisatie van een sociale structuur bestaande uit een groot aantal geÔnstitutionaliseerde posities. Deze posities vormen de basis voor individuele participatie in een groepering (48). De samenleving kent aan deze posities namelijk een zekere sociale betekenis toe, afhankelijk van de mate van overeenstemming over de bijdrage die een positie levert aan de bevrediging van de behoeften van de samenleving.

Zo wordt in onze samenleving sterk de nadruk gelegd op economische productiviteit. Diegenen in een samenleving die zich economisch niet nuttig maken, opgroeiende jeugd, studerenden, etc., verkeren daarom in een positie waarin zij een geringe mate van sociale waardering ondervinden. Het is daarom te begrijpen, maar eigenlijk ook erg triest, dat binnen de huidige studentenbeweging leuzen als "studeren is uitgestelde productiviteit" naar voren komen. Kennis bezit geen inherente waarde meer, maar dient nuttig te zijn...

Het niet voorhanden zijn van betekenisvolle geÔnstitutionaliseerde posities voor een aantal categorieŽn mensen betekent, zoals uit het voorbeeld blijkt, dat deze personen niet op sociaal zinvolle wijze kunnen deelnemen aan het leven binnen de samenleving. Wittermans en Kraus spreken van marginale personen (49).

Wij hebben nu een eerste omschrijving van het begrip marginaliteit, die ons in staat stelt aan te grijpen bij de opvattingen van Park en Stonequist.
Wat betreft het boek van Stonequist, ďThe marginal man", nemen wij graag over hetgeen Allwood hierover opmerkt: ďHet boek onderscheidt zich in veel opzichten van de klassieke sociologische literatuur, maar opvallend is de benaderingswijze die gekenmerkt wordt door een diep menselijke bewogenheid" (50).
Het nadeel van deze idealistische benaderingswijze is echter dat deze studie in veel opzichten tijdgebonden is. Stonequist richt zijn aandacht vooral op een aantal onderdrukte groeperingen: etnische minderheden in de Verenigde Staten en overheerste volken in koloniale gebieden. De nadruk komt hierdoor te liggen op het bestaan van uniforme meerderheidsculturen die minderheden, die geen deel uitmaken van de meerderheid, uitsluiten van sociaal verkeer binnen de samenleving. Het marginale individu wordt als gevolg daarvan omschreven als iemand die te kampen heeft met psychische spanningen en onzekerheidsgevoelens vanwege het behoren tot twee groeperingen (51). Dit ondanks het feit dat in zijn inleiding Stonequist stelt dat ieder individu tot meerdere groeperingen behoort (52).
Daar wij aannemen dat Stonequist (en Park, die dezelfde definitie hanteert) niet elk individu marginaal zal willen noemen, concluderen wij dat hij zijn begrip van toepassing acht op geÔsoleerde groeperingen, die echter, zoals Allwood terecht constateert, in onze moderne samenleving niet voorkomen.
Allwood stelt dat de theorieŽn van Stonequist en Park zijn gebaseerd op het romantisch ideaal van nationale eenheid, een vooronderstelling die ook ten grondslag zou liggen aan het werk van Durkheim, volgens wie sociale problemen zouden voortvloeien uit het ontbreken van een natuurlijke toestand van ideologische consensus en nationale solidariteit (54).

Het lijkt ons realistischer de huidige samenleving te kenschetsen als een pluralistische maatschappijstructuur, die een groot aantal, gedeeltelijk in elkaar overvloeiende, groeperingen omvat. Deze groeperingen refereren zich alle (min of meer) positief aan een beperkt aantal "universele'' waarden en normen, maar vertonen verder een eigen karakter. +)

+) Misschien wordt hier het pluralistisch maatschappijbeeld geÔdealiseerd. Een zeker axiomatisch uitgangspunt is echter noodzakelijk en het is niet meer dan juist dat axioma's binnen een wetenschappelijk betoog duidelijk worden geformuleerd.

Omdat niet gesproken kan worden van de aanwezigheid van volledig geÔsoleerde groeperingen stelt Allwood dat derhalve niet meer over marginaliteit (in de zin van Ďhet zich bevinden op de grens van twee groeperingení) gesproken kan worden. Deze conclusie zou juist zijn wanneer er slechts sprake zou zijn van een enkele, objectief waarneembare, werkelijkheid. Allwood gaat echter voorbij aan het feit dat het individu de werkelijkheid op zijn eigen wijze interpreteert. We kunnen wel stellen, dat objectief gezien geen volledig geÔsoleerde groeperingen meer bestaan, dat wil echter niet zeggen dat het individu deze door ons waargenomen werkelijkheid als zodanig aanvoelt. Zo is het heel goed mogelijk (Allwood wijst daar zelf op (55)), dat een aantal personen zelf een meerderheid in het leven roept, aan wie zij zich positief of negatief refereren. Zo hebben bijvoorbeeld de leden van een sociale beweging de neiging alle personen die niet tot de eigen groep behoren onder te brengen in een ongedifferentieerde 'zondebokgroepering' (linksen, fascisten, reactionairen, etc.). Hieruit blijkt, dat bij definiŽring van het begrip marginaliteit aandacht besteed moet worden aan subjectieve processen en dat met oppervlakkige, objectieve constateringen niet kan worden volstaan.

Wanneer wij stellen dat marginaliteit gezien moet worden als "het zich bevinden op de grens van twee groeperingen", een definitie die we ook bij De Jager en Mok aantreffen (56), dan wordt onrecht gedaan aan de essentiŽle kenmerken van een marginale situatie.
n feite doen we niets anders dan een verschijnsel dat wij zintuiglijk waarnemen (dat objectief in de werkelijkheid gegeven is) te beschrijven, om het daarna aan te duiden met een bepaalde naam.
Bij nadere bestudering van het verschijnsel echter is het mogelijk dat er enige subjectieve processen werkzaam blijken te zijn die dan exclusief aan dat ene verschijnsel worden toegekend, terwijl het zeer goed mogelijk is dat verschillende verschijnselen, die ogenschijnlijk niet op elkaar lijken, in wezen gelijk zijn, d.w.z. zij hebben een aantal essentiŽle kenmerken gemeenschappelijk, een waarheid die verloren gaat wanneer de onderzoeker weigert afstand te doen van het simpele naamgevingproces.
Het lijkt ons daarom zinvol bij het definiŽren van het begrip marginaliteit op een iets hoger abstractieniveau te werken zodat de essentiŽle kenmerken naar voren komen.

Allwood is deze opvatting niet toegedaan, want na geconstateerd te hebben dat marginaliteit in objectieve zin niet bestaat stelt hij voor het begrip marginaliteit te betrekken op individuen die volkomen zijn geÔsoleerd, "the marginal outcasts" (57).
Hij wil daarmee de aandacht vestigen op die kinderen die geboren worden uit ouders van verschillende nationaliteiten. Een 'outcast' kan zich niet identificeren met beide ouders; steeds zal sprake zijn van "pseudo identificatie" omdat het kind zich slechts kan identificeren met het land (de culturele achtergrond) van een van beide ouders. Het kind groeit op in een disharmonische omgeving, integratie in de samenleving waarvan het deel uitmaakt is niet mogelijk en de "outcast" wordt dan ook voortdurend gekweld door gevoelens van frustratie en onzekerheid.
In de opvatting van Allwood zijn die individuen marginaal die volkomen geÔsoleerd zijn. Ook bij hem zien we een koppeling van het begrip marginaliteit aan een categorie van personen.

Een iets ruimere zienswijze vinden we bij Wittermans en Kraus die stellen dat marginaliteit het ontbreken van geÔnstitutionaliseerde posities impliceert, een zienswijze die de reeds besproken voorbeelden van marginaliteit niet uitsluit. Wittermans en Kraus geven de volgende definitie:
'Marginaliteit is die toestand waarin het individu zich bevindt wanneer het hem niet mogelijk is op sociaal zinvolle wijze deel te nemen aan het leven van de groepering waarvan het deel uitmaakt vanwege bepaalde structurele belemmeringen" (58).
Ook hier zien we de opvatting dat het individu zich ten doel stelt een positie te bereiken die het in staat stelt op voet van gelijkheid deel te nemen aan het leven van de groepering waarvan het deel uitmaakt.
Voorbijgegaan wordt echter aan het feit dat het individu slechts waardering verlangt van die groeperingen waartoe het wenst te behoren, anders gezegd waaraan het zich refereert. De groepering waartoe het individu behoort hoeft niet samen te vallen met de referentiegroepering (59).
Het is daarom beter te stellen dat het individu op sociaal zinvolle wijze wil deelnemen aan het leven van die groepering waaraan het zich refereert. Ook moet duidelijk gesteld worden dat het individu zich aan meerdere groeperingen kan refereren.

Wij hebben reeds het belang van het bestaan van geÔnstitutionaliseerde posities voor het individu benadrukt. Ook Wittermans benadrukt de importantie daarvan en geeft daarvoor de volgende redenen:

  • 1) Het individu wordt door positietoewijzing een duidelijk omschreven plaats in de sociale structuur toegekend ("structural location") op grond waarvan het zijn gedrag kan bepalen. De positie is de basis van waaruit verdere oriŽntatie mogelijk is.
  • 2) GeÔnstitutionaliseerde posities bepalen in belangrijke mate individuele gevoelens van zekerheid en zelfrespect, door erkenning van de waarde die het individu heeft voor de groep, door verlening ban een aantal rechten en door het toekennen van beloningen.

  • Het bekleden van dergelijke posities impliceert dus erkenning van persoonlijke capaciteiten en toekenning van rechten en prestige: het individu wordt sociaal gewaardeerd.
    Deze sociale waardering is daarom zo belangrijk omdat het beeld dat het individu van zichzelf heeft mede bepaald wordt door de waardering die het van anderen ondervindt. Het ontbreken van sociale waardering zal daarom leiden tot gevoelens van onzekerheid, verlies van zelfrespect en verlies van normatieve richtlijnen. Het individu voelt zich geÔsoleerd omdat zinvolle participatie binnen de groepering waartoe het wil behoren niet mogelijk is.

    Hoewel de benadering van Wittermans en Kraus ons inzicht in de marginaliteitsproblematiek aanzienlijk verruimt moet ook hier geconstateerd worden dat eenzijdig de nadruk wordt gelegd op twee, diametraal tegenover elkaar geplaatste groeperingen, waarvan de een deelname aan het groepsleven van de ander verhindert. +)
    Deze benadering is echter daarom zo belangrijk omdat het begrip sociale positie centraal wordt gesteld.

    +) Misschien is deze eenzijdigheid impliciet aan een sociologische benadering. Hier past wellicht de uitspraak van Allwood: ďHet is de taak van de sociologie minder nadruk te leggen op het begrip sociale groep en meer aandacht te besteden aan het individu, zonder wiens vrije wil er geen groep kan bestaan". Allwood, 1964, P 38.
    Het is Hughes geweest die stelde dat het begrip marginaliteit benaderd moet worden vanuit de sociale positie die het individu bekleedt (60).
    Hughes constateert dat het individu meerdere posities bekleedt (uitgangspunt van dit hoofdstuk) en hij wijst op de innerlijke conflicten die hieruit kunnen voortvloeien. Marginaliteit, zegt hij, is niet zozeer het leven op de rand van twee groeperingen als wel het in zich verenigen van tegenstrijdige rolverwachtingen.
    Het is dus niet zo dat alleen personen die buitengesloten zijn van een groepering of die nog niet als volwaardig lid zijn geaccepteerd marginaal kunnen worden genoemd, maar ook die personen die, zoals Hughes het noemt, te kampen hebben met een statusdilemma (61).
    Hughes denkt hierbij met name aan bekleders van traditioneel omschreven posities die lid worden of wensen te worden van een groepering waarvan zij tot dan toe vanwege bestaande vooroordelen geen deel konden uitmaken, b.v. de vrouw die een als "mannelijk" bestempelde positie bezet.
    Hier ligt, zegt Hughes, een tegenstelling die leidt tot een dilemma bij de ander, maar ook bij het individu zelf.

    Dilemma en consistentie.

    Van het begrip statusdilemma is de overgang niet groot naar het begrip statusconsistentie, ook aangeduid met de naam statuskristallisatie (62).
    Jackson definieert statusconsistentie als de mate waarin de posities die het individu inneemt in belangrijke "statushiŽrarchieŽn'' op een min of meer gelijk niveau liggen.
    Jackson gaat, evenals Hughes, uit van het feit dat het individu een groot aantal posities bekleedt. Hij stelt dat deze posities geclassificeerd kunnen worden in een aantal "statussystemen". Hij spreekt van een "multidimensional system of stratification" welke hij plaatst tegenover de traditionele opvatting van een enkele statushiŽrarchie, waarin personen boven elkaar worden geplaatst.
    Krech en Crutchfield stellen ook dat het individu in een samenleving deel uitmaakt van meerdere statussystemen. Genoemd worden systemen gebaseerd op beroep, opleiding, macht en sociale afkomst (63).
    Wanneer posities niet op een gelijk niveau liggen is sprake van statusinconsistentie of statusdiscrepantie. Zo kan iemand een hoge opleiding hebben genoten terwijl hij een lage beroepspositie inneemt. Deze discrepantie, stelt Krech, kan een bron van ernstige frustratie vormen voor het individu; hij wordt geconfronteerd met tegenstrijdige verwachtingen.

    Resumerend kunnen wij stellen dat in al deze theorieŽn de nadruk wordt gelegd op de frustrerende situatie waarin het individu verkeert wanneer het moet voldoen aan tegenstrijdige verwachtingen die het gevolg zijn van het bekleden of het willen bekleden van meerdere posities. Wij menen hierin het basisprobleem gevonden te hebben zodat wij de volgende definitie voorstellen:

    Marginaliteit dient te worden gezien als een confrontatie van relatief lange duur met tegenstrijdige (vaak elkaar uitsluitende) verwachtingen, als gevolg van het bekleden (of willen bekleden) van meerdere geÔnstitutionaliseerde posities.

    Wat we hier dus gedaan hebben is het analyseren van een aantal theorieŽn betreffende situaties die het individu in een marginale positie brengen. Door af te zien van specifieke eigenschappen van de beschreven situaties was het ons mogelijk door te dringen tot de essentie van genoemde verschijnselen, waardoor wij het begrip marginaliteit op een iets hoger abstractieniveau konden plaatsen.

    2. Gevolgen van marginaliteit.

    In het voorgaande is reeds herhaaldelijk (maar op terloopse wijze) melding gemaakt van de gevolgen van marginaliteit voor het individu. Wij willen ze hier ter vergroting van de duidelijkheid nog eens expliciet vermelden:

  • a) Frustratie: het individu wenst te voldoen aan de verwachtingen die anderen ten aanzien van zijn gedrag koesteren. Wanneer er sprake is van tegenstrijdigheden dan is het hem niet mogelijk aan alle verwachtingen te voldoen. Het gevolg is dat hij door die personen aan wiens verwachtingen hij niet voldoet negatief beoordeeld wordt. Het aanknopen van sociale betrekkingen zal hierdoor worden bemoeilijkt. De behoefte aan sociale waardering kan niet worden bevredigd, er is sprake van frustratie.
  • b) Onzekerheid: het individu weet niet wat het kan verwachten van anderen en hoe het zich moet gedragen ten opzichte van anderen, het bevindt zich in een situatie van gedragsonzekerheid.

  • Het individu zal aan de onprettige situatie waarin het zich geplaatst ziet een eind willen maken, waarbij het op verschillende manieren kan reageren. In het verloop van deze scriptie zullen de mogelijke reactiewijzen nog ter sprake komen.

    3. Marginaliteit en Rol(len) conflict.

    Om misverstanden te voorkomen lijkt het ons gewenst het begrip marginaliteit duidelijk af te grenzen van het begrip rolconflict. Ook bij een rolconflict is sprake van een confrontatie van het individu met een aantal tegenstrijdige rolverwachtingen. Deze confrontatie leidt tot een innerlijk conflict wanneer het individu een specifieke taak moet vervullen: Ďrole strainí (64).

    In elke positie die een persoon bekleedt, zegt Goode, moet het individu een groot aantal verschillende rollen spelen. Merton spreekt van een "role set": "By role set I mean that complement of role-relationships in which persons are involved by virtue of occupying a particular social status" (65)
    De conflicten die voortvloeien uit de confrontatie met tegenstrijdige rolverwachtingen uit een rolset, door De Jager en Mok gedefinieerd als intern rolconflict (66), zijn slechts van korte duur en hebben geen verstrekkende consequenties voor het individu.
    In onze zienswijze wordt echter uitgegaan van het feit dat het individu meerdere posities in zich verenigt. Merton spreekt van "status set" (67), hetgeen conflicten met zich kan meebrengen. Conflicten als gevolg van confrontatie met tegenstrijdige rolverwachtingen uit verschillende rol sets definiŽren De Jager en Mok als extern rolconflict (68).

    Ook bij een extern rolconflict is de frustrerende situatie meestal van korte duur, en vaak is sprake van posities die van geringe importantie zijn, in die zin dat ze geen sociale waardering verschaffen.
    Wanneer er echter sprake is van confrontatie met tegenstrijdige verwachtingen uit rolsets behorend bij relatief belangrijke sociale posities, posities die in belangrijke mate het zelfrespect van het individu bepalen, die participatie in het groepsleven mogelijk maken en die de sociale waardering van een groot aantal mensen met zich meebrengen, dan is het mogelijk dat een conflict ontstaat waarvoor geen snelle oplossing kan worden gevonden. Wij zouden hier kunnen spreken van een bijzonder intensief extern rolconflict.
    Een dergelijk intensief conflict zal b.v. optreden wanneer een overtuigd christen geplaatst wordt in een atheÔstische omgeving, deze persoon bevindt zich in een marginale positie.
    Een minder intensief conflict zal optreden in het geval van de vader die tegelijkertijd onderwijzer is en als zodanig zijn zoon tegemoet moet treden; hier is sprake van een extern rolconflict dat weliswaar onprettig is voor de betreffende persoon, maar dat geen blijvende psychische spanningen en onzekerheid met zich meebrengt.

    4. Mogelijke bronnen van marginaliteit.

    Zoals we gezien hebben kan marginaliteit voortvloeien uit het bekleden van meerdere posities die in strijd zijn met elkaar (statusdilemma, statusinconsistentie).
    Ook kan marginaliteit het gevolg zijn van het willen bekleden van bepaalde posities, een streven dat echter wordt verhinderd door tegenstand van andere groeperingen (minderheidsgroepering contra meerderheidsgroepering), of door beperkende waarden en normenpatronen die het bekleden van sommige posities voor een aantal personen verbieden of onmogelijk maken.
    Merton spreekt in het laatste geval van "social problems"; er bestaat binnen de samenleving een discrepantie tussen wat is (Ďsocial standardsí) en datgene wat volgens een aantal mensen zou moeten zijn ("social actuality") (69).
    De mensen zijn in dit geval gedwongen posities te bekleden die in strijd zijn met hun diepste overtuiging, hetgeen hevige conflicten met zich meebrengt.

    Een duidelijk voorbeeld van een dergelijke discrepantie binnen een samenleving zagen we in de Verenigde Staten. In een democratische samenleving, waar de waarden vrijheid en gelijkheid centraal staan, hadden negers niet het recht (vooral in het zuiden van de V.S.) als gelijke van de blanke aan democratische procedures (b.v. verkiezingen) deel te nemen.
    Er ontstond een conflictsituatie die allerlei vormen van sociaal en individueel gedrag tot gevolg had (alcoholisme, druggebruik, zelfmoord, massaverschijnselen).
    We zien hier dat een bestaande sociale situatie aanleiding kan geven tot een groot aantal "afwijkende" gedragsvormen. Blijkbaar stelt deze situatie een aantal processen in werking die tot dit gedrag leiden.

    Naar aanleiding van dit voorbeeld kunnen wij ons afvragen welke sociale omstandigheden marginaliteit tot gevolg hebben.

    Nisbet noemt een aantal processen die tot tegenstrijdigheden aanleiding kunnen geven (70):

  • a) "Conflict of institutions"
  • b) ďSocial mobility";
  • c) "Individuation";
  • d) "Anomie".
  • A. Conflicten als gevolg van het bestaan van meerdere instituties.

    Vooral in een pluralistische samenleving, waarbinnen het individu deel uitmaakt van een groot aantal instituties, zal de kans op innerlijke conflicten groot zijn. Nisbet zegt: "Where there is pluralism, there is competition and even conflict of ends, influences and functions" (71).
    Een pluralistische samenleving werkt dus psychische spanningen in de land. Geredeneerd vanuit onze probleemstelling dat er wel eens een relatie zou kunnen bestaan tussen marginaliteit en politiek extremisme zou een pluralistische samenleving het ontstaan van extremistische groeperingen in de hand werken.
    Met deze opvatting komen wij echter in conflict met de aanhangers van de "mass society theory" (waarvan als belangrijkste vertegenwoordigers E. Fromm, W. Kornhauser en P. Selznick kunnen worden genoemd).

    Mass society theorie

    De aanhangers van deze theorie stellen zich op het standpunt dat een pluralistisch systeem noodzakelijk is voor het instandhouden van democratische instituties en het voorkomen van politiek extremisme, dat een bedreiging vormt van deze instituties.
    Gusfield geeft een samenvatting van de belangrijkste opvattingen van de "mass society" theoretici (72).
    In de massasamenleving is sprake van een toenemende atomisatie; er ontstaat een ongedifferentieerde, structuurloze samenleving. Traditionele sociologische categorieŽn als gezin, klasse, gemeenschap, etnische minderheid, e.d., zijn irrelevant bij de bestudering van de samenleving, omdat deze eenheden hun betekenis hebben verloren in de moderne samenleving, die gekenmerkt wordt door een grote uniformiteit en structuurloosheid.
    De mens in deze moderne geÔndustrialiseerde samenleving wordt gekenmerkt door isolatie, en gebrek aan normale menselijke relaties.

    Ook Michel spreekt van een toenemende massificatie in de moderne samenleving. In navolging van Gehlen ("Die Seele im technischen Zeitalter") en Freyer (ďDie Theorie des gegenwšrtigen Zeitalters") stelt hij dat sprake is van een toenemende vereenzaming van de moderne mens. De mens wordt in het heersende sociale systeem tot functie gereduceerd: "De mens wordt een willig werktuig van de instituten en daaraan aangepast. Wat hij moet zijn, zelfs wat hij is, wordt niet door hemzelf, maar juist door zijn plaats en functie in het zakelijk proces uitgemaakt" (73).
    De mens wordt erop getraind een bepaalde taak naar behoren uit te voeren; persoonlijke vrijheid wordt niet getolereerd omdat zij een efficiŽnte taakuitvoering verhindert. Zo wordt de mens gereduceerd tot mecanicien, secretaresse, bedrijfsleider; hij wordt samen met gelijkgeschakelde soortgenoten ondergebracht in categorieŽn. Met de ander treedt hij slechts in contact als onderdeel van een bepaalde categorie, "hij is een nummer, een raadje in het raderwerk, maar geen mens in de zin van persoonlijke vrijheid en persoonlijke beslissingen" (74).
    Er ontstaat, zegt Michel, op deze wijze een toenemende kloof tussen de drang naar menselijkheid enerzijds en het streven naar economische prestatieverhoging en grotere efficiŽntie anderzijds. Het gevolg van deze discrepantie is dat het individu zichzelf gaat ervaren als vreemdeling.
    Vervreemding van zijn werk, normloosheid van de huidige massacultuur en gevoelens van machteloosheid vanwege het geplaatst zijn in grote anonieme organisaties veroorzaken gevoelens van frustratie en onzekerheid. Het individu verkeert in een situatie van isolement; primaire en secundaire groeperingen verdwijnen zodat hij alleen overblijft met zijn niet te vervullen verlangens naar identiteit, liefde en zekerheid. In zijn pogingen aan deze situatie een eind te maken zoekt hij, volgens Michel, een oplossing binnen bepaalde groeperingen die zich buiten de samenleving opstellen.

    Wij zijn de mening toegedaan dat veel van hetgeen de "mass society" theoretici beweren als zinvol dient te worden aangemerkt. Er is in onze huidige samenleving ongetwijfeld een tendens naar massificatie te bespeuren. Vooral de massamedia dragen bij tot een steeds groter wordende uniformering. Toch is het gevaar niet zo groot, zolang deze massacommunicatiemiddelen niet in dienst staan van een centrale macht, die haar denkbeelden aan iedereen wil opleggen, hetgeen in onze westerse samenleving niet (of in elk geval niet op dramatische wijze) het geval is.
    Het lijkt ons daarom juist de "mass society" theorie te zien als een ideaaltypische schildering van onze moderne maatschappij. De theorie is in zoverre nuttig dat zij ons attent maakt op het menselijk lijden dat het gevolg kan zijn van een te ver doorgevoerde massificatie, zodat we tijdig kunnen ingrijpen wanneer een dergelijke ontwikkeling zich voordoet.

    Van belang voor deze scriptie is de stelling van de 'mass theory'-aanhangers dat er steeds mensen zijn die niet tevreden zijn met de bestaande werkelijkheid. Zij willen een werkelijkheid die overeenkomt met hun denkbeelden en zij stellen zich buiten de bestaande orde op om hun belangen te verdedigen.
    De mass society theoretici zien hierin een bedreiging voor wat zij Ďde democratische waardení noemen. Zij zijn bang dat door een verlies aan invloed van primaire en secundaire instituties overdracht van democratische waarden en normen onmogelijk wordt gemaakt en dat door afnemende sociale controle ondemocratische groeperingen vrij spel hebben.
    We moeten daar echter tegenover stellen dat ook in een pluralistische samenleving de kans op het ontstaan van ondemocratische, vrijheidsbeperkende bewegingen groot is. Wij zeiden het reeds, door het grote aantal groeperingen binnen een pluralistische samenleving is de kans op statusinconsistentie groot. Innerlijke conflicten als gevolg hiervan kunnen bijzonder intensief zijn, en kunnen, zoals we hierna nog zullen zien, aanleiding geven tot een groot aantal irrationele gedragsuitingen.
    Hoewel de noodzaak bestaat deze irrationele gedragsvormen tot op zekere hoogte in te perken (zo kunnen we ons voorstellen dat ingegrepen wordt wanneer de vrijheid van een groot aantal mensen in gevaar wordt gebracht) zal het bestaan van dergelijke irrationele gedragsvormen als reactie op innerlijke spanningen zoveel mogelijk getolereerd moeten worden, wil men niet het gevaar lopen een ideale (Huxley-aanse) maatschappij te vestigen waarin voor een individuele gevoels en denkwereld geen plaats meer is.

    B. Sociale mobiliteit.

    Als tweede mogelijke bron van marginaliteit noemt Nisbet sociale mobiliteit. Mobiliteit kan, zo stelt Turner tot grote spanningen bij het individu leiden. Hij noemt (75):

  • a) Innerlijke spanningen als gevolg van een streven naar een hoge positie die moeilijk te bereiken is;
  • b) Spanningen als gevolg van het moeten verlaten van de vertrouwde vriendenkring omdat binnen de nieuwe groepering vriendschappelijke relaties moeten worden opgebouwd.
  • c) Spanningen als gevolg van de noodzaak een nieuw consistent geheel van waarden en normen op te bouwen vanwege de overgang naar een groepering met een afwijkend waarden en normensysteem.

    Mobiliteit kan op velerlei wijze tot stand komen. Hagen noemt de volgende gebeurtenissen die van invloed zijn op de sociale mobiliteit (76):

    1) Staatsgrepen en revoluties bewerkstelligen een verandering van de machtsstructuur van een samenleving. Wij zien hier een positiestijging van een aantal personen die ten koste gaat van positiedaling ( "statuswithdrawal") van de groepering waartegen men zich richt.
    b) Contact met nieuwe groeperingen (door acculturatie of toenemende communicatiemogelijkheden) kan een verandering in de waardeoriŽntering van een aantal personen tot gevolg hebben.
    Bepaalde geÔnstitutionaliseerde posities verliezen hun betekenis, nieuwe posities nemen hun plaats in. (Hagen geeft als voorbeeld o.a. Japan maar een traditionele samenleving in contact kwam met de westerse cultuur. Men zag dat bepaalde verworvenheden van de westerse samenleving het mogelijk maakten nieuw sociaal prestige te verwerven; men koesterde al bepaalde aspiraties, maar beschikte niet over de mogelijkheden deze te verwezenlijken. De nieuwe westerse technologie bracht hier uitkomst. 76 a))
    c) Technologische veranderingen kunnen eveneens leiden tot het ontstaan van nieuwe posities. Zo zien we bij de overgang van een traditionele naar een geÔndustrialiseerde samenleving een economische machtselite ontstaan die de heersende machtselite bedreigt.
    Ook hier treedt een verandering in waardeoriŽntering op; als nieuwe waarde zien we optreden ďhet deelnemen aan het productieproces". Het concurrentieprincipe doet zijn intrede. In het westen leidt dit tot een benadrukken van het streven naar succes, een principe dat in onze huidige samenleving grote konflikten tot gevolg heeft. Merton noemt de benadrukking van het streven naar succes in onze samenleving een belangrijke bron van anomisch gedrag (77).
    Ook Nisbet stelt dat een in het heersende cultuurpatroon vastgelegd streven naar succes tot grote conflicten kan leiden, n.l. wanneer dit streven geblokkeerd wordt:
    "The struggle to succeed, to belong, to influence, lies behind remarkable achievements in all areas of our society. But it also lies behind some of the tragedies: lives broken by the struggle; individuals driven to means that are not tolerated; children, as well as adults, who seek statussecurity where they can find it, even when it lies in illegal or unmoral contexts" (78).
    d) Bepaalde groeperingen (etnische groeperingen, emigranten, jeugd, etc.) wensen opgenomen te worden in een nieuwe groepering binnen de samenleving waarvan zij deel uitmaken.
    Op grond van stereotype beelden die de andere groepering zich van hen heeft gevormd wordt hun echter de toegang belet. Er is hier sprake van minderheidsgroeperingen; "groeperingen die het voorwerp zijn van vooroordeel en discriminatie van de zijde van de dominante meerderheidsgroeperingen (79).
    Het bestaan van minderheidsgroeperingen kan, volgens Rose, tot de volgende conflicten aanleiding geven:

  • 1) Machtsconflict: strijd om bepaalde schaarse gegevenheden, rijkdommen, sociaal economische posities, e.d.
  • 2) Ideologisch conflict: strijd om de suprematie van een bepaalde levenswijze of waarden en normensysteem. Iedere groepering in het conflict is er stellig van overtuigd te beschikken over de enig juiste waarden, die noodzakelijkerwijs door alle mensen moeten worden aangehangen. Rose zegt hierover:"Ideologies that are the sources of ideological conflicts invariably are absolutistic. The values and forces of God, history or Utopia are in some way transcendent over all others" (80)
    Een ideologie vereist gelovigen want zij verkondigt de absolute waarheid. Niet gelovigen, die de verwezenlijking van het ideaal in de weg staan, dienen te worden te geŽlimineerd; het ideaal staat immers het welzijn van alle mensen voor, en pretendeert veelal humanitair te zijn, niet individualistisch en (vooral) niet egoÔstisch.
  • 3) Racisme: racisme berust op de wens de raszuiverheid te bewaren. Men wijst alle verlangens van minderheidsgroeperingen af, ieder persoonlijk contact dient vermeden te worden, een strikte scheiding wordt voorgestaan (apartheidspolitiek).

  • Naast de bovengenoemde, vrij drastische, wijzen waarop sociale mobiliteit tot stand kan komen (a, b, c en d) moet nog gewezen worden op de toenemende openheid van de westerse sociale systemen.
    In onze westerse samenleving doet zich het verschijnsel voor van formalisatie van het opklimmingsproces (81), eenvoudiger gezegd: Ďhet tot norm verheffen van hoger op willen komení. Hierdoor is het voor grote aantallen mensen mogelijk van positie te veranderen. Daarmee zal ook de kans op het ontstaan van marginaliteit toenemen.
    Deze laatste ontwikkeling is daarom zo belangrijk omdat zij een groot aantal conflicten in een relatief stabiele (niet gedesorganiseerde) samenleving kan verklaren. Het is dus niet zo, zoals veel sociologen beweren, dat conflicten slechts het gevolg zijn van drastische structuurwijzigingen.
    Merton merkt in dit verband op dat "the same social structure and culture that in the main make for conforming and organized behavior also generate tendencies toward distinctive kinds of deviant behavior and potentials of social disorganisation".
    Hij vervolgt: "From this premise, it can be seen that the sociological orientation rejects as demonstrably inadequate the commonly held doctrine that evil is the source of all evil in society. Instead it alerts us to search out the ways in which socially prid arrangements and values in society can produce socially condemned results" (82).

    C. ďIndividuationĒ

    Nisbet bedoelt hiermee de massificatietendens in onze samenleving, die leidt tot ontpersoonlijking van de menselijke betrekkingen. Deze ontpersoonlijking kan tot gevolg hebben dat het individu nieuwe mogelijkheden gaat zoeken om zijn eenzaamheid op te heffen. (Zie ook de in dit hoofdstuk besproken Mass society-theorie)

    D. Anomie

    Al het menselijk gedrag is normatief, d.w.z. het is gericht op bepaalde doeleinden waaraan het zijn zin ontleend. Worden bepaalde doeleinden en morele waarden algemeen geaccepteerd in een samenleving dan zal deze samenleving gekenmerkt worden door een hoge mate van consensus en integratie. Wanneer echter, b.v. door opkomst of in aanzien winnen van nieuwe waarden +), conflicten optreden, dan zal de stabiliteit worden doorbroken en zal een samenleving ontstaan die gekenmerkt wordt door een grote dynamiek. Merton spreekt in dat geval van een anomische situatie (83).

    +) Zie ook: Sociale mobiliteit, sub. b.

    In de geschiedenis kunnen we een groot aantal gebeurtenissen aanwijzen die anomische situaties in het leven riepen: kapitalisme, religieus individualisme en democratie, bijvoorbeeld, waren in strijd met traditionele waarden (patriarchalisme, corporatisme, "ascribed status"). In al deze anomische situaties wordt het individu gekenmerkt door een grote onzekerheid vanwege confrontatie met tegenstrijdige waarden, normen en doeleinden. Anomie en marginaliteit hangen dus ten nauwste samen.
    Dat anomie, en daarmee marginaliteit, een belangrijk begrip is wordt benadrukt door Nisbet, die stelt:
    "Anomie, with its implicit tensions of moral conflict, alienation and meaninglessness is a notable and persisting aspect of contemporary social problems, even as it is an aspect of the whole history of man" (84).

  • Noten:

    * 47. De Jager en Mok (1965), p. 49 - * 48. Wittermans en Kraus (1963/64), p. 348 e.v. - * 49. Idem, p. 349 - * 50. Allwood (1964), p. 31 - * 51. Stonequist (1937), p. 8 - * 52. Idem, p. 2 - * 53. Park (1928), p. 892 - 54 Allwood (1964), p. 35 - * 55. Idem, p. 35 - * 56. De Jager en Mok (1965), p. 198 - * 57. Allwood (1964), p. 35 - * 58. Wittermans en Kraus, p 351 - * 59. Zie van Doorn en Lammers, p. 146 e.v. - * 60. Hughes (1949), p. 59 - * 61. Hughes (1944/45), p. 353 e.v. - * 62. Zie Jackson, 1962, en Lenski 1954 - * 63. Krech en Crutchfield (1962), p. 336 - * 64. Goode (1960), p. 483 e.v. - * 65. Merton (1957), British Journal, p. 110 - * 66. De Jager en Mok (1965), p. 56/57 - * 67. Merton (1957), British Journal, p. 111 - * 68. De Jager en Mok, p. 57 - * 69. Merton, in Merton/Nisbet (1961), p. 702 - * 70. Nisbet, in Merton/Nisbet, p. 13 e.v. - * 71. Idem, p. 14 - * 72. Gusfield (1962), p. 19 e.v. - * 73. Michel (1963), p. 100 - * 74. Idem, p. 109 - * 75. Turner (1966), p. 457 - * 76. Hagen (1963), p. 187 e.v. - * 77. Merton (1957), p. 136 e.v. - * 78. Nisbet, in Merton/Nisbet (1961), p. 15 - * 79. Rose, in Merton/Nisbet, p. 326 - * 80. Idem, p. 341 e.v. - * 81. Van Doorn en Lammers (1966), p. 259 - * 82. Merton, in Merton/Nisbet (1961), preface ix - * 83. Merton (1957), p. 136 - * 84. Nisbet, in Merton/Nisbet, p. 16 e.v.

    Literatuurlijst:

      Allwood, M.S. Toward a new sociology, 1964
      Doorn, J.A.A. van, en C.J. Lammers. Moderne sociologie, 1966
      Goode, W.J. A theory of role strain,
        Am. Soc. Review, vol. 25 (1960) pp. 483-496
      Gusfield, J. Mass society and extremist politics,
        Am. Soc. Review, vol. 27 (1962) pp. 19-31
      Hagen, E.E. On the theory of social change, 1963
      Hughes, C.E. Dilemmas and contradictions of status, Am. Journal of socilogy vol. 50 (1944/45) pp. 353-359 Hughes, C.E. Social change and statusprotest;
        an essay on the marginal man.
        Phylon, vol. 10 (1949) pp. 58-65
      Jackson, E.F. Statusconsistency and symptoms of stress,
        Am. Soc. Review, vol 27 (1962), pp. 469-480
      Jager, H. de, en A.L. Mok Grondbeginselen der sociologie, 1965
      Krech, D., R.S. Crutchfield e.a. Individual in society, 1962
      Lenski, G.E. Statuscrystallisation,
        Am. Soc. Review, vol. 19 (1954) pp. 405-413
      Merton, R.K. Social theory and social structure, 1957
      Merton, R.K. The role-set; problems in sociological theory,
        The British Journal of Sociology vol 8 (1957) pp. 106-120
      Merton, R.K. en R.A. Nisbet eds Contemporary social problems, 1961
      Michel, E. De maatschappij als bedreiging van de persoon, 1963
      Rose, A.M. Race and ethnic relations,
        in: Contemporary social problems, 1961
      Turner, R.H. Modes of social ascent through education,
        in: Class, Status and Power, 1966
      Wittermans, T en I. Kraus Structural marginality and social worth,
        Sociology and Social Research, vol. 48 (1963/64) pp. 348-359