SOCIALE VERANDERING,
SOCIALE BEWEGING EN MARGINALITEIT

de schrijver in 1969

literatuurscriptie - utrecht, november 1969,

HOOFDSTUK II
Sociale Veranderingen en innovaties

1. TheorieŽn op het gebied van sociale verandering

In hoeverre kunnen nu bestaande theorieŽn ons van dienst zijn bij de behandeling van onze probleemstelling?
Er bestaat een grote veelheid van theorieŽn waaruit wij slechts die theorieŽn kunnen kiezen die zich bezighouden met de problematiek die wij in deze scriptie willen behandelen. Alvorens hiertoe over te gaan lijkt het ons zinvol een overzicht te geven van de bestaande theorieŽn. Het spreekt vanzelf dat vanwege het grote aantal het ons niet mogelijk is uitvoerig aandacht te besteden aan iedere theorie. We willen slechts een kort overzicht geven waarbij we uitgaan van de indeling van PONSIOEN (7).
Ponsioen heeft getracht de veelheid van theorieŽn onder te brengen in een (beperkt) aantal categorieŽn. Zo ontstond het volgende schema:

  • a) TheorieŽn die zich bezighouden met de samenleving als geheel; zij constateren bepaalde ontwikkelingsfasen, construeren ideaaltypen.
  • b) TheorieŽn die de dynamiek van samenlevingen willen analyseren met behulp van specifieke begrippen.
    B.v. William Ogburn: "Cultural lag" en Robert K. Merton: "Anomie".
  • c) TheorieŽn die de maatschappelijke dynamiek verklaren door algemene wetmatigheden aan te wijzen.
    B.v. Karl Marx: "De samenleving als dialectisch proces" en A.J. Toynbee: "Opeenvolging van beschavingen".
  • d) TheorieŽn die de dynamiek zien als gevolg van menselijk ingrijpen. Begrippen die hierbij naar voren komen zijn: leider, macht, elite en innovator.
  • e) TheorieŽn die deze dynamiek zien als een voortvloeisel van bepaalde subprocessen binnen de samenleving. Voorbeelden van dergelijke processen zijn: demografische veranderingen, urbanisatie en industrialisatie.

  • Zoals reeds werd gezegd zullen wij bij de behandeling van veranderingen in de samenleving het menselijk ingrijpen centraal stellen. De bron van sociale verandering zien wij gelegen bij de mens; de mens treedt op als schepper van nieuwe ideeŽn (+). Met deze zienswijze sluiten wij aan bij die theorieŽn die de dynamiek van een samenleving zien als een gevolg van menselijke handelingen. De mens wordt gezien als "prime mover"; hij is de innovator, de brenger van verandering.

    +) Wij willen er hier reeds op wijzen, in het hoofdstuk over innovaties zullen we er meer uitvoerig op ingaan, dat wij het begrip Ďnieuwí een ruimere betekenis willen geven. Wij zien nieuw als Ďin strijd met waarden, opvattingen en belangen van de groepering waartoe men behoort. Iets hoeft in deze opvatting dus niet kwalitatief te verschillen van bestaande vormen om Ďnieuwí te worden genoemd. Deze betekenisverruiming lijkt ons noodzakelijk omdat het heel goed mogelijk is dat een individu een reeds bestaand (Ďoudí) idee naar voren haalt om daarmee de gevestigde orde aan te vallen. Hoewel, objectief gezien, geen sprake is van een nieuw idee, wordt wel degelijk een vernieuwend element binnen de samenleving geÔntroduceerd, omdat dit element afwijkt van algemeen aanvaarde vormen. Voor het bestaande systeem is hier sprake van een vernieuwing, innovatie dus, hoewel het zeer goed mogelijk is dat het betreffende element formeel deel uitmaakt van het systeem, maar door allerlei omstandigheden volledig naar de achtergrond is gedrongen. In het hoofdstuk over marginaliteit zullen wij meer aandacht besteden aan de tegenstrijdigheden waarmee het individu wordt gťconfronteerd vanwege het bekleden of willen bekleden van meerdere posities in een samenleving.
    De mens wil verandering omdat hij zich geplaatst ziet in een werkelijkheid die niet in overeenstemming is met de werkelijkheid zoals hij deze zou willen zien. Met deze opvatting stellen wij ons achter de theorieŽn van Merton (categorie b). Immers, zo ontlenen we aan Ponsioen, ďMerton, in his ĎSocial theory and social structureí, states that the key concept bridging the gap between static and dynamics in functional theory is that of strain, tension, contradiction or discrepancy between the component elements of social and cultural structure" (8).

    2. Sociale verandering en Innovaties.

    In deze scriptie stellen wij ons op het standpunt dat veranderingen binnen een sociaal systeem (sociale verandering) het gevolg kan zijn een menselijk ingrijpen (+). De mens treedt op als innovator.

    +) Onder sociaal systeem wordt verstaan het totaal van onderling samenhangende structurele en culturele componenten dat specifiek is voor een bepaalde groepering (9).

    Alvorens in te kunnen gaan op de kenmerken van innovatoren dienen wij ons af te vragen welke soorten innovaties er bestaan. Het bestaan van verschillende soorten innovaties impliceert het bestaan van verschillende categorieŽn innovatoren. Zo zal een innovator die een nieuw wasmiddel introduceert in een andere categorie geplaatst moeten worden dan een innovator die een nieuw politiek systeem ontwerpt. Wat wij in deze scriptie zullen doen is de kenmerken van ťťn bepaalde categorie van innovatoren na te gaan.
    Welke is nu deze categorie? Voor de beantwoording van deze vraag is het noodzakelijk onderscheid te maken naar soorten innovaties. Ponsioen onderscheidt de volgende innovaties (10):

  • a) Innovaties op technologisch gebied;
  • b) Innovaties op het terrein van Ďhet dagelijkse menselijke gedragí; innovaties die de normale routine doorbreken.
  • c) Innovaties op het gebied van ideeŽn en waarden.

  • Uitgaande van deze indeling kunnen we onderscheiden:

    a) Innovatoren op technologisch gebied: De vernieuwingen die zij voorstaan zullen, zolang deze geen ingrijpende veranderingen met zich meebrengen van het dagelijks menselijk gedrag en van het waardenpatroon van een groepering, vrij gemakkelijk worden geaccepteerd.

    b) De tweede categorie is een vrij vage categorie, waartoe al die personen behoren die vernieuwingen tot stand willen brengen die een doorbreken van vaste gedragsvormen inhouden. Deze vernieuwingen zullen volgens Ponsioen gemakkelijk worden geaccepteerd wanneer hieraan hoge beloningen zijn verbonden, zoals het verkrijgen van een hoge positie of een hoger inkomen. Omdat deze beloningen echter niet aan iedereen kunnen worden toegekend zullen innovaties die grotere inspanningen en gevaren met zich meebrengen niet gemakkelijk worden geaccepteerd.

    c) Personen die innovaties op het gebied van ideeŽn en waarden tot stand willen brengen. Volgens Ponsioen dienen we deze categorie van innovatoren duidelijk te onderscheiden van de andere categorieŽn omdat innovaties op het terrein van ideeŽn en waarden geheel andere wegen volgen.

    In deze scriptie zullen wij onze aandacht richten op deze laatste categorie. Met deze keuze beperken wij ons tot die innovaties die voor het individu bijzonder belangrijk zijn: ideeŽn en waarden op ethisch, religieus en politiek terrein.
    Er is hier sprake van waarden waarmee het individu zich in belangrijke mate identificeert. Klapper spreekt van "ego involved attitudes", attituden die in belangrijke mate het beeld dat het individu van zichzelf heeft bepalen (11).
    Een innovator op dit gebied is, zo stelt Ponsioen, iemand die gegrepen is door een nieuw idee en die zijn gehele leven als levend symbool hiervan optreedt: "his first successes are among his disciples, who devote their lives to their masters, these in turn may become initiators of a "movement" within the population" (12).
    Nieuwe waarden en ideeŽn worden geÔntroduceerd door een klein aantal personen, personen die over kunnen gaan tot het stichten van een sociale beweging.

    Wat dat nu precies is en waarom mensen ertoe overgaan een sociale beweging in het leven te roepen zijn vragen die in de volgende hoofdstukken een nadere uitwerking zullen krijgen.

    3. De studie van innovaties.

    De bestudering van innovaties als onderdeel van het proces ven sociale verandering is pas in het recente verleden aangevangen. Boskoff onderscheidt de volgende benaderingswijzen (13):

  • 1) Structural institutional approach", en:
  • 2) "Personal approach'.

  • De structureel institutionele methode legt de nadruk op sociaalstructurele factoren die tot innovaties leiden. Zij tracht in de samenleving die instituties te achterhalen die een belangrijke rol spelen bij de introductie van innovaties, b.v. militaire en religieuze instituties (Weber) en de diverse geÔnstitutionaliseerde wetenschapsrichtingen: filosofie, theologie, sociale wetenschappen (Parsons).
    De personele benadering richt zijn aandacht op verschillende kenmerken van innovatoren en de wijze waarop deze personen het aanwezige socioculturele materiaal (bepaalde waarden en normenpatronen) hercombineren en herinterpreteren.
    Uit het voorafgaande zal duidelijk zijn dat onze benaderingswijze overeenkomsten vertoont met de "personal approach". Deze methode benadrukt namelijk de grote rol die geestelijke processen spelen in het veranderingsproces. Het zijn deze geestelijke processen die bepalen of een individu een innovatie aanneemt of verwerpt (14).

    Wanneer wij ons nu - na gekozen te hebben voor de hierboven aangegeven benaderingswijze - bezig gaan houden met de bestudering van innovaties zullen we (vanwege de noodzakelijke begrenzing) ons af moeten vragen welke aspecten wij zoal kunnen bestuderen. Boskoff stelt dat bij de bestudering van innovaties aandacht kan worden besteed aan (15):

  • a) De aard van de innovaties. (Wij hebben reeds aangegeven tot welk soort innovaties wij ons beperken. Zie hierboven subhoofdstukje 2.)
  • b) Innovatoren en adopters. Barnett stelt dat innovatoren en adopters worden gekenmerkt door (16):

    1. persoonlijke conflicten;
    2. dissatisfactie (ontevredenheid);
    3. marginale positie. +)

    +) Barnett wordt door Boskoff genoemd als belangrijk vertegenwoordiger van de "personal approach". Zijn opvattingen hebben ons in belangrijke mate tot het schrijven van deze scriptie geÔnspireerd. Het is in feite zijn (bovengenoemde) stelling waarvan wij de juistheid willen nagaan.

  • c) ďAgents of diffusion"; hoe komt verspreiding van innovaties tot stand? Aan dit aspect van het diffusieproces zal in deze scriptie weinig aandacht worden besteed.

    4. Het begrip innovatie. Tot nu toe hebben we steeds het begrip innovatie gehanteerd zonder exact aan te geven wat hieronder verstaan moet worden.
    Wij hebben gezegd dat innovaties ideeŽn en waarden kunnen zijn. Tevens werd opgemerkt dat deze waarden nieuw moeten zijn, met de toevoeging echter dat Ďnieuwí hier niet in zijn letterlijke betekenis moet worden opgevat. Zo kunnen wij het niet eens zijn met Barnett die stelt dat innovatie de introductie is van een nieuw element in een samenleving, waarbij dit element kan zijn: "iedere gedachte, elk ding en elk gedrag dat nieuw is, d.w.z. kwalitatief verschilt van bestaande vormen" (17).
    Wij benadrukken de relativiteit van het begrip nieuw, omdat naar onze mening introductie van een nieuw element in een samenleving niet hoeft te betekenen dat dit element kwalitatief verschilt van bestaande vormen. Een sociale beweging bijvoorbeeld grijpt vaak terug naar reeds bestaande waarden, die op de achtergrond zijn geraakt (soms zelfs - op een uiterst schizofrene wijze - formeel zijn vastgelegd). Toch worden deze waarden als Ďnieuwí ervaren en kunnen zij verstrekkende gevolgen hebben voor het sociale systeem waarin zij worden geÔntroduceerd.

    De relativiteit van het begrip nieuw blijkt eveneens uit het feit dat iets (gedachte, gedrag, ding) nieuw kan zijn terwijl de introductie van dit nieuwe element in de samenleving welhaast automatisch verloopt omdat de samenleving het als vanzelfsprekend heeft aanvaard dat vernieuwingen op bepaalde terreinen tot stand komen. Wanneer wij echter innovaties willen zien als onderdeel uitmakend van het proces van sociale verandering, waarbij onder sociale verandering het tot stand komen van veranderingen binnen een sociaal systeem (dus structurele en/ of culturele veranderingen) wordt verstaan, dan dienen wij ons af te vragen of het niet zinvol is het begrip innovatie te definiŽren in termen van sociale verandering. Zo lijkt het ons zinvol onderscheid te maken tussen innovaties die veranderingen in een sociaal systeem impliceren en innovaties die geen veranderingen met zich meebrengen. Deze laatste innovaties spelen in een theorie van sociale verandering geen rol.

    Innovaties die veranderingen impliceren in een sociaal systeem kunnen als volgt onderverdeeld worden:

  • a) Innovaties die veranderingen in de sociale structuur tot gevolg hebben of nastreven.
  • b) Innovaties die culturele veranderingen veroorzaken/nastreven.
  • c) Innovaties die structurele en culturele veranderingen veroorzaken of nastreven.

    lnnovatiebegrip bij Hagen.

    Hagen noemt al die menselijke activiteiten innovatief (ďinnovatory") die zich richten tegen de waarden van een samenleving. Zowel de bandiet als de industrieel zijn uitgaande van deze definitie innovatoren (18).
    Deze definiŽring heeft echter tot gevolg dat die activiteiten worden uitgesloten die de waarden van een samenleving juist willen verdedigen en daarvoor structuurwijzigingen voorstaan. Uitgaande van onze indeling kunnen we stellen dat Hagen innovaties slechts ziet als die activiteiten die culturele veranderingen tot gevolg hebben.

    Innovatiebegrip bij Merton.

    Merton daarentegen ziet innovaties als die menselijke activiteiten die structurele veranderingen tot gevolg hebben (19).
    Zijn uitgangspunt is dat bepaalde mensen niet in staat zijn een aantal cultureel vastgelegde behoeften te bevredigen vanwege een sociale structuur die hun de middelen om dit doel te bereiken niet verschaft. Bepaalde geÔnstitutionaliseerde kanalen zijn niet beschikbaar zodat de mensen, willen zij hun doel bereiken, zich genoodzaakt zien nieuwe middelen te zoeken die de bestaande structuur ontwrichten.

    Wij zien hier dus twee definities die toch niet in tegenspraak zijn met elkaar omdat zij betrekking hebben op twee soorten innovaties. Zoals wij boven hebben gezien kunnen we nog een derde vorm van innovatie onderscheiden, en wel die innovaties die zowel structurele als culturele veranderingen tot gevolg hebben. Deze derde vorm vinden we bij Merton terug onder het hoofd "rebellion" (20).
    Merton echter maakt een scherp onderscheid tussen "innovation" en "rebellion", een onderscheid dat naar onze mening niet gewettigd is omdat ook in het laatste geval sprake is van innovatief gedrag (21).

    Op de begrippen innovatie en rebellie komen we terug wanneer de vijf reactiewijzen op psychische spanningen ("Conformity; innovation; ritualism; retreatism; rebellion") ter sprake worden gebracht.

    (wordt vervolgd)

  • Noten:

    * 7. Ponsioen (1962), p. 11/12 en p. 20/21 - * 8. Idem, p. 59 - * 9. Van Doorn en Lammers (1966), p. 198 e.v. en p. 362 - * 10. Ponsioen (1962), p. 98 e.v. - * 11. Klapper (1966), p. 45 - * 12. Ponsioen (1962), p. 99 - * 13. Boskoff (1957), p. 294 - * 14. Idem, p. 295 - * 15. Idem, p. 296 e.v. - * 16. Barnett (1953), p. 397/98 - * 17. Idem, p.7 - * 18. Hagen (1963), p. 196 - * 19. Merton (1957), p. 141 e.v. - * 20. Idem, p. 147 - * 21. Idem, p. 140, noot 13.

    Literatuurlijst:

      Boskoff, A. Social Change, in:
        Modern sociological theory in continuity and change,
        H. Becker and A. Boskoff, eds., 1957
      Barnett, H.G. Innovation, the basis of cultural change, 1953
      Doorn, J.A.A. van, en C.J. Lammers. Moderne sociologie, 1966
      Hagen, E.E. On the theory of social change, 1963.
      Klapper, J.T. The effects of mass communication, 1966
      Ponsioen, J.A. The analysis of social change reconsidered, 1962.
      Merton, R.K. Social theory and social structure, 1957.