De jonge Marx en de
menselijke zelfvervreemding

een literatuurscriptie - utrecht, juli 1969,

werkstuk gemaakt ten behoeve van
een mondeling tentamen filosofie

Inhoud:

Inleiding
Het gereduceerde mensbeeld
Nieuw-linkse beweging
Het wezen van de mens
Marx over de mens en de relatie mens-samenleving
Vervreemding
De privé-eigendom
Het productieproces
De productieve mens
Het dieptepunt van de vervreemding
Konklusie: vernietiging der idolen

Inleiding:

In het onderhavige werkstuk wil ik trachten, aan de hand van een aantal beschouwingen over het denken van de jonge Marx, de essentie van Marx' gedachten over de mens te achterhalen.

Het is de beperking van dit werkstuk dat niet gepoogd wordt de kerngedachten te achterhalen via een diepgaande studie van het gehele jeugdwerk. Als titel is gekozen 'Marx en de menselijke zelfvervreemding'.
Er is reeds gekozen en met deze keuze wordt gepretendeerd dat het dieptepunt gelegen is in de vervreemdingsproblematiek. Er werd immers gezegd dat het de bedoeling is door te dringen tot de essentie van Marx' mensbeschouwingen.

Men kan zich nu afvragen welke criteria zijn aangelegd bij de keuze van het onderwerp 'zelfvervreemding' - waarom met andere woorden, wordt hier de nadruk op gelegd?
Toegegeven moet worden dat deze keus geheel subjectief van aard is. Zelfs een schijn van wetenschappelijkheid, die verkregen zou kunnen worden door gebruik te maken van de methode van inhoudsanalyse, ontbreekt. Er is hier slechts sprake van mijn persoonlijke voorkeur, ingegeven door niet-wetenschappelijke gevoelens, intuïtie, het willen begrijpen van de mens in zijn totaliteit.
Natuurlijk is een zich beroepen op autoriteiten mogelijk. Zo besteden de auteurs van de door mij bestudeerde werken zeer veel aandacht aan het begrip vervreemding. Maar ook dan nog kan men mij - terecht - verwijten dat andere auteurs de nadruk wellicht geheel anders leggen en dat hun interpretaties de waarheid beter benaderen.
Het zij zo.

Voor mij is van belang in hoeverre ik mijn inzicht in het geheimzinnige fenomeen 'mens' kan verhelderen en ik ben de mening toegedaan dat bestudering van de menselijke vervreemdingsproblematiek een uitstekend middel is om dat doel te bereiken.
Zelfvervreemding impliceert de aanwezigheid van een menselijk zelf. Het is dat menselijke zelf dat belangrijk is en omdat dit zelf ook centraal staat in het werk van de jonge Marx wordt het mogelijk onrijpe jeugdwerk boven het werk van de volwassen politieke denker geplaatst.

Alvorens in te gaan op het mensbeeld van de jonge Marx wil ik de aandacht vestigen op een naar mijn mening alom heersende misvatting omtrent Marx' mensbeeld.

Het gereduceerde mensbeeld

Het is naar mijn mening een misverstand te stellen dat Marx op het standpunt zou staan dat de mens niets anders is dan een sociaal wezen en dat iedere verklaring van het menselijke gedrag derhalve uit dient te gaan van de grotere samenlevingskaders waarin de mens is geplaatst.
Het is deze opvatting die ertoe heeft geleid dat de mens slechts wordt gezien als deel van het collectief, waaraan hij volledige verantwoording verschuldigd is en waaraan hij al zijn gedragingen ondergeschikt zou moeten maken. Het gevaar is dan groot dat er een situatie ontstaat die Marx bestempelt als 'het grove communisme'.
Dit lompe, gevoelloze communisme negeert de persoonlijkheid van de mens en vormt daarmee een rijke voedingsbodem voor het ontstaan van hebzucht en nivelleringszucht.
Het zijn deze zaken die bij veel mensen als een waar schrikbeeld opdoemen wanneer zij de naam Marx horen. Zij missen de individuele mens die denkend, voelend en handelend mens is temidden van andere mensen.

Een dergelijke primitieve opvatting vinden we soms terug binnen de sociale wetenschappen, in de vorm bijvoorbeeld van een psychologieopvatting die de mens reduceert tot een biochemische machine, of een sociologisme dat de mens maakt tot een object dat weinig meer doet dan reageren op sociaalstructurele factoren. Bij eventuele veranderingen of correcties van de samenleving zal de aandacht (zo luidt de achterliggende gedachte) vooral geconcentreerd dienen te worden op deze 'objectieve' factoren. Door wijzigingen aan te brengen in deze zogenaamd objectieve werkelijkheid zal de misvorming van de menselijke persoonlijkheid (wat dat dan ook moge zijn - want de mens als individueel, mogelijk zelfs bezield wezen kent men niet…) automatisch worden opgeheven.

Nieuw-linkse beweging

Het lijkt erop dat in nieuw (lees: activistisch) linkse kringen bovengenoemde opvattingen (die onder het begrip 'grof communisme' vallen) een steeds grotere rol gaan spelen.
Men ziet de mens geplaatst in een alles determinerende sociale structuur die als een wrede Moloch haar eigen kinderen verslindt. Het is het kwade dat de uitwerking van het goede onmogelijk maakt en door het kwaad uit te bannen zal een rose (lees: steriele) goedheid de aarde bedekken - een enigszins primitief vredesbeeld, dat terug te vinden is bij christenen die de rebelse amorele persoon Jezus van Nazareth tot een bleke, moralistische vredesstichter hebben uitgeroepen.

Het wezen van de mens

Wat in bovengenoemde beschouwingen ontbreekt is een pogen door te dringen tot het wezen van de mens. Men weigert zelfs de gedachte in overweging te nemen dat er wel eens zoiets als een menselijke natuur zou kunnen bestaan - een geheel van persoonlijke karaktereigenschappen, waar domweg rekening mee gehouden moet worden.
We moeten bedenken dat het begrip 'structuur' een abstractie is, door de mens in het leven geroepen, en dat ieder samenlevingsverband de individuele mens vooronderstelt.
Een bezinning op het begrip 'sociale structuur' dient daarom uit te gaan van een bepaalde mensinterpretatie. Wanneer men niet weet wie of wat de mens is, is het onzinnig structuurhervormingen na te streven. Dat is in feite een voor de hand liggende gedachte die eigenlijk niet uitgesproken zou mogen worden hier.
Als een boer varkens wil gaan fokken, dan zal hij wel moeten weten wat het verschil is tussen een varken en een kievit. Weet hij dat niet, dan zal hij mogelijk een uitnemende eierraper worden, die gastvrij ontvangen wordt door de koninklijke familie - maar de waarschijnlijkheid dat hij een goedlopend bedrijf op poten zal zetten mag rustig als nul komma nul worden ingeschat.

Ik meen op dit gebied een duidelijk gebrek aan theorievorming te constateren. Het is mogelijk, zoals Louet-Feisser in zijn brochure 'Student en wijsbegeerte' opmerkt, dat een gebrek aan filosofische scholing een dergelijke leemte veroorzaakt, zoals het ook mogelijk is dat het feit dat veel sociologen deel uitmaken van de actieve kern van de nieuw-linkse studentenbeweging de overdreven nadruk die wordt gelegd op het begrip 'sociale structuur' verklaart.
Dit zijn echter slechts hypothesen die de aandacht niet dienen af te leiden van het feit dat deze verwaarlozing van het menselijk-persoonlijke door de huidige links-activistische theoriebouwers een wezenlijk gevaar inhoudt.
Men krijgt soms het idee dat 'links' uitgaat van een menselijk ideaaltype. Men spreekt over een in zich goede mens die door de maatschappij (de sociale structuur) aan banden is gelegd, waardoor hij verworden is tot een passief lid van het gefrustreerde 'klootjesvolk', zoals het niet-linkse deel van de natie generaliserend wordt genoemd.

Het is dacht ik niet onjuist om te spreken over een toenemende vervreemding van een geradicaliseerde elite van de grote groep van gewone, rustige mensen, die mogelijk hun gebreken hebben, maar die je onmogelijk gefrustreerd kunt noemen, alleen maar omdat ze niet voldoen aan de verwachtingen van een aantal activisten die hun eigen persoonlijkheid tot algemene norm verheven hebben.
Het gevaar bestaat daarom dat door studentenacties hervormingen in het leven worden geroepen die een situatie scheppen waarin een groot aantal mensen zich domweg niet thuis voelt - zodat zij noodgedwongen afhaken - op zoek moeten gaan naar een plek waar zij wel kunnen functioneren.
(Bedoeld worden hier fundamentele wijzingen in de maatschappelijke structuur, het is volstrekt niet de bedoeling de kritische opstelling van mensen te veroordelen, het is veeleer zo dat een gebrek aan zelfkritiek wordt geconstateerd.)
Het gevolg kan zijn dat de mens met geweld geperst wordt in een keurslijf dat hem tegenstaat. De mens is nu eenmaal geen superwezen, en hij zal het naar mijn mening zonder drastische ingrepen in het psychisch en fysisch gebeuren - zoals beschreven in het boek 'Heerlijke nieuwe wereld' van Aldous Huxley - niet worden ook. Hoogstens kun je hem robotiseren, hem dwingen een toestand van economische slavernij te accepteren - maar dat is nu juist de situatie waar Marx zich tegen verzette…

Wil men een voor de individuele mens leefbare situatie creëren, dan zal men het risico moeten nemen dat een maatschappelijke structuur zich uitkristalliseert die onvolmaakt is.
Het is natuurlijk mogelijk een volmaakte maatschappij na te streven, met het reële gevaar echter dat er alleen maar een dictatoriaal bewind in het leven wordt geroepen, dat via het manipuleren van de publieke opinie naar buiten toe de indruk wil vestigen dat het leven 'goed' is.
In dit verband wordt gewezen op het boek van Milovan Djilas, 'De onvolmaakte maatschappij', waarin de schrijver zich niet keert tegen het bezitten van idealen, maar tegen de verstarring van deze idealen in een dogmatische (dus heilig verklaarde) partijleer.
Djilas, een van de grondvesters van de Joegoslavische communistische staat, pleit voor het primair stellen van het menselijke welzijn, ook wanneer dat ten koste gaat van vermeende waarheden, die ten grondslag liggen aan verheven idealen.

De jonge Marx over de mens en de relatie mens-samenleving

Na deze inleidende opmerkingen waarmee ik de keus voor de vervreemdingsproblematiek enigszins heb trachten de rechtvaardigen, wil ik nu ingaan op de vraag hoe Marx denkt over de mens en de relatie mens-samenleving.

Het is mijn stelling, die ik hieronder aannemelijk wil maken, dat Marx de mens vooral ziet als een vrij (willend) individu, een individu dat zich in vrijheid moet kunnen ontwikkelen tot de menselijke mens, de mens als volwaardige persoonlijkheid tussen andere persoonlijkheden, kortom de werkelijk sociale mens.

Het uitgangspunt van Marx is de mens die zijn eigen geschiedenis maakt, stelt Fromm.
Marx spreekt van de mensen als uitstallers en makers van hun eigen geschiedenis, lezen we bij Delfgaauw. Delfgaauw tracht daarmee aan te tonen dat de mens in de opvatting van Marx niet volledig gedetermineerd is. Bij Marx, zegt hij, is er sprake van een voorwaardelijk determinisme. Zo staat het de mens vrij een bepaald productiesysteem kiezen. Wanneer hij dit echter gekozen heeft, dan is hij gebonden aan de consequenties van dit systeem, tot het einde van de mogelijkheden van dit systeem is bereikt, waarna er voor een nieuw systeem gekozen kan worden.
Toegepast op het kapitalistische systeem leidt dit principe tot de volgende zienswijze:
Het kapitalistische systeem is gekomen aan het einde van zijn mogelijkheden. De particuliere eigendom, waarop dit systeem berust, heeft tot gevolg dat in de geïndustrialiseerde samenleving een kleine groepering alle macht naar zich toe trekt. Deze kleine groepering is de bezittende klasse, die - juist omdat zij zich isoleert van de rest van de bevolking, waarmee zij zich in feite niet verbonden voelt - het proletariaat voortbrengt.
Marx ziet een toenemende accumulatie van kapitaal enerzijds en een voortschrijdende 'Verelendung' van het proletariaat anderzijds. Er is volgens hem sprake van een 'noodzakelijke ontwikkeling', die uiteindelijk voert tot het inzicht dat de situatie onhoudbaar is.
Aan het eind van een periode waarin de mens voortgestuwd wordt door krachten die buiten hem om werkzaam zijn, staat diezelfde mens, die tot inzicht is gekomen en zich onafhankelijk opstelt van een, tot dan toe, noodzakelijke ontwikkeling. Na de periode waarin de mens gedetermineerd werd door de economische onderbouw breekt nu een tijd aan waarin de bovenbouw (menselijke vrijheid) de onderbouw (maatschappelijke productieverhoudingen) determineert.

Het is dus niet zo dat Marx stelt dat de gehele, ook de sociale, werkelijkheid door een natuurlijke wetmatigheid wordt beheerst. Het is wel zo dat Marx van mening is dat er bepaalde wetmatigheden in de werkelijkheid besloten liggen die door empirische waarneming kunnen worden ontdekt, en het is ook zo dat deze wetmatigheden volgens hem een dwingend karakter bezitten.
We kunnen stellen dat hier duidelijk blijkt dat de mens volgens Marx niet volledig vrij is, maar in velerlei opzicht gedetermineerd, vanwege het geplaatst zijn in een bepaalde historische context. In een tijd waarin het natuurwetenschappelijke wetsbegrip een centrale plaats in gaat nemen in het wetenschappelijk denken kan ook de naar vrijheid verlangende filosoof Karl Marx zich niet onttrekken aan de invloed die op hem wordt uitgeoefend.

Marx heeft zich echter in zoverre onttrokken aan de heersende tijdgeest, dat hij de mens niet ziet als een willoos object, dat weinig meer is dan een schakel in een evolutionair ontwikkelingsproces.
Hij keert zich juist fel tegen alle metafysische grootheden waarin de mens gelooft, omdat deze de mens een passieve houding tegenover zijn omgeving opdringen.
Marx constateert dat in de maatschappij waarin hij leeft de mensen zich gelaten schikken in een situatie die naar zijn mening mensonwaardig is. Hij ziet dat de mens vlucht in een schijnwereld, de wereld van de godsdienst en de filosofie. Deze vlucht wijst er op dat de mens zich niet gelukkig voelt.
Marx redeneert verder: de mens voelt zich niet gelukkig omdat hij geplaatst is in een kapitalistische structuur die de bevrediging van zijn meest fundamentele behoeften frustreert.
De mens kan zich als individu niet verwerkelijken in een samenleving die hem dwingt binnen bureaucratische organisaties deelhandelingen te verrichten, gecontroleerd door een anoniem machtsapparaat, waarmee normale menselijke relaties niet mogelijk zijn.

Het is deze vervreemdende kapitalistische structuur die Marx aanvalt, niet zozeer om, zoals zo vaak wordt beweerd, een nivellering van inkomens te bewerkstelligen, maar om de mens te bevrijden van een vorm van arbeid die zijn individualiteit vernietigt, werk dat hem tot een ding en tot een slaaf van dingen maakt.
De mens, dat wil zeggen zowel arbeider als kapitalist, is van zichzelf vervreemd als gevolg van krachten die hijzelf in het leven heeft geroepen en die hij niet meer kan beheersen.
Zelfvervreemding - kortom - is zijn grootste probleem.

Vervreemding

Het begrip vervreemding heeft Marx ontleend aan de Duitse filosoof Hegel. Waar Marx echter sterk de nadruk legt op de realiteit, de samenleving waarin conflicten worden geboren en waarin ze ook opgelost dienen te worden, daar accentueert Hegel de menselijke geest.
Alle conflicten spelen zich af binnen de menselijke geest en kunnen slechts daarbinnen worden opgelost. De vervreemding is volgens Hegel hierin gelegen dat de mens zichzelf geplaatst ziet in een wereld die hij niet meer begrijpt, een hem wezensvreemde wereld.
De mens is een vreemdeling in een wereld waarin hij toch een plaats moet zien te vinden. Deze situatie leidt tot sterke innerlijke conflicten die de mens slechts op kan lossen - zo stelt Hegel - door te pogen de wereld om hem heen te begrijpen.

Hegel pleit daarmee voor een zich aanpassen van de mens aan de wereld, een opvatting die Marx ten stelligste verwerpt.
Het is niet zo, stelt Marx, dat, zoals Hegel beweert, de wereld redelijk en daarmee goed is. Integendeel, de kapitalistische structuur is onredelijk en vervormt de mens tot een monstruositeit. Wil de mens zijn zelfvervreemding opheffen, dan is het zijn eerste taak deze misvormende kapitalistische structuur te veranderen.

Het gaat Marx erom, zegt Delfgaauw, Hegels dialectiek, die op zijn kop staat, weer op zijn voeten te zetten.
Het is duidelijk dat Marx bewogen wordt door de innerlijke overtuiging dat de wereld veranderd dient te worden. Daarom wijst hij zowel de religie als de Hegelse wijsbegeerte af. "Beide zijn uitingen van de menselijke zelfvervreemding en dienen daarom verworpen te worden."
Marx ziet het als de taak van de filosoof de maatschappij kritisch te doordenken en op grond daarvan structurele veranderingen na te streven: De theoretische kritiek moet tot praxis worden gemaakt.

De privé-eigendom

De kapitalistische structuur dient veranderd te worden. Een wezenlijk kenmerk van deze structuur is de privé-eigendom. Een voorwaarde voor de verandering van deze structuur is dan ook de opheffing van het privé-bezit. Het is namelijk zo, volgens Marx, dat de particuliere eigendom de bestaande maatschappelijke verhoudingen in het leven roept en het de mens onmogelijk maakt zichzelf te zijn. Zij heeft ertoe geleid dat de mens verworden is tot een inhalig, kapitaalvergarend wezen.

Marx drukt het aldus uit:
"Hoe minder je eet, drinkt, boeken koopt, naar toneelvoorstellingen, bals en cafés gaat, hoe minder je denkt, liefhebt, theoretiseert, zingt, schildert, dicht, enz.., des te meer spaar je en des te groter wordt je kapitaal.
Hoe minder je bent, hoe minder je je leven uit, des te meer heb je, des te groter is je gealieneerde leven en des te meer pot je van je gealieneerde wezen op."

Marx stelt dat het noodzakelijk is de prive-eigendom op te heffen teneinde de menselijke zelfverwerkelijking mogelijk te maken. Hij beziet met afschuw het streven naar ongebreidelde bezitsuitbreiding. Hij hoopt dat een belemmering van dit streven ertoe zal leiden dat de mens zijn ware mogelijkheden ontdekt.

Wanneer Marx spreekt over de ontwikkeling van de ware mogelijkheden van de mens spiegelt hij ons een wereld voor waarin slechts de meest hoogstaande en verheven gevoelens tot uiting komen, een wereld zoals ze zich via de kunst - en dan met name die vormen van kunst die volgens de marxistische theorie kleinburgerlijk moeten worden genoemd - aan ons voordoet.
De jonge Marx gelooft in de kunst en hij weigert te geloven dat er mensen zijn die niet gegrepen worden door deze subtiele wereld van menselijke gevoelens.
Wanneer ze er nu nog geen oog voor hebben, dan kan dat niet de mens aangerekend worden maar de kapitalistische maatschappij die de mens vervormt.
Marx kan eigenlijk niet geloven dat er mensen zijn die niet zijn zoals hij. Dat is de fout die veel idealisten maken. Ze zijn zo in de ban van het eigen ideaal, dat ze vergeten dat in een vrije wereld ieder mens het recht heeft op zijn eigen invulling van het woordje 'ideaal'.
Marx ziet de ideale wereld als een wereld waarin alle mensen kunstenaars zijn. Dat kunstenaarschap is sluimerend in ieder mens aanwezig, maar kan niet tot ontplooiing komen omdat de kapitalist hem in een positie van slaafse afhankelijkheid heeft geplaatst.

Het productieproces

Het is vooral in het productieproces dat de menselijke zelfvervreemding het duidelijkst naar voren treedt volgens Marx. Het is echter niet zo dat, zoals Delfgaauw stelt in 'Geschiedenis en vooruitgang', de mens van zichzelf vervreemd is omdat hij is opgenomen in een proces waarin de arbeid hem van het resultaat van zijn arbeid heeft berooft. Nee, essentieel is het dat de arbeider gedwongen is taken te verrichten die het hem onmogelijk te maken zich te identificeren met zijn werk.
Marx ageert, zo stelt Fromm, tegen de verplichting van de mens werk te verrichten waarbij hij zijn lichaam af moet beulen en waarbij zijn geest wordt geruïneerd. De arbeider wordt gedegradeerd tot een verlengstuk van zijn machine en tot ding getransformeerd. Marx stelt zich daarom ten doel werkomstandigheden in het leven te roepen waarin de mens zich vrij kan ontplooien.

In de arbeid moet de mens zichzelf uit kunnen drukken. Marx stelt: "Arbeid is de expressie van 's mensen individualiteit". De mens moet volgens hem bevrijd worden van toenemende specialisatie, die hem ertoe dwingt zich geheel te richten op deelhandelingen, die daarom zo funest voor hem zijn, omdat ze tot een proces van geestelijke afstomping leiden.
De arbeider wordt gedwongen in voortdurende herhaling eenzelfde handeling te verrichten, waarvan hij op den duur nauwelijks meer weet waarom hij deze verricht. Met andere woorden: de arbeider gaat het bestaan als zinloos ervaren.

Als ideale samenleving ziet Marx de "communistische maatschappij, waar niemand een sfeer van exclusieve activiteit heeft, maar iedereen zich in welk werk hij maar wil kan bekwamen, (waar) de maatschappij de algemene productie regelt en mij daardoor de mogelijkheid geeft vandaag dit en morgen dat te doen, 's ochtends te jagen, 's middags te vissen, 's avonds aan veeteelt te doen en na het eten kritiek uit te oefenen, net zoals ik zelf wil - zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden…"

De productieve mens

Het is niet verwonderlijk dat Marx zoveel waarde hecht aan het op vrije en actieve wijze bezig kunnen zijn. Marx stelt zich namelijk op het standpunt dat in het productief, creatief bezig zijn de zin van het leven is gelegen. De creatieve mens heeft de drift tot het willen hebben opgegeven en is vervuld van zijn…. Hij is veel, omdat hij weinig heeft.
Deze gedachten zijn ontleend aan Hegel, die de productieve mens ziet als de individuele mens die helemaal zichzelf is omdat hij niet passief-receptief is, maar actief verbonden met de wereld.

De mens kan slechts mens zijn door productief te zijn. Marx licht dit als volgt toe:
"Als je van kunst wilt genieten moet je jezelf zodanig vormen dat je kunst kunt begrijpen, ervan kunt genieten. Als je wilt dat iemand je lief heeft is het noodzakelijk dat je iemand op een liefdevolle wijze benadert, zo, dat je je als liefhebbend wezen tot geliefd wezen maakt. Kun je dit niet, dan is de liefde onmachtig, een ongeluk."

Delfgaauw benadrukt in 'Geschiedenis en vooruitgang' in een paragraaf over innerlijke vrijheid eveneens het belang van de menselijke productiviteit.
De productiviteit is dan hierin gelegen dat de mens zichzelf innerlijk vrij moet maken. Hij zegt: "De innerlijke vrijheid is nooit gegeven, maar een opgave. Mens zijn wil zeggen deze opgave verwerkelijken."
Hij verwerpt, evenals Marx, een zich passief opstellen in de wereld. Het passieve bestaat dan uit een kritiekloos aanvaarden van de mening die door anderen (de leider, de autoriteit) wordt uitgesproken.
"Wie antwoordt, zoals men antwoordt, antwoordt als de mens die van zichzelf is vervreemd."

Zowel bij Marx als bij Delfgaauw is het kernpunt van de vervreemding gelegen in het onvermogen zichzelf te zijn, d.w.z. innerlijk vrij te zijn, het in vrijheid kunnen bepalen van je gedetermineerdheid.
Beiden pleiten voor een opheffing van de passiviteit, omdat alleen in een productieve levenshouding de mens kan worden wat hij zou moeten zijn.
"De mens moet worden wat hij in potentie is."

Het dieptepunt van de vervreemding

Als besluit wil ik ingaan op, wat Delfgaauw noemt, het dieptepunt van de vervreemding.
Waar ligt de diepste oorzaak van de vervreemding? Ligt deze op sociaal-economisch niveau of op religieus-spiritueel niveau?
Delfgaauw stelt dat de vervreemding van de mens vooral het gevolg is van de verdubbeling van het bestaan in een aards en een religieus bestaan. Met die opvatting plaatst hij zich tegenover de filosoof Kwant (naar voren gebracht in diens boek 'De wijsbegeerte van Karl Marx') die luidt dat het economische stelsel aan de wortel van de vervreemding ligt.
Fromm bevestigt de opvatting van Kwant. Ook hij stelt dat de verdubbeling van het bestaan waarover Delfgaauw spreekt volgens Marx een oorzaak is van de vervreemding en niet een bron.
Het is de sociaal-economische structuur die de mens ertoe drijft te vluchten in een schijnwereld. Het gevolg daarvan is dat hij op een passieve wijze het gebeuren om hem heen aanvaardt en de mogelijkheden waarover hij beschikt om de wereld op een creatieve wijze te veranderen ongebruikt laat.

Godsdienst wordt gezien als een drug. "Opium van het volk". Wie zich beroerd voelt zoekt een middel om het bestaan wat draaglijker te maken. Dat is de enige functie die de religie in een kapitalistische maatschappij mag vervullen. De mens wordt gedwongen een schijnwereld te scheppen waarin het mogelijk is gedeelten van zichzelf die in het leven van alledag niet gerealiseerd kunnen worden op een voor de machthebbers ongevaarlijke wijze tot uiting te brengen.

Conclusie: vernietiging der idolen

Wie de jonge Marx hoort spreken hoort de klacht van een gevoelig, redelijk denkend mens die zich geplaatst ziet in een wereld die beheerst wordt door machthebbers die het hem onmogelijk maken zich gewoon vrij en gelukkig te voelen.
Zijn idealen zijn in feite romantische idealen - het terugverlangen naar de kindertijd, waarin men het leven op een speelse wijze beleefde. Vandaag deed je dit, de volgende dag was je dat vergeten en ging je gewoon iets anders doen.
Marx verlangt naar vrijheid. Die vrijheid moet de staat hem geven. De staat moet er zorg voor dragen dat elke burger die bezigheden kan verrichten die hem in staat stellen zichzelf zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. Daarom is het in zijn ogen onmogelijk dat het leven volledig in handen wordt gegeven van mensen die alleen maar belangstelling hebben voor kapitaal vergaren.

De mens wordt in een kapitalistische wereld de slaaf van zijn eigen geestesproducten. Deze geestesproducten gaan een eigen leven leiden en verliezen daarmee hun betekenis voor de mens. Voor alles moet daarom volgens Marx voorkomen worden dat de mens gaat werken met lege, inhoudsloze vormen.
Het werk van de jonge Marx kan ons ertoe aanzetten om ons door productief en creatief denken en handelen te distantiëren van de lege inhoudsloze werkelijkheid van geestloze, aan geld verslaafde machthebbers, die alleen via het scheppen van een religieuze schijnwereld zichzelf een zekere mate van spirituele belangrijkheid weten toe te kennen.

Fromm zegt: "Wat Marx wil is het scheppen van de levensvoorwaarden voor de waarlijk vrije, redelijke, creatieve en onafhankelijke mens; de mens dient de taak van de profeten te voltooien, namelijk de vernietiging der idolen."

Marx waarschuwt tegen iedere vorm van fanatisme, die slechts ertoe kan leiden dat de menselijke vrijheid in het gedrang komt. Zij die waarheden verkondigen dienen te beseffen dat waarheden vaak niet meer zijn dan gedachtenconstructies die zijn verheven tot idool. Men adoreert de afgoden die men zelf in het leven heeft geroepen.

Het is mogelijk dat bepaalde sociale structuren de menselijke zelfontplooiing belemmeren. In dat geval dient men zich af te vragen hoe deze structuren veranderd kunnen worden. De sociale verandering mag echter nooit tot doel verheven worden. Marx stelt het heel duidelijk: "Het doel is de mens".
Men dient zich af te vragen: 'Wat zijn de gebreken van een bepaalde leefsituatie? Is het wel zo dat een bepaalde structuur de bron van alle kwaad is?"
Gezien vanuit de vervreemdingsproblematiek dient men zich af te vragen: "Waarom ben ik ontevreden? Wat mis ik? Wat waardeer ik in de sociale beweging waar ik deel van wil uitmaken? Is het misschien het intieme sociale contact dat mij aantrekt? Ben ik wellicht een vreemdeling die zich verlaten voelt? Heffen de sociale veranderingen die ik probeer na te streven die toestand van vervreemding op?"

Marx zou zich, denk ik, verheugd hebben wanneer hij zou ontdekken dat mensen ertoe overgingen existentiële problemen (zijnsproblemen) op een dergelijke wijze aan te pakken.

Wim Duzijn, Utrecht 1969


Geraadpleegde literatuur:
1. Erich Fromm, Marx' visie op de mens
2. Bernard Delfgaauw, De jonge Marx
3. Bernard Delfgaauw, Geschiedenis en vooruitgang,
Deel II, Geschiedenis van de mens