Gewoon een Wonder
liefdesgedichten

Liefde is universeel. Verliefdheid kan elk mens overkomen, op elk moment in zijn leven, wie hij ook is en waar hij zich ook bevindt.
Liefde overkomt je, liefde overrompelt je, liefde kan je eenzaam maken en ongelukkig, maar ook intens gelukkig en vrij.
Liefde is niet heteroseksueel en niet homoseksueel. Liefde is een wonder.
Daarvan getuigen deze liefdesgedichten, die opgedragen zijn aan een jongen, maar die door iedereen gelezen kunnen worden, omdat ze de uitdrukking zijn van gevoelens die we allemaal (of we nu man of vrouw zijn) bezitten of graag zouden willen bezitten.

De onderstaande gedichten vormen een kleine selectie uit de bundel "Gewoon een wonder", liefdesgedichten die in een zeer kleine oplage in eigen beheer zijn uitgegeven (Anarchopress Zwolle): A5-formaat, 79 blz. 12.50 euro.


Bestel hier een exemplaar

Inhoudsopgave:

07 Als een vogel zou ik willen zingen - 09 Ik weet niet waar je blijft - 10 Houd ik zoveel van jou? - 11 Twee sterren aan de hemel - 12 O, stormde het maar niet - 14 Ik hoor nu niets - 15 Ik had het koud - 16 En nog dacht ik aan jou - 17 Geen warmte in mijn hart - 18 De leegte om mij heen - 19 Ik was alleen - 20 Als jij maar niet zo bang was - 21 Morgen zal het lente zijn - 23 Wankel evenwicht - 25 Je leeft en denkt: O God - 27 De leegte van het worden - 29 Nog steeds verloren in de ruimte - 31 Ik weet dat alles nu veranderd is - 32 Lieveling, waar ben je toch? - 33 Ik wil alleen maar jou - 35 Op weg naar jou - 36 Ik ben zo ziek van liefde! - 37 Mijn hart gaat wild te keer - 38 In godsnaam, laat me niet alleen - 39 Is dit de hemel? - 41 Gewoon een wonder - 42 Ik heb zo'n dorst - 44 Wat moeten wij met God? - 45 En toch houd ik van jou! - 46 Honderdmaal gezien - 47 Nog even en we komen klaar - 48 Wit zaad stroomt in mijn hand - 49 Een vloeiende sonate - 50 Mijn hele hart - 51 En wat ik zie, dat weet ik niet - 53 Wij wachten op de donder - 54 Ik ben van jou - 55 Mijn koele ochtend - 57 Als jij gaat ga ik ook - 59 Daar sta jij - 60 Jij eet een boterham - 61 Ik riep je naam - 63 Wie ben je toch? - 65 Jij blaast de kaarsen uit - 66 Wij staan en kijken maar - 67 Eeuwig en oneindig - 68 Jij toonde mij het landschap - 70 Geloof jij in de liefde? - 72 Nog even en we komen klaar - 74 God zelf zag op ons neer - 75 Ik voel me een met jou - 76 Mijn lievelingskleur - 77 O, zie het licht - 78 En nu is alles stil


Verlegen kom je naar me toe,

Je vraagt: Wil jij wat voor me doen?
Ik kijk je onderzoekend aan
En denk: Wat zou hij van me willen?
Jij bromt nors: Nou, zeg eens wat,
Je ogen schieten vuur, ze fonkelen en vlammen,
Wat wil je?, vraag ik resoluut,
Ik denk: Ik moet eens leren weigeren,
Jij zucht heel diep en kijkt zo droef,
Dat ik kan huilen van ellende,
Nou toe, zeg ik,
Heel zacht ineens,
Wat kan ik voor je doen?
En jij haalt uit je zak een vel papier,
En overreikt me dat dan blozend.
Verbaasd lees ik:
De zon, die gaat voor ons nooit onder,
Hoe vind je dat?, vraag je bedrukt,
Ik glimlach eens en zeg:

Mijn God, dat is gewoon een wonder!



Een compleet boek voor slechts 5 euro

Het boek is in een beperkte oplage in eigen beheer als paperback uitgegeven.
Wie niet van papieren boeken houdt kan tegen een kleine vergoeding in het bezit komen van het volledige manuscript als EPUB-bestand (EPUB is een standaardformaat, geschikt voor alle E-book-readers).
Daarvoor dient men een bedrag van 5 euro te storten: IBAN-nummer NL49 INGB 0001364316, t.n.v. W.H. Duzijn, Handellaan 86 te Zwolle met een begeleidend emailbericht waarin de storting wordt bevestigd. (Zie ook de bestelpagina)

Emailadres: whd@wimduzijn.nl

Het EPUB-bestand wordt als email-bijlage naar het reactie-mail-adres van de besteller verzonden. Bezit van een E-book-reader is niet noodzakelijk. Diegenen die niet beschikken over een E-book-reader kunnen gebruik maken van het gratis te downloaden softwareprogramma CALIBRE. Daarmee kunnen EPUB-bestanden worden aangemaakt, maar ook, via een bijgevoegde E-Reader, binnen de gewone desktopcomputer-omgeving worden gelezen.


    Ik dacht alleen aan jou

    Vanmorgen keek ik uit het raam,
    Bevangen door een diepe weemoed,
    Ik dacht alleen aan jou.

    De mensen trokken langs me heen,
    En het leek alsof ze riepen,
    Een naam, dacht ik: Jouw naam.

    De zon, hoog aan de hemel,
    Verblindde me, heel even maar,
    Toen viel ik neer op bed, alleen.

    Een zachte stem klonk diep in me,
    Maar ik durfde niet te luisteren,
    Ik heb gehuild, wel urenlang,

    Houd ik zoveel van jou?



    Twee sterren aan de hemel


    Twee sterren aan de hemel,
    Vervlochten in het zwart,
    Zo ijl en mat de glinstering,
    Getroffen in het hart.

    Twee donkerrode sterren,
    Je kijkt, je hebt geen keus,
    Je voelt een vaag verlangen,
    Heel vreemd, mysterieus.

    Twee sterren aan de hemel,
    En koel de weidsheid van het land,
    Daar stromen tranen in je ogen:
    Heel plots door Liefde overmand.



    Dichtbij was jij

    Dichtbij was jij,
    En toch, nu schemer valt,
    De avond zachte gloed,
    Nu ben ik heel alleen,
    Met niets dan zacht gesis,
    De vlammen van de haard,
    O, alles zwijgt en niets te zien,
    Waarom geen bliksemflits,
    Luid razen van de donder,
    Een felle slag, juist hard genoeg,
    Om jou terug te brengen,
    Hier: Naast mij,
    De avond zachte gloed,
    En schemer om ons heen.



    Wat water

    Ik wil je nu ontmoeten,
    De zon schijnt, heerlijk warm -
    Twee vlinders vliegen weg.

    2.

    Wat water, rustig in een kom,
    Glad,
    als een schoongewreven spiegel,
    Geen mens die het beweegt.


    Morgen zal het lente zijn

    Morgen zal het lente zijn,
    Dat zeg ik tot mezelf.
    Mijn hart is als een rozeknop,
    Die weldra opengaat,
    De rode kleur zal prachtig zijn,
    Intens en vol van leven,
    Ja, heerlijk als de dag,
    Die schitterende lentedag,
    Die morgen aan zal breken.


    Gewoon een bloem

    Als jij komt zal ik niets vragen,
    Ik zal alleen maar naar je kijken,
    En weten: Nu is alles goed.

    2.
    Alles wacht op die explosie:
    De warmte van jouw lippen,
    Je armen om mijn hoofd.

    3.
    Gewoon een bloem,
    Teerblauw, met hier en daar wat wit,
    Gewoon een bloem. En ik.



    Ik ben de zon, jij bent de zon

    Beroofd van alles wat ik ooit bezat,
    Kijk ik omhoog en zie de blauwe hemel;
    Ik weet dat zij veranderd is.

    De wolken zijn geen wolken meer,
    Het blauw, dat is geen blauw;
    Alleen de zon - mijn god, de zon...

    Ik ben de zon, jj bent de zon,
    En God? O god, hier moet ik zwijgen;
    Ik weet dat alles nu veranderd is.



    Zo vol van Liefde...

    De wereld is zo leeg
    En toch, zo vol van Liefde,
    Ach, zucht daar niet de wind?,
    En daar, die ranke den,
    Bewoog die niet, heel snel,
    Een plotse huivering?
    Ach nee, ik zie te veel,
    Hoor ritselende struiken,
    O, alles is zo leeg,
    En toch..., zo vol van Liefde.



    Ik wil alleen maar jou

    Geen nacht,
    Geen fonkelende sterren,
    Ik wil alleen maar jou.

    Maar als de dag aanbreekt,
    Het eerste licht zo bleek en grauw,
    Voel ik me zwaar en loom, en roep:

    O nacht, jij hoedster van het heimwee,
    Toe, blijf nog, even - even nog...

    Maar ach, de nacht, de sterren,
    Ze laten me alleen,
    Terecht,
    Ik wil geen nacht, geen sterren,
    Ik wil alleen maar jou!



    Twee woorden

    Weiland. Alleen. En jij.
    Twee woorden: Jij en Ik...
    Twee bloemen bloeien hier.

    2.

    Ik voelde me zo rusteloos,
    Dat ik naar buiten liep,
    Ik stond daar in het gras
    En rilde van de kou.

    Toen vloog een vliegtuig over,
    Motoren gierden, brulden,
    Straks stort het neer, dacht ik;
    Dat kwam alleen door jou...



Mijn koele ochtend


Wat slierten mist,
De ochtend koel,
De zon heel ver en bleek.

Ik kijk naar jou,
Je merkt het niet,
Wie weet heb je het koud.

Dus zeg ik zacht,
Zo lief als ik het kan:
De zon breekt nu gauw door.

Je antwoordt niet,
Kijkt in het hoge gras
Heel rustig voor je heen.

De mist trekt op,
De zon wordt zalig warm,
En dan.., ineens, roep jij:

Wat mooi, wat wondermooi!

De zon, vraag ik,
De slierten mist,
De ochtend, koel en stil?

Ach nee, brom jij,
Je gaapt en rekt je uit,
Hier.., dit..: Mijn radio.

Maar, maar.., zeg ik,
De zon, de poŽzie,
Die witte slierten mist...

Jij draait snel aan een knop,
En alles wordt muziek:
Violen, pauken, bassen.

Vervloekt, denk ik,
Ik en mijn koele ochtend,
Jij lacht en trekt me op de grond.

Ik kan geen woord meer zeggen,
Je tong zwerft gretig in mijn mond.