Revolutie in het Gekkenhuis


Op 24 november van het jaar 1980 werd mijn verhalenbundel 'Revolutie in het Gekkenhuis' op de markt gebracht door de Amsterdamse uitgeversmaatschappij Tiebosch bv.

Op de achterflap van dat boek stond en staat de volgende tekst afgedrukt:

'Revolutie in het Gekkenhuis is een wending in de Nederlandse letteren. Het bevat korte verhalen die geschreven zijn in een verfrissend proza: lichtvoetig en direkt, zo helder en simpel, dat gesproken kan worden van een breuk met de heersende literatuuropvattingen, die er, volgens de auteur, op zijn gericht de lezer in te lijven in een burgermanswereld, waarin slechts plaats is voor oppervlakkigheid, levensangst of oeverloos gezeur. De verhalen variŽren van bizar tot regelrecht ontroerend, met ťťn duidelijke lijn: het gevecht van het individu met de verstikkende maatschappelijke krachten...'



Een nieuwe herziene versie wordt op deze site als E-BOOK aangeboden (klik op de link), aangevuld met verhalen die in de eerste editie geen plaats konden krijgen.


Paginaformaat: 100% - 125% - 150%   -   Achtergrond: Grijs - Blauw - Wit
Letterformaat:    


De Onbewoonbaar Verklaarde Woning
uit de bundel : 'Revolutie in het Gekkenhuis'

Na lang zoeken hadden we eindelijk een woning voor ons tweeŽn gevonden.
O, het was een erg mooie woning, onbewoonbaar verklaard, goed, maar wat kon ons dat schelen?
Eigenlijk vonden we het wel romantisch, zo'n keurig helblauw bordje naast de voordeur, met daarop het niet-alledaagse opschrift 'Onbewoonbaar Verklaard', volgens artikel zo en zo van het gemeentewetboek. Het gaf ons eenvoudige huisje een eigen 'cachet', iets unieks, als het ware, te vergelijken met een antieke paardetramlamp bij de rijken, en we waren er dan ook bijzonder trots op.
Elsje, mijn vriendin, moest er in het begin wel even aan wennen, want ja, wanneer je in een onbewoonbaar verklaarde woning gaat wonen, dan vergt dat een zekere mate van aanpassing, ik bedoel, je kunt niet zomaar doorleven alsof je neus bloedt, of iets dergelijks, en echt, geloof me, ze zat er lelijk mee, de lieve meid.
En of ik nu al zei: 'Elsje, kind, knoop gewoon een rode zakdoek om je hoofd en doe mijn groene plastic laarzen aan, met een paar dikke geitenwollen sokken erin', het mocht allemaal niet baten.
'Ik ben toch geen raar asociaal probleemgeval?', zei ze maar steeds, en ik deed natuurlijk mijn uiterste best om haar gerust te stellen, en ik fluisterde haar kalmerend in het oor: 'Nee hoor, lieve honnepon', want zo noemde ik haar, en ik drukte een uiterst natte en kleverige zoen op haar blozende wangen, zodat ze in lachen uitbarstte, en ik nam haar in de armen en voerde haar dansend mee door de vermolmde en beschimmelde ruimten van ons kleine, romantische stulpje, met zijn degelijke, blauwe gemeentebordje naast de deur.

Gelukkig went een mens aan alles en zo kon het dan ook gebeuren dat ik enige weken later, gekleed in een donkerblauwe schipperstrui, probleemloos door de zalen van mijn woning zwierf: door de kleine voorkamer met zijn vermolmde, half-verrotte plankenvloer, via de donkere alkoof, waar het vocht vrijelijk langs de wanden omlaag stroomde, naar de muffe, sombere achterkamer, die uitzag op een piepklein binnenplaatsje, met grijze trottoirtegels eens geplaveid.
Elsje, de lieve schat, had zichzelf een grote vuurrode zakdoek om het hoofd geknoopt, en ze goot vol energie een emmer water leeg in een grote bak met planten, terwijl de zon op een kokette wijze twinkelde in de kleine, met spinnenwebben overdekte ruitjes van de woning tegenover ons.., en dat was zo een zonnig en vrolijk gezicht, dat ik mijn geluk niet opkon, zodat ik rusteloos heen en weer bleef benen in mijn woning: van de ene muur naar de andere muur, zoals een gevangene dat doet in zijn cel, om tenslotte stil te houden toen een vreemde, buitenissige man ons idyllische liefdesstulpje naderde...
Het was een ambtenaar van de Gemeente!

Half verborgen achter een wijde, eens bijzonder modieuze regenjas, een glimmende aktetas onder de armen geklemd, zo'n platte, zwarte diplomatentas waar ambtenaren dol op zijn, naar men zegt.., stapte hij over de verweerde drempel van ons onbewoonbaar verklaarde huis.
'Goedendag', zei hij op plechtige toon, want gewoon doen is er niet bij in hogere kringen, 'mag ik me even aan u voorstellen? Mijn naam is Kooymans, ambtenaar derde klasse bij de gemeentelijke griffie, en ik kom hier in opdracht van de burgemeester een onderzoek instellen. Ik neem aan dat u daar geen zwaarwegende bezwaren tegen zult willen aanvoeren?'
'Nee hoor', zei ik lachend, en terwijl ik sussende gebaren maakte die de ijverige ambtenaar duidelijk dienden te maken dat hij de bezwaarformulieren die in drievoud ingevuld dienden te worden in zijn dure diplomatentas kon laten zitten, schreeuwde ik Elsje toe dat ze een ketel water op het vuur moest zetten voor een heerlijk kopje thee.
'Kijkt u eens hier', zei de ambtenaar Kooymans op zakelijke toon, en hij maakte de bovenste knoopjes van zijn regenjas los: 'Het gemeentebestuur is de mening toegedaan dat u hier eigenlijk niet thuishoort, gewoon, omdat u niet het recht bezit zich in dit pand op te houden..'
Woedend en ontdaan sprong ik op. 'Wat zegt u daar', riep ik, 'ik hier niet thuishoren? Wat een schandaal!', en ik schreeuwde zo luid als ik kon: 'Elsje, honnepon, haal de ketel maar gauw weer van het vuur af lieverd, want we horen hier niet thuis volgens deze meneer... Hoor je me? Mooi is dat, niet? Trouw vegen we onze stoep en we zetten twee keer per week de vuilniszakken buiten, naast de zakken van de buren, om te voorkomen dat de gemeentereiniging ze uit chagrijnig plichtsbesef laat staan, en dacht je dat de heren tevreden zijn? Welnee, het is ook nooit goed in dit land - de burgemeester vindt dit, de burgemeester vindt dat.., nou, we zullen ze eens vertellen wie we zjn: 'Elsje, lieveling, smijt de fluitketel maar door het raam...; en goed hard, zodat de hele buurt het kan horen...'
En o wonder, o wonder: Mijn eigen lieve Elsje stormde als een furie de kamer binnen, overgoot de aktetas van de ambtenaar Kooymans met water en wierp daarna de zwartgeblakerde ketel met een ferme zwaai door het grote voorkamerraam, niet eens door het smalle bovenraampje, hetgeen ik veel verstandiger had gevonden, terwijl ze met luide stem de 'Internationale' zong:

'De staat verdrukt, de wet is logen, de rijkaard leeft zelfzuchtig voort..'

O, werkelijk, het was een indrukwekkend gebeuren, dat de plichtsgetrouwe ambtenaar Kooymans met lijkbleek gelaat en wijdopen mond aanschouwde. Een lichte nerveuze trilling werd zichtbaar rond zijn mondhoeken en het was duidelijk dat hij iets probeerde te zeggen.
Maar mijn Elsje zong, de benen stevig op de vermolmde vloer geplant en de rode zakdoek vlammend in het krullende, donker-blonde haar:

'...tot het merg wordt de arme uitgezogen en zijn recht is een ijdel woord, wij zijn het moe...'

'Luister, luister alstublieft', riep de geplaagde ambtenaar Kooymans, maar ik zag en hoorde alleen mijn eigen lieve Elsje, die ik nog nooit zo vurig en enthousiast had gezien, en ik bewon-derde haar en werd verliefd tot over mijn oren, want dit was niet meer mijn lieve honnepon, nee, dit was een woedende haaiebaai, die eindelijk haar juiste identiteit gevonden had: een strijdbare asociale figuur in een onbewoonbaar verklaarde woning...; mijn god, wat hield ik ineens gloeiend veel van haar!
Ik dronk mij vol aan haar extatisch blikkende ogen, en ik keek vol sensueel verlangen naar de kleine, tere lippen, die vuur schenen uit te sproeien: de vurige vlammen van de 'Internationale', en zo luid als ik kon zong ik met haar mee:

'...wij zijn het moe naar and'rer wil te leven...'

Tot de ambtenaar Kooymans opsprong, met onhandige, houterige bewegingen, en toornig uitriep:
'Stelletje tuig dat jullie zijn, dat vernielt zomaar mijn dure kalfslederen tas vol officiŽle papieren en dat kent totaal geen manieren, wat denken jullie wel? De burgemeester persoonlijk heeft me hier naar toe gestuurd!', en hij sloeg uiterst voorzichtig met zijn vuist op tafel, waaruit je kon afleiden dat hij zeer goed begreep dat een onbewoonbaar verklaarde woning niet al te stevig in elkaar zit.
Verbouwereerd staarde Elsje hem aan, draaide zich toen abrupt om en verdween door de donkere alkoof naar de achterkamer.

'Makkers, ten laatsten male...', hoorde ik haar neuriŽn, tot aan het moment waarop ze met een hevige klap de wrakkige tussendeur dicht gooide.

Nog steeds verkerend in een bedwelmende liefdesroes zette ik mij aan tafel en ik vroeg de gekwelde ambtenaar, die op zenuwachtige wijze wat kleine glasscherfjes van zijn regenjas borstelde, wat er nu eigenlijk aan de hand was.
'Is uw vriendin wel helemaal in orde?', vroeg hij, terwijl hij langs me heen de duistere alkoof inblikte.
'Ach', bromde ik, 'daar moet u gewoon niet op letten, dat zijn de drugs, moet u maar denken, want die gebruiken alle asocialen immers?'
'Ja, ja', mompelde hij, en hij zette zijn gezicht in een ernstige, begrijpende plooi, 'de burgemeester dacht ook al zoiets, vandaar dat hij mij de opdracht heeft gegeven een onderzoek in te stellen naar uw leefgewoonten. Zo, zo, zwaar verslaafd aan de drugs dus, uw vrouw, tja, en dan die opvallende rode doek die ze om het hoofd gebonden heeft, ja, ja, ik zal dat alles echt moeten rapporteren - dat zult u wel begrijpen...'
Ernstig en bewust van mijn dure burgerplichten wees ik hem nog op de gevaren van de wapenhandel, de pornografie en de pedofielennetwerken en ik vroeg hem of ik zijn handpalm eens mocht bekijken.
'Dat weet u toch', merkte ik glimlachend op toen hij me vol verbazing aankeek, 'alle asocialen kunnen immers handlezen...'
Maar de ambtenaar Kooymans trok een zuur gezicht en hij mompelde: 'U neemt me in de maling', en hij klapte op bruuske wijze zijn agenda dicht. Zo waardig mogelijk verhief hij zich van de gevaarlijk krakende keukenstoel waarop ik hem plaats had laten nemen en haastig verliet hij de kamer, de natte aktetas met een vies gezicht een eindje voor zich uithoudend.
'U zult nog van ons horen', mompelde hij, en omdat ik een dergelijk sociaal gebaar natuurlijk zeer op prijs stelde zei ik heel vriendelijk 'tot ziens dan maar, meneer', hetgeen echter volstrekt zinloos was, omdat de ambtenaar Kooymans nergens meer te bekennen was, alsof hij zo ineens volledig in de lucht was opgelost...

De volgende morgen reden een aantal wagens van de politie en de gemeentelijke reinigingsdienst onze straat in, om stil te houden voor de deur van onze woning.
De ambtenaar Kooymans zat met een bleek gezicht in een witte Volkswagen, waarop in blauwe letters de tekst 'POLITIE' was geschilderd, terwijl de burgemeester de actie leidde.
Met een grote valhelm op het hoofd (wierpen wij asocialen immers geen ketels uit het venster..?) zwaaide hij met zijn burgemeestershamer en hij schreeuwde luid, maar toch zeer waardig:
'Mannen, ten aanval', alsof wij vijandelijke soldaten waren, die uit de loopgraven waarin ze zich verschanst hadden verdreven dienden te worden.
En daarmee eindigde dit unieke romantische avontuur voor ons beiden. Men bracht ons met een reusachtige, geblindeerde overvalwagen naar een spiksplinternieuwe flat, ergens aan de rand van de stad, tesamen met onze schamele bezittingen, en daar bezaten wij een lift en een stortkoker en we kregen na een tijdje zelfs huursubsidie, zodat we eigenlijk uitermate tevreden zouden moeten zijn...
Maar toch, soms, wanneer het buiten mistig en donker wordt en de straatlantaarns nog niet ontstoken zijn, ontwaakt in onze harten het oude strijdersvuur.
Een vreemde trilling trekt dan door ons heen en met fier omhoog geheven hoofden nemen wij plaats op ons propere flatbalkon en zingen daar met luide stem ons heroÔsche strijderslied:

'De heersers, met duivelse listen, bedwelmen ons met bloed'gen damp, broeders, strijd niet meer voor and'rer twisten, breek de rijen, hier is uw kamp..'

En vaag doemt in de kille avondlucht de gedaante van mijn asociale Elsje op, als was zij de geest van een overledene, met om het hoofd de vlammend rode zakdoek, gevolgd door de bleke, schimmige gestalte van de trouwe ambtenaar Kooymans, die waarschijnlijk nooit meer is geweest dan een wandelende zombie...
En terwijl we daar zo staan, met onze verhitte hoofden omhoog geheven in de kille Hollandse avondlucht, vol minachting neerblikkend op de met lucht en niet bestaande akten gevulde aktetas, weten we allebei:

Het leven is een vreemde zaak,
dwaas en dol, een gekkenhuis...


Wim Duzijn - Zwolle - Holland