liefde en erotiek

D E G O U D E N F A L L U S
erotische sprookjes & verhalen


DE MAN DIE VROUW WERD
een oud sprookje opnieuw verteld



Paginaformaat: 100% - 125% - 150%   -   Achtergrond: Grijs - Blauw - Wit
Letterformaat:    



Soms, wanneer een man en een vrouw het liefdesspel bedrijven, kan het voorkomen dat bij een van de partners de vraag oprijst wie van hen beiden er nu de heftigste genietingen ondergaat.
Is het de man, die veelal de agressief-bezittende rol speelt, of is het de vrouw, die in staat is de man in haar lichaam op te nemen, hetgeen een geheel andere, meer passieve vorm van bezitten is?
Het antwoord op die vraag kan eigenlijk niet gegeven worden, omdat maar weinig mensen in staat zijn te voelen wat de ander voelt. Ik ben er dan ook erg trots op dat ik in staat ben hier de geschiedenis weer te geven van een man die uit persoonlijke ervaring het antwoord op deze vraag kan geven:

Zijn naam was Krishna en in een ver verleden was hij Koning van een van de vele koninkrijken in het verre oosten, waarvan het bestaan in deze moderne tijd allang vergeten is.
Het paleis waarin hij woonde was opgetrokken uit wit marmer. Het bezat een koepelvormig dak dat versierd was met veelkleurig mozaÔekwerk en gouden afwateringsgoten, en dat dak rustte op een groot aantal ranke zuilen, die er zo fragiel en breekbaar uitzagen dat je nauwelijks kon geloven dat zij in staat waren het immense gewicht van de reusachtige koepelconstructie te dragen.
Zestien hoogoprijzende slanke torens, die opgenomen waren in een complex van met blauw glazuur bedekte muren, vormden een cirkelvormige beschermwacht rondom het hoofdgebouw, en in iedere toren bevonden zich kamers, van waaruit je een fraai uitzicht had op de omgeving, wanneer je plaats nam voor de boogvormige ramen, die door de grootste kunstenaars van het land van erotisch beeldhouwwerk waren voorzien.
In die tijd was het nog een goede gewoonte om alle paleizen en tempels te voorzien van kunstwerken die de geslachtsdaad - of, beter gezegd: het erotische spel tussen man en vrouw - als centraal thema hadden. Het koepelvormige dak, de muren, de ramen van de torens, en ook de brede toegangspoort van het paleis toonden je dan ook, op een wijze die wij, vertegenwoordigers van een moderne tijd, ongetwijfeld 'schaamteloos' zouden noemen, taferelen uit beroemde erotische verhalen en er was geen mens die er aanstoot aan nam.
De Koning zelf had het bouwplan ontworpen en na de voltooiing van het paleis werd er een groot volksfeest georganiseerd, waarbij de wijn rijkelijk stroomde.

Het volk droeg zijn Koning op handen, want hij regeerde het land met grote wijsheid en hij droeg er zorg voor dat niemand, zelfs niet de geringste onder de geringsten, het slachtoffer werd van onrechtvaardigheid.
"Een volk dat onrechtvaardig behandeld wordt komt onvermijdelijk in opstand", hield zijn vader hem voortdurend voor, en de jonge Krishna luisterde met aandacht naar de wijze lessen van zijn vader, en hij plukte er, nu hij ze in praktijk bracht, met grote voldoening de zoete vruchten van.
Kort na zijn troonsbestijging was hij in het huwelijk getreden met een lieftallige prinses uit een naburig koninkrijk, die hem een grote schare kinderen schonk. In hun fraaie paleis leefden ze een blij en gelukkig leven, dat zorgeloos en rimpelloos voorbij zou zijn gegaan, wanneer niet het Noodlot had gewild dat op een dag de oudste zoon van het koninklijke echtpaar ernstig ziek werd. Alle artsen van het land bezochten het ziekbed van de prins, maar niemand was in staat hem te helpen. Ook de hulp van buitenlandse artsen mocht niet baten, zodat de Koning ten einde raad besloot een offer te brengen aan 'de goden', een oud gebruik, dat tijdens zijn heerschappij was afgeschaft.

Omdat het niet zijn gewoonte was offers te brengen, koos hij in het uitgebreide tempelcomplex van de hoofdstad op goed geluk een altaar uit, in de hoop dat het offer vanzelf wel bij de juiste God terecht zou komen.
"O Goden in de hemel", zo bad hij, "verhoor mijn gebeden en red mijn zoon", en hij kuste de voeten van het beeld, dat een God afbeeldde waarvan hij de naam in het geheel niet kende, en verliet voorzichtig, een hoofddoek voor het gezicht geslagen, de tempel, omdat niemand hem hier mocht zien.
En, o wonder, de volgende dag knapte de prins op en na enige dagen trad er zelfs een opzienbarend herstelproces in. De ogen van de zieke prins, die tot dan toe dof en uitdrukkingsloos de wereld inblikten, begonnen te glanzen, en hij praatte en lachte weer en was weldra volledig gezond, tot grote blijdschap van de Koning die dacht dat hiermee alle problemen voorbij waren.

Maar helaas, de Koning, die zelf een redelijk man was had geen rekening gehouden met de irrationele gevoelens die ten grondslag liggen aan de hiŽrarchische structuur van de Godenwereld, een wereld waarin iedere God een eigen plaats kent, die nooit ingenomen mag worden door een andere God.
In een rationele, redelijke wereld kun je iemand om hulp vragen en wanneer die persoon niet de juiste bevoegdheden bezit, dan zal hij de hulp van een collega inroepen en dan is er verder niets aan de hand.
In een irrationele wereld daarentegen heerst een welhaast wetmatige rangorde en wanneer een hooggeplaatst persoon de hulp van de Goden inroept, dan is het zijn plicht zich te wenden tot een hooggeplaatste God.
En kijk, daar had de Koning volstrekt niet aan gedacht! In zijn onwetendheid had hij zich gewend tot een lagere God, zodat de Oppergod, die de naam Indra droeg, zich uitermate gegriefd voelde, omdat hem niet de eer was bewezen die hem krachtens zijn hoge positie toekwam.
'Jezus, wat een kinderachtige man, die Oppergod..., zullen sommige lezers nu denken, en die lezers wil ik uitdrukkelijk vragen of het zo is dat zij zelf een redelijke God aanbidden,die zich niet stoort aan de aanwezigheid van andere goden, en wanneer dat niet het geval is dan kunnen zij maar beter hun mond houden, en een les trekken uit deze geschiedenis, die het gevolg is van het onredelijke, irrationele gedrag van een dwaas, kinderachtig wezen, dat zich zo onredelijk op kon stellen, omdat het als Oppergod nu eenmaal de macht in handen had.
Deze primitieve, onredelijke God, die zich dodelijk beledigd voelde, zocht, hoe ongelooflijk het ook mag klinken, naar een middel om wraak te nemen, en vanuit de Hoge Hemel hield hij de Koning angstvallig in de gaten, in de hoop hem te kunnen betrappen op de een of andere overtreding, waardoor hij het recht zou krijgen hem te straffen.
De Koning echter leefde in overeenstemming met de wetten van het land en omdat hij daarenboven zeer geliefd was bij het volk, kreeg het wraakzuchtige Opperwezen niet de gelegenheid hem te bestraffen.
Jaren gingen aldus voorbij en er heerste vrede en voorspoed in het land, en iedereen was tevreden, behalve natuurlijk de Oppergod Indra, die mokkend in de Hoge Hemel zat, omdat zijn wraakzucht nog altijd niet bevredigd was.
Tot op een dag de Koning een misstap beging, die hem overleverde aan de toorn van de beledigde Indra.., een klein overtreding weliswaar, die door bijna niemand werd opgemerkt, maar in de ogen van de wraakzuchtige Oppergod groeide die daad uit tot een gruwelijke misdaad, die zwaar bestraft diende te worden.

Toen dan ook de Koning zich tijdens een jachtpartij van de rest van het gezelschap verwijderde, lokte de wraakzuchtige Oppergod het paard van de Koning de wildernis in, zonder dat de Koning het in de gaten had.
Uren liep het paard door vlakten en door wouden, tot de Koning, die helemaal in de ban was geweest van het te achtervolgen wild, zich begon af te vragen waar ter wereld hij nu eigenlijk was.
Nieuwsgierig keek hij om zich heen, maar tot zijn niet geringe verbazing zag hij nergens een vertrouwd punt waarop hij zich kon oriŽnteren. De hele verdere dag reed hij in het rond, in de hoop de weg terug te vinden, maar uiteindelijk moest hij bekennen dat hij op een hele domme manier was verdwaald.
Vermoeid liet hij zich van het paard glijden, in de nabijheid van een smal beekje dat koel, helder water uit de bergen met zich meevoerde. En omdat hij dorstig was zette hij zich neer op een platte steen, die in de loop der eeuwen was gladgeschuurd door de elementen der natuur, en met gevouwen handen schepte hij wat water op, om daar zijn dorst mee te lessen.
Grote felgekleurde vogels vlogen aan hem voorbij, en sommige van die vogels zetten zich neer op de zacht glooiende oevers die zich uitstrekten langs het snelstromende water en dat was een schitterend gezicht, omdat het felle rood en blauw van hun vedertooi sterk contrasteerde met het zachte groen van het gras en het felle, schitterende wit van het schuimende, zonverlichte water.
'Wat een paradijselijke plek', dacht de Koning, die zich van geen kwaad bewust was, en hij besloot een bad te nemen, omdat zijn lichaam tijdens de lange, uitputtende rit was bedekt met een dikke laag stof.
Nadat hij zich had uitgekleed zocht hij een geschikte plek om te baden. Zijn naakte, gespierde lichaam werd beschenen door de zon en het zag er schitterend uit. De soepele spieren bewogen zich traag onder de donkere, olijfkleurige huid, en wanneer je naar zijn ronde, stevige billen keek, die glommen en spiegelden, alsof ze met olie waren ingewreven, dan werd je onwillekeurig gegrepen door bewondering, want ze vertoonden een lenigheid en een welhaast vrouwelijke pracht die je zelden aantreft bij een man.
Op de plaats waar het beekje zich verbreedde stapte de Koning in het water. Hij dook voorover en zwom enige tientallen meters onder water, om proestend en hijgend weer boven te komen. Als een dartel kind liet hij zich achterover vallen en hij sloeg met armen en benen op het wateroppervlak, zodat een regen van waterdruppels zichtbaar werd. En omdat het zonlicht daarin een veelkleurige regenboog vormde, daarom kreeg hij het gevoel dat alles kleur en fonkeling was om hem heen.
Na nog enige rondjes gezwommen te hebben voelde hij zich voldoende opgefrist en hij waadde door het water naar de oever, om alles in gereedheid te brengen voor een nieuwe zoektocht.
Op het moment echter dat hij de oever wilde beklimmen viel zijn blik op het spiegelende wateroppervlak en stomverbaasd hield hij stil.
Hij tuurde en hij tuurde naar het beeld van zichzelf en hij wreef zich in zijn ogen en keek opnieuw, want wat hij zag kon onmogelijk waar zijn...
Maar het spiegelbeeld dat het water van hem vormde veranderde niet en als verlamd bleef hij er naar kijken. Zijn gezicht werd eerst bleek, en toen vuurrood van diepe schaamte, en hij wilde niet geloven wat hij zag, maar kon tenslotte niet ontkomen aan de harde werkelijkheid, omdat hij het met zijn eigen ogen zag: Hij was een vrouw geworden!
Hij zag de ronde, vrouwelijke borsten, die getooid waren met stevige, ronde tepels, en hij zag de brede heupen en de zacht welvende venusheuvel met zijn brede schaamspleet en toen hij een zachte kreet van ontzetting slaakte, was het de kreet van een vrouw...
Huilend viel hij op zijn knieŽn neer, maar hoe hij ook bad en smeekte om genade, het hielp allemaal niets. De Hemel zweeg en het water stroomde door de beek en aan de oever van die beek stond een naakte vrouw, en die vrouw was hij, want dat was de straf die de Oppergod Indra voor hem uitgekozen had.

De arme Koning keek verbijsterd om zich heen en hij hoopte dat het niets meer was dan een boze droom, maar helaas, de wereld waarin hij zich bevond was geen droom:
Daar in de verte graasde zijn paard en op de plaats waar zijn kleren lagen wandelden de bonte, felgekleurde vogels door het grijsgroene gras, en dat alles bewees hem dat het wonder dat zich aan zijn lichaam voltrokken had bittere werkelijkheid was. Vol afschuw bekeek hij zichzelf. Hij betastte de borsten, die vol en stevig waren, en hij duwde ze opzij en staarde naar de plek tussen zijn benen, waar zich tot dan toe zijn forse, welgeschapen geslachtsdelen hadden bevonden.
Onder het zwarte schaamhaar was heel duidelijk de schaamspleet te zien en hij bleef er enige ogenblikken vol stomme ontzetting naar staren...
"Wat een idioot gezicht", mompelde hij, en hij schrok van het geluid dat hij maakte, omdat zijn stem de hoge klank van een vrouwenstem had.
God, wat voelde hij zich vernederd. Heel zijn wezen kwam in opstand tegen deze verandering en hij dacht bij zichzelf: 'Hoe moet ik nu verder leven? Hoe kan ik in deze gedaante terugkeren naar het paleis? Wat zullen mijn kinderen wel zeggen, wanneer ze zien dat hun vader, die zij altijd als hun voorbeeld hebben gezien, een vrouw geworden is?'
Vertwijfeld kleedde hij zich aan en ook al was hij nu een vrouw, toch voelde hij zich een als vrouw vermomde man.
Met veel moeite besteeg hij het paard en onhandig heen en weer schuivend in het veel te grote zadel, want met zijn mannelijkheid had hij ook zijn forse, mannelijke vormen verloren, begaf hij zich op de terugweg, die ditmaal zonder problemen verliep, omdat de Oppergod Indra niet langer zijn paard onder controle hield.

Aangekomen bij het paleis sloeg hij beschaamd de ogen neer en hij perste de lippen op elkaar, om te voorkomen dat een van de soldaten die op wacht stonden zijn vrouwelijke stemgeluid zou horen.
"Daar is het paard van de Koning", riep de schildwacht voor de poort, "en er zit een vrouw op die de kleren van de Koning draagt", en hij wist niet wat te doen en liet hem met grote verbaasde ogen passeren.
De Koning reed naar de stallen en liet zich van zijn paard glijden, nog altijd zwijgend, omdat hij zich schaamde voor zijn hoge stem.
De stalknechten schoten toe en namen de teugels van hem over, maar zij durfden de vreemde vrouw niets te vragen, omdat zij de grote wijde mantel van de Koning droeg.
Beschaamd en dodelijk verlegen besteeg de Koning de trappen van het bordes en nadat hij een lange tocht had gemaakt door de gangen van het paleis, waarbij hij voortdurend werd aangestaard door wachters en bedienden, stapte hij tenslotte het koninklijke woonverblijf binnen, waar zijn vrouw vol verlangen op hem wachtte.
Geschrokken staarde de Koningin de bezoeker aan, want zij herkende in het gezicht van de vreemde vrouw die binnenkwam de trekken van haar echtgenoot, en zij slaakte een kreet van ontzetting.
"Mijn God", riep ze, "mijn man is een vrouw geworden", en haar kinderen snelden toe, want zij begrepen niet wat er aan de hand was.
Zwijgend stond de Koning tegenover de leden van zijn gezin, die hem met grote ogen van verbazing aanstaarden.
Zijn jongste zoon liep op hem toe en raakte hem heel even met een vinger aan, waarna hij huilend terugrende naar zijn moeder. "Dat is onze vader niet", snikte hij, "want die man is een vrouw!"
En de Koning zette zich op een kussen neer en hij vertelde zijn familie het hele verhaal: hoe hij zich gebaad had en hoe hij ontdekte dat hij veranderd was.., en iedereen luisterde naar het verhaal van de eigenaardige vrouw die in feite een man was en men staarde hem zwijgend aan, en bleef zwijgen, ook toen hij uitverteld was.
De Koning begreep dat hij niet langer in hun midden kon leven, omdat zijn verschijning spotte met alle strenge regels die het Hofleven bepalen en hij deelde op een kalme, rustige wijze zijn vrouw en zijn kinderen mee dat hij de wildernis in zou trekken om aldaar in het reine te komen met zichzelf.
Verdrietig, maar toch vervuld van liefde, omarmde hij zijn familieleden en nadat hij zich had omgekleed verliet hij het schitterende paleis waar hij als een vorst had geleefd, om het armoedige leven te gaan leiden van een naamloze, familieloze vrouw.

Hij ontdekte dat hij zachter en schuchterder was geworden en dat hij met heel andere ogen naar de mensen keek.
Vol belangstelling keek hij nu de knappe jongens die hij tegenkwam in de ogen en hij verbaasde zich erover dat niemand van die jongens kwaad op hem werd, zoals dat wel het geval was geweest toen hij nog een mannengedaante bezat.
'Vreemd', dacht hij, 'dat ik nu een jongen mooi en lief en aantrekkelijk mag vinden, terwijl ik in feite, diep in mijn hart, nog een man ben', en onwillekeurig moest hij lachen, want hij bedacht dat een van die jongens misschien wel geil van hem geworden was...
Maar toen hij de stad achter zich had gelaten verdween geleidelijk aan het besef van mannelijkheid en terwijl hij zich eenzaam een weg baande door de velden en de bossen handelde hij als een vrouw en dacht hij als een vrouw.

Na veel omzwervingen bereikte Krishna een grot, waarin een kluizenaar woonde, en omdat ze vond dat zij als vrouw niet alleen door het leven kon gaan, daarom bood zij de man haar hulp aan, die de ander zwijgend accepteerde.
Samen werkten zij op het land. Ze aten het eten uit dezelfde ketel, ze sliepen in hetzelfde bed en ze voelden zich zo tot elkaar aangetrokken dat ze besloten het leven van man en vrouw te gaan leiden.
Tijdens de eerste huwelijksnacht werd Krishna, die vrouw geworden was ontmaagd door haar man. Vol overgave onderwierp zij zich aan de heftigheid waarmee haar echtgenoot haar bezat en op het moment dat hij trillend en schokkend zich leegspoot in haar gloeiende, verhitte lichaam glimlachte zij, omdat het was alsof zij zichzelf ontmoette.

Uit het huwelijk met deze man werden verschillende kinderen geboren en zij hield van hen, zoals zij ook als koninklijke vader van haar kinderen had gehouden, maar misschien waren haar gevoelens nu sterker en dieper en intenser van aard...
Toch was de man in haar niet helemaal verdwenen, want toen haar kinderen groter werden dacht ze aan het paleis waar de Koningskinderen leefden en ze zei tegen haar man:
"Het leven heeft ons arme mensen weinig te bieden. Onze kinderen kunnen veel meer bereiken in het leven en daarom is de tijd gekomen ze naar het paleis te brengen, waar het hun aan niets zal ontbreken en waar zij een goede opvoeding zullen krijgen..." Haar echtgenoot die zoveel jaren in volledige eenzaamheid in de grot had gewoond keek haar met een peinzende uitdrukking op het gezicht aan en hij antwoordde:
"Wanneer jij denkt dat jouw mannelijke eerzucht je kinderen gelukkig zal maken, dan moet je maar doen wat je goeddunkt." En Krishna, die wel merkte dat hij het er eigenlijk niet mee eens was, aarzelde een moment, maar ze kon er niet toe komen de Koning die zij ooit zelf eens was geweest te vergeten en zij bracht daarom haar kinderen naar het koninklijke paleis waar zij samen met haar andere zonen werden opgevoed.

Die situatie beviel de Oppergod Indra echter in het geheel niet. Ontstemd keek hij vanaf zijn Godentroon omlaag en hij mompelde op wrevelige toon: "Nu heeft ze er zeven nieuwe kinderen bij gekregen, en die leven als koningskinderen in het paleis, en zelf leeft ze in vrede met een wijze man en wat komt er op die manier nu terecht van mijn poging haar te straffen?"
En hij verzon een list, want hij zou en moest haar leven tot een hel maken, en in de gedaante van een priester begaf hij zich op weg naar het paleis.
Daar stookte hij de koningskinderen tegen elkaar op en omdat de jonge prinsen zich snel lieten beÔnvloeden begonnen zij een heftige strijd om de macht, waarbij zij allen om het leven kwamen.

Toen Krishna van het verschrikkelijke bloedbad hoorde zakte ze verslagen op de grond ineen. Dodelijk bedroefd vouwde ze de handen ineen en ze schreide bittere tranen.
De wraakzuchtige God Indra bemerkte haar mateloze verdriet en voor het eerst in al die jaren dat hij haar al achtervolgde met zijn onredelijke haatgevoelens verzachtte zich zijn gemoed en vatte hij medelijden voor haar op.
'Misschien ben ik toch te ver gegaan', dacht hij, en hij schaamde zich een beetje en besloot in de gedaante van een krijgsman haar te bezoeken.
"Waarom huil je, vrouw?", voegde hij haar op barse toon toe, en Krishna keek snikkend omhoog naar de trotse krijgsman die ze ooit zelf was geweest en ze zweeg.
Indra werd ongeduldig en hij schreeuwde: "Als je geen antwoord geeft, domme vrouw, dan bind ik je aan mijn paard en dan zal ik je voortslepen over alle wegen van het land", en dat meende hij werkelijk, want hij was een erg kinderachtige God, die nooit eens door een ander terechtgewezen werd, en dat kon natuurlijk ook niet, omdat hij de baas van alle goden was.
En krishna staarde hem aan met tranen in de ogen en zij antwoordde met gebroken stem: "Neem mijn leven, dappere krijger, want het is niets meer waard nu ik mijn kinderen heb vermoord."
En zij vertelde de krijgsman het verhaal van haar leven en zij noemde met name de eerzuchtige motieven die haar als moeder ertoe hadden gedreven haar kinderen naar het paleis te brengen, en zij toonde zoveel verslagenheid en diep verdriet, dat Indra alle bitterheid uit zijn hart voelde wegtrekken.
"Je kinderen zullen weer leven", zei hij troostend, want zijn wraakzucht was volledig verdwenen, en Krishna dankte hem en zij wilde het huis binnengaan om haar man het goede nieuws te vertellen.
Maar de krijger hield haar tegen en vroeg of zij misschien weer man wilde worden, want ook die wens zou in vervulling gaan wanneer zij dat wilde.
Glimlachend keek Krishna de Oppergod aan en zij schudde het hoofd in een afwijzende houding heen en weer.
"Dus je verkiest het zwakke lichaam van een vrouw boven het sterke lichaam van een man?", riep de mannelijke Oppergod verbaasd uit.
En Krishna antwoordde: "Mijn vrouwenlichaam bevredigt mij volkomen, o Heer. Wanneer mijn man mij bezit en zijn orgaan diep in mijn lichaam boort, dan onderga ik de heerlijkste gevoelens. En als ik klaarkom, verschillende keren achter elkaar, want dat vermogen heb ik als vrouw, dan waan ik mij in de zevende hemel, en ik weet uit ondervinding dat een man zulke intense gevoelens van extase niet kent, want ik ben zelf een man geweest en ik heb talrijke vrouwen bezeten..."

Verwonderd en ook enigszins beschaamd nam de Oppergod afscheid van deze vreemde vrouw die geen man wilde zijn en verzonken in diep gepeinzen keerde hij terug naar het Hemelse rijk, waarover hij nog altijd alleenheerser was.


Wim Duzijn - Zwolle - Nederland