Wim Duzijn:
een schrijver in gesprek met de Heer in zichzelf
Het eerste gesprek Bedum, 10 december 1974
Het eerste gesprek dat ik mag voeren met de Heer Duzijn vindt plaats in een kleine arbeiderswoning, gelegen aan een smalle asfaltweg, die zich in grillige bochten voort slingert tussen uitgestrekte weidevelden.
Vanuit een met donkerbruin ribcord beklede fauteuil in de sober ingerichte woonkamer kijk ik door de hoge vensters naar de wijde horizon die me schijnt toe te roepen dat het stadse woordje ‘eindigheid’ hier weinig meer is dan een holle, inhoudsloze frase – een uitvinding van bekrompen geesten die hun bekrompenheid hebben omgezet in duur klinkende woorden.
Terwijl ik mijn blikken heen en weer laat glijden ontwaar ik af en toe het blozende gezicht van een nieuwsgierig naar binnen starende boerenjongen, die, hoog gezeten op zijn lawaaierige, felgekleurde tractor, enige onbestemde landarbeid verricht.
Enigszins geërgerd vanwege dit opdringerige gedrag, dat afbreuk doet aan de ernst van mijn filosofische overpeinzingen, draai ik mij om en ik wend me tot de Heer Duzijn:
- Mijnheer Duzijn, na uw vertrek uit Amsterdam, volgens ingewijden een van leven zinderende stad waar het avontuur bij wijze van spreken voor het oprapen ligt, leidt u hier nu al enige jaren een teruggetrokken leven op het platteland. Kunt u me vertellen hoe dat rustige leven u bevalt?
- Tja, lieve man, wat moet ik daar als avontuurontvluchter nu op zeggen...?
De zon komt 's morgens op, de zon gaat 's avonds onder, en het leven gaat, zoals de plattelandsbewoners dat op zo’n heerlijk nuchtere manier kunnen uitdrukken, "zo zijn gangetje". Daar kan ik eigenlijk weinig meer aan toevoegen. Een romanticus zou waarschijnlijk opmerken dat een mens hier een kan worden met de natuur, maar ik ben geen romanticus, tenminste, niet in de zin die dwepers en fantasten er aan toevoegen, en daarom ken ik dergelijke gevoelens niet. Ik heb mezelf nooit vereenzelvigd met bomen of planten of welke materiële zaken dan ook. Misschien is dat mijn degelijke Hollands-nuchtere instelling, misschien ook is het gewoon een kwestie van karakter, dat weet ik niet.
- Het maakt u eigenlijk niet uit waar u woont. Bedoelt u dat?
- Nee, beslist niet. Ik zou niet graag in een stinkend moeras willen wonen, waar je snakkend naar adem je tuintje loopt te wieden, of aan de rand van een kerkhof, waar kille engelen van steen je elk uur van de dag staan aan te staren, met een starre, verwijtende blik in de ogen, zo van: "Schaam jij je niet, dat je nog niet dood bent?"
Nee, ik heb een aangeboren hekel aan dergelijke onherbergzame en macabere oorden - daar zou ik me nooit op mijn gemak voelen - ook dat is waarschijnlijk weer een kwestie van karakter, een hang naar, ja, hoe zal ik het noemen...: Licht, openheid en ruimte...
- Jaja, en die openheid treft u hier wel aan?
- De Heer Duzijn wijst zwijgend naar een van de vensters, waarlangs zich juist, gehuld in grote, blauwgrijze rookwolken, de tractor voortbeweegt.
Ik negeer de blikken van de brutaal grijnzende boerenjongen, die staande op zijn voertuig, de billen hoog boven het brede metalen zadel geheven, een steeds opdringeriger indruk op me gaat maken, en ik neem me voor het gesprek een wat serieuzere inhoud te geven, een wat ernstiger inkleuring van de werkelijkheid, die past bij de achtergrond van de serieuze schrijver, die de Heer Duzijn ongetwijfeld is.
- Mijnheer Duzijn, u hebt me verteld dat u zojuist de verhalenbundel 'Revolutie in het Gekkenhuis' hebt voltooid. Mag ik u vragen hoe lang u al met uw literaire arbeid bezig bent?
- Nog niet zo lang... Ik denk een paar jaar... In het begin beperkte ik me tot losse aantekeningen en pas de laatste twee jaar ben ik bezig met het 'serieuze werk', om het zo eens uit te drukken.
- Kunt u me uitleggen waarom u begon te schrijven?
- Jazeker.
- Nou?
- Omdat ik er op een goede dag zin in had. Dan denk je bij jezelf: Wat zal ik nu eens doen? Begrijp je dat? Je verveelt je een beetje, je hebt geen zin in sport en uitgaan, en dan heb je zojuist een dik, ingewikkeld boek gelezen en daar zit je over na te denken en dan pak je een blocnote en een pen en dan ga je wat losse gedachten op papier zetten... Ik vind dat alles zo verschrikkelijk en ontstellend gewoon dat ik nooit begrijp waarom men in interviews schrijvers steeds daarnaar vraagt.
- Jaja. Er lag dus geen bepaalde existentiële problematiek aan ten grondslag?
- Nee, ik schreef omdat ik iets te doen wilde hebben. En natuurlijk omdat ik het leuk vond - dat is alles.
- Het schrijven stond dus niet in dienst van een proces van zelfbevrijding?
- Aanvankelijk niet, nee. Ik schreef en ontdekte later dat het schrijven in zekere zin 'bevrijdend' werkte, maar toen ik begon te schrijven was ik me daar niet van bewust.
- Maar waarom gaat iemand dan schrijven?
- Dat heb ik toch al gezegd? Uit verveling.., om de tijd te verdrijven, en omdat hij er lol in heeft, omdat hij schrijven toevallig leuker vindt dan kleien of boetseren of politiek bedrijven... Ik bedoel maar: het is toch allemaal erg toevallig wat een mens doet, daar liggen toch vrijwel nooit bewuste keuzen aan ten grondslag?
Je treft jezelf met een bepaald karakter en een bepaalde constitutie aan in deze wereld en je moet maar zien hoe je gebruik maakt van de mogelijkheden tot zelfverwezenlijking die je worden aangeboden. Dat toevallige mechanisme mag je niet ontkennen. Of, laat ik het scherper formuleren: dat toevallige karakter moet door iedere beoefenaar van creatieve arbeid erkend worden. Gewoon, om te voorkomen dat mensen allerlei systemen en theorieën gaan ontwikkelen voor andere mensen die in feite volstrekt overbodig zijn, omdat ze alleen maar het product zijn van het banale, kleinmenselijke verlangen de tijd te doden.
Voor zulke systeembouwers moet je oppassen! Voor tijdverdrijvers en eerzuchtige bluffers. Want wat die mensen produceren, dat heeft geen enkele waarde, dat is, wanneer je het woordje 'existentieel' wilt gebruiken, existentieloze rotzooi - meer niet.
- Nu begrijp ik u niet helemaal. U wijst op het toevallige karakter van uw schrijfbezigheden en tegelijkertijd valt u die mensen aan die volgens u niet serieus genoeg zijn.
- Mensen die niet weten wat ze aan het doen zijn, die val ik aan. Mensen die niet in staat zijn de nodige zelfrelativering in acht te nemen. Mensen die uit pure verveling andere mensen gaan terroriseren met gedachtespinsels die volstrekt zinloos zijn. Daar wemelt het hier in Holland van. Werkelijk. De Hollandse literatuur is het product van bluffers en tijdverdrijvers, weinig meer dan een wolkje verveling, gehuld in het klatergoud van ijdele eerzucht. That's all!
- Jaja. Maar wat is dan voor u de betekenis van het woord 'kunst', want u kunt toch niet ontkennen dat u met uw schrijfactiviteiten het terrein van de scheppende kunst hebt betreden.
- Kunst? Wel, ik geloof dat je dat begrip op een heel nuchtere en zakelijke wijze kunt omschrijven. Kunst is puur objectief gezien 'vormgeving' en daarom heeft het woordje 'kunst' voor mij niet zo veel betekenis. Als ik over 'mijn kunst' praat, dan praat ik over iets heel anders, maar daar wil ik hier niet verder op ingaan.
- Jaja. Kunst als vormgeving. Maar dat is dus wel iets heel anders dan zomaar iets voor de lol doen. Of dacht u van niet?
- O, gaan we op de spitsvondige toer? Nou, dat mag van mij. Het een sluit het ander niet uit. Je kunt het toch gewoon leuk vinden het een of andere werkstuk in elkaar te knutselen? Kinderen in de zandbak zitten ook kraaiend van plezier taartjes te bakken. Ik heb dat vroeger veel gedaan. Dan ging ik met een lading emmertjes en vormpjes naar het park en dan bakte ik het halve park vol met visjes en schelpjes van zand, zodat iedereen wist: Dat jongetje van Duzijn is hier geweest, dat overijverige jongetje, dat de hele wereld vol wil bakken met vormpjes van zand.
- Nou ja, dat vind ik een vergelijking van niks... Ik kan me voorstellen dat een echt vormgevingsproces nogal ingewikkeld is - een bezigheid die veel denkwerk vereist.
- O zeker, dat kan ik me ook wel voorstellen. Waarom niet?
- Maar desondanks beweert u dat het voor u een lolletje is...
- Lolletje, lolletje... Nou overdrijf je schromelijk , zo stel ik het helemaal niet. Ik vind het alleen onzin om creatieve arbeid automatisch in verband te brengen met moeizaam geploeter en geworstel. Je hebt per slot van rekening ook mensen die binnen een paar weken een complete roman kunnen schrijven, zonder dat daar maanden van getob en geploeter aan vooraf gaan.
Nee, je moet de zaken nuchter kunnen zien, vind ik. Schrijven als bezigheid is voor mij een vorm van ontspannende inspanning. Ik geloof dat iedere vorm van arbeid die twee elementen in zichzelf moet herbergen. Wanneer inspanning en ontspanning niet samengaan, dan is er iets mis, dan zijn mensen gewoon op de verkeerde manier bezig.
- Het schrijven kost u dus geen moeite?
- Nee, niet meer, omdat ik een jarenlang denkproces achter de rug heb dat een einde heeft gemaakt aan een chaotische geestesgesteldheid, die het me onmogelijk maakte de nodige afstand in acht te nemen.
Er is een zekere mate van afstandelijkheid nodig, wanneer je een vormgever wilt worden. Dat is ook de essentie van het begrip 'vorm'. Vorm is altijd orde. En orde is per definitie afstand. Wie afstandelijkheid afwijst zal nooit een goed 'vormgever' worden. Daar hoeven we helemaal niet moeilijk over te doen. Dat is gewoon zo...
- Over welke tijd spreekt u, wanneer u het heeft over een 'chaotische geestesgesteldheid'?
- Een jaar of wat terug - nog niet eens zo lang geleden. Ik studeerde in Amsterdam in die tijd en de rode vlaggen van de studentenrevolutie, bepaald geen symbolen van rust en orde - zeg nu zelf - wapperden alom!
- Kunt u die moeilijkheden omschrijven?
- Ach, ik wilde schrijven, want, zoals gezegd, ik vond schrijven een leuke bezigheid, vooral ook omdat ik in een tamelijk groot isolement verzeild was geraakt, maar de woorden waren er niet, tenminste, niet in voldoende mate, en dat was een uiterst onplezierige ervaring.
- Hing dat misschien samen met bepaalde psychische moeilijkheden, het 'gevecht met jezelf', zoals veel kunstenaars dat tijdens hun leven ervaren?
- Misschien wel ja.
- Kunt u daar iets meer over zeggen?
- Nee, daar zie ik de noodzaak niet van in.
- Jaja. Bent u altijd zo kortaf?
- God, lieve man, dat weet ik allemaal niet hoor... Ik zit nooit naar mezelf te kijken met een vergrootglas in de hand
- Ja, ja, oké, als u dan perse niet wilt.... Een ander onderwerp dan maar...
- Aah, een verstandige daad…! Vuur je vragen maar af.
- Had u, Mijnheer Duzijn, een prettige jeugd?
- Heerlijk!
- Heerlijk, zegt u. Niet gepest, geschopt of geslagen?
- Niet dat ik weet.
- En toch beschrijft u in het boek 'Het Einde der Tijden' op een nogal deprimerende wijze allerlei ongelukkige jeugdervaringen van de hoofdpersoon - die nota bene nog zelfmoord pleegt ook...
- Dat is waar ja, dat kan ik niet ontkennen.
- Dan vraag ik u, Mijnheer Duzijn: Hoe valt het een met het ander te rijmen? U beschouwt schrijven toch ook, dacht ik, als een zelfbeschrijvingsproces?
- Jazeker, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat ik mijn fantasie niet de vrije loop mag laten gaan? Het is toch heel goed mogelijk om bepaalde ingrijpende gebeurtenissen en ervaringen in te kleden in een fictief verhaal. Autobiografieën in de letterlijke zin van het woord wil ik niet schrijven - die zijn me veel te saai. Dan kun je beter je toevlucht nemen tot het medium 'brief' of 'dagboek'.
- De ervaringen zoals ze zijn beschreven in 'Het Einde der Tijden' hebben dus geen betrekking op uw eigen jeugd?
- Nee, mijn jeugd was relatief gezien goed. De moeilijkheden kwamen eerst later, tijdens de puberteit, tegen mijn vijftiende, zestiende jaar.
- 'Relatief gezien goed', dat klinkt iets minder uitbundig dan het aanvankelijke 'heerlijk'.
- Nou ja, ik geef toe dat die uitbundigheid niet helemaal terecht is. Ik was een nogal serieus kind, met een trots karakter en een sterke hang naar waardigheid, en ik verlangde naar een wereld die mijn ouders me niet konden bieden, een wereld vol met grote herenhuizen, met badkamers en luxueus ingerichte woonruimten, waarin strenge, waardige mensen leefden, waar ik als naar liefde verlangend kind tegen op kon zien. Dat was een droom die helaas nooit werkelijkheid is geworden en daarom kun je van echt geluk niet spreken, omdat echt geluk daar ontstaat waar werkelijkheid en droom elkaar ontmoeten.
- Uw vader was geen waardige, wijze man?
- Nee, zeer zeker niet!
- Hij heeft geen rol van betekenis in uw leven gespeeld?
- Nee.
- U wilt niet meer over hem vertellen?
- Nee!
- Kon u met hem opschieten?
- We verdroegen elkaar best.
- Maar hield u van hem? Was er zoiets als bewondering of respect?
- Er was geen emotionele binding - als je dat bedoelt?
- Een emotionele binding is voor u dus belangrijk?
- Wanneer we praten over liefde wel ja...
Bedum: Grootestraat - St. Annerweg
- Gelooft u in liefde?
- Ik geloof in een binding die uitstijgt boven de alledaagse verlangens naar gezelligheid, aanspraak en sexuele bevrediging. Wat dat betreft ben ik een romanticus. Mensen die het gemis aan liefde een vanzelfsprekende zaak vinden begrijp ik niet - die zijn me wezensvreemd.
- U ziet liefde als een vorm van gebonden zijn?
- Ja, dat ligt in het woord besloten. Je verliest inderdaad een stuk zelfstandigheid. Je verbindt je lot aan dat van een ander. Je maakt jezelf kwetsbaar en je verwerpt elke vorm van puur-egoïstische lustbevrediging.
- Die kwetsbaarheid ervaart u dus als een positief gebeuren?
- Jazeker, het is niet fijn om kwetsbaar te zijn in een wereld die de kilheid en de egoïstische lustbevrediging tot norm verheven heeft, maar het is gewoon een noodzaak. Wanneer je liefde zoekt, dan kun je niets anders doen dan je kwetsbaarheid accepteren. Tegelijkertijd moet je natuurlijk de anderen er op wijzen dat ze het niet doodgewoon moeten vinden om kwetsbare mensen kapot te maken. Dat is de taak van een echte schrijver. Een echte schrijver veroordeelt de botte vernielzucht van de kleinburger. Want de kleinburger maakt alles wat kwetsbaar is kapot. Hij heeft de kilheid en de hardheid tot God verheven en hij moet doden en kapotmaken - hij kan niet anders...
- Maar hoe kun je dan nog over liefde spreken? Liefde veronderstelt toch 'samenwerking'? Wanneer ik u zo hoor, dan is liefde weinig anders dan een continu proces van oorlog voeren.
- Liefde is leven, beste man, en oorlog voeren hoort bij het leven. De wreedheid van het kleinburgerlijke bestaan bestaat hierin dat het de kwetsbare mens verboden wordt oorlog te voeren, terwijl de kleinburger zelf niets anders doet dan het kapotmaken en afslachten van anderen, niet op een intelligente, creatieve manier, maar op een uiterst domme en stompzinnige wijze. Kijk naar al die schrijvers en kunstenaars die in militair geregeerde landen worden weggestopt in ziekenhuizen en gekkenhuizen... Ze willen oorlogvoeren, vechten tegen dictatuur en kleinburgerlijke terreur, en juist daarom, omdat ze vechters zijn, worden ze door het militaire bestuur kapotgemaakt. Erg onlogisch allemaal. Je zou verwachten dat een vechter de vechtlust in anderen bewondert. Maar het tegendeel is het geval...
- Waar vecht u voor?
- Aah, dat is een goede vraag. Een van de zaken die me ter harte gaan is het bestrijden van de gebruikscultuur. Ik wil met mijn schrijfarbeid bereiken dat mensen afstand doen van het kille, berekenende zoeken naar harteloze vormen van genot. Dat is niet zomaar een moralistisch verlangen van me, maar een verlangen dat is ontstaan na een intens proces van verliefdheid.
- Er zijn duizenden mensen in Nederland die met de regelmaat van de klok verliefd worden op een ander...
- Dat zal best zo wezen, lieve man, maar een feit is dat echte liefde daar ontstaat waar mensen bereid zijn te vechten voor de waarheid.
Niet het enkele feit dat ik een sexueel wezen ben heeft mijn leven wezenlijk veranderd. Want mijn god, wat is dat nou, ‘heterosexueel’ of 'homosexueel zijn'? Dat is toch niks? Wat maakt het uit waar je je lul in steekt? Dat is toch kleinburgerlijke onzin allemaal...? Liefde is toch iets heel anders?
Nee, ik heb jarenlang in een toestand van volstrekte eenzaamheid geleefd. Die eenzaamheid had niets te maken met sex. Ik las honderden sexboeken, ik trok me een paar maal per dag af en ik beleefde daar best wel lol aan. Maar ik was alleen. Ik was eenzaam. Ik geloofde zelfs in het onveranderlijke lot van de mens om eenzaam te zijn. En opeens kwam ik tot de ontdekking dat het een leugen was, dat ik geloofde in een 'waarheid' die helemaal geen waarheid was, een ordinaire leugen die gebaseerd was op de mateloze angst van anderen. Toen dat besef bij mij doorbrak waande ik mezelf een tijdlang in de hemel. Je ontdekt dat je op een afschuwelijke wijze wordt bedrogen en dat geeft je de kracht om je te verzetten. En dat is natuurlijk iets bijzonders. Er komt een einde aan een depressieve periode. Je weet dat de zwakte niet bij jou hoort. Je ontdekt dat de gemiddelde mens zijn kracht gebruikt om het vermogen om lief te hebben in een ander te verzwakken of te onderdrukken. En die ontdekking heft de eenzaamheid niet op maar geeft wel kracht.
- Het was dus bijna een vorm van religieuze extase, als ik die uitdrukking gebruiken mag, een moment van 'verlichting'?
- Ja, zo zou je het kunnen noemen. Er brak licht door in een wereld van ongehoorde duisternis. Ik ontdekte dat ik het slachtoffer was van de leugens van anderen. Dat maakte me sterker, maar tegelijkertijd nog kwetsbaarder dan ik al was - want zeg nu zelf, welke kleinburger vind het leuk om te horen dat hij een wrede leugenaar is?
Een religieuze ervaring wil ik zoiets niet noemen, hoewel ik toegeef dat iedere wending ten goede in een barre tijd van ellende toch wel ervaren wordt als een 'goddelijk gebeuren', waarvoor geen redelijke verklaring gegeven kan worden...; maar of dat nu iets te maken heeft met 'religiositeit', dat betwijfel ik. Wel kan ik zeggen dat mijn intellectuele scepsis een danige knauw gekregen heeft door die ervaringen. Er bleek een andere wereld te zijn, die ik met mijn woorden, met mijn intellect dus, niet kon betreden. Dat heeft me doen twijfelen aan het nut van mijn intellectuele capaciteiten, aan intellect in het algemeen zelfs.
Ik begin te geloven dat zelfs de meest intelligente mensen weinig meer zijn dan willoze pionnen van een reeks ongecontroleerde emoties, die zoals Jung het uitdrukt, deel uitmaken van een wreed, onderdrukkend collectief onderbewustzijn, dat alles kapot maakt dat de waarheid aan het licht wil brengen.
De moeilijkheid is natuurlijk dat je niet 'weet' wat er aan de hand is. Het onbewuste is nu eenmaal, hoe banaal het ook klinkt, onbewust. Alleen iemand anders kan je daar op wijzen, iemand die kennis heeft gemaakt met die verborgen wereld, iemand die je op de een of andere manier weet te raken en te schokken met zijn onthullingen, iemand die in feite niet meer tot die wereld behoort...
- Dat klinkt nogal vaag, vind ik, tamelijk 'esoterisch'.
- Nou en? Waarom zou je de esoterie afwijzen? Kunst hoeft toch geen primitieve vorm van volksvermaak te zijn? Esoterie is gericht op de ontwikkeling en de ontplooiing van de mens, en alles wat de mens losmaakt van de algemeenheid - die altijd en eeuwig het kwetsbare en liefdevolle in de mens vernietigt - is toch goed?
- Ja, ja, dat wil ik ook helemaal niet ontkennen, Mijnheer Duzijn, maar als u het goed vindt, dan keer ik nu liever terug naar de literatuur.
- (Lachend:) Je doet maar...
- Waarom lacht u nu zo sarcastisch?
- Sarcastisch? Ik?
- Bent u kwaad omdat ik uw opvattingen zweverig noem?
- Kwaad? Welnee, waarom? Ik wil best toegeven dat mijn opvattingen een zekere vaagheid bezitten. Ze zijn eigenlijk alleen begrijpelijk voor lotgenoten - mensen die hebben ingezien hoe volstrekt zinloos de meeste menselijke bezigheden zijn.
- Dacht u dat?
- Dat denk ik ja. Maar laten we daar in s’ hemelsnaam niet over gaan zitten soebatten - de literatuur wacht op ons - is het niet?
- Gelooft u, Mijnheer Duzijn, in God?
- Mijn hemel, daar weiger ik antwoord op te geven... Wat een onzinnige vraag op dit moment - we zouden het toch over de literatuur hebben?
- Waarom wilt u die vraag niet beantwoorden? Literatuur is toch ook een vorm van 'god zoeken'?
- Ik ontken niks, ik weiger gewoon te praten over iets waar ik niets over zeggen kan. Zo simpel is dat.
- Vreemd, dat begrijp ik niet. Ik vraag me af of u niets verzwijgt.
- Heus, beste man, ik houd niets verborgen, het woordje 'geheim' ken ik helemaal niet. Ik zwijg omdat 'god' niet in woorden mag worden vastgelegd, een besef dat de joden in de oudheid ertoe heeft gebracht God de onnoembare te noemen, een boven de werkelijkheid uitstijgende entiteit waaraan de mens geen naam mag geven.
Een mens moet zichzelf kunnen ontdekken en iedere definitie van God zou daarbij belemmerend werken. God is een abstractie en 'hij' of 'zij' is daarom, evenals het veelgebruikte begrip 'de zin van het bestaan', een ongrijpbaar gegeven. Wie God wil grijpen - en dat is nu precies de daad die priesters en theologen dagelijks verrichten - die zal 'hem' nooit vinden. Wie God loslaat, wie weigert hem in woorden te vangen, die komt al een stap in de goede richting. Wat dat betreft zou je kunnen zeggen dat we terug moeten keren naar een tijd waarin God nog geen naam mocht bezitten, een tijd waarin het fundamentalisme de wereld nog niet in zijn greep had.
Mensen die over God praten kijken vaak zo star en hardnekkig omhoog dat ze niets meer zien van het simpele, alledaagse leven om hen heen, laat staan van die zaken die zich op een wat lager, mogelijk platvloerser vlak bevinden.
En toch ligt daar volgens mij de eerste taak van de mens. Niet met hoge, onbereikbare idealen moet hij zich in eerste instantie bezighouden, maar met de kleine, kinderlijke verlangens in hemzelf.
Een kleuter kan geen paleizen bouwen - hij moet zich behelpen met een emmertje, een schepje en een hoopje vochtig zand.
Bescheidenheid in je doelstellingen, dat lijkt me de eerste eis van een werkelijk menselijk bestaan.
Wie dat beseft, wie 'kleuter' durft te zijn, die vraagt niet meer naar God. Dat is mijn stellige overtuiging.
- U hecht dus geen waarde aan hoge politieke en godsdienstige idealen?
- Nee, wanneer je het zo formuleert dan kan ik daar alleen een ontkennend antwoord op geven.
Op het gebied van religie en politiek ben ik een uitgesproken pragmaticus. Ik geloof in spelregels die een redelijke, intelligente ondergrond moeten hebben. Die spelregels moeten er domweg zijn, hier en nu, die kun je niet verplaatsen naar een toekomstige wereld. Het ideaal van een mooie toekomst brengt maar al te vaak een smerig en volstrekt onleefbaar heden met zich mee en dat is niet de bedoeling van het leven. We moeten hier en nu gelukkig zijn. We hebben het recht om daar naar te streven.
- En de godsdienst?
- Het positieve element in de godsdienst is de benadrukking van de geestelijke, immateriële zijde van de mens, zijn behoefte aan een vorm van liefde die meer is dan wat dom vermaak en egoïstische lustbevrediging. Maar daarmee heb ik dan ook alles wat ik aan positiefs kan bedenken over de religie gezegd. Godsdienst die de vorm tot God verheft, die God weghaalt uit de sfeer van het onbenoembare, is gif en mensenhaat, weinig meer dan een kil, negatief en tegen de mens gericht instituut, dat je met alle mogelijke middelen bestrijden moet.
Wanneer het de opdracht van de mens is 'kind' te worden dan zul je alles wat de kinderlijkheid wil vernietigen met de grond gelijk moeten maken. Wat dat betreft is de Nederlandse literatuur een 'onbeschreven blad'.
Wie een echte schrijver wil zijn, die treft hier geen boeken aan die hem kunnen helpen. De echte schrijver staat hier op de meest letterlijke wijze alleen.
- De kunst moet dus een soort anti-godsdienst zijn?
- Nee, het een noch het ander. Iedere geschematiseerde vorm van religiositeit of anti-religiositeit wijs ik af.
Geestelijke ontwikkeling, in zijn zuivere oervorm, betekent losmaking, overwinning van de wereld, om daardoor een werkelijk contact met anderen mogelijk te maken, waarin wordt gebroken met het op terreur en intimidatie gebaseerde machtsdenken van de kleinburger.
- Verandering van de samenleving wordt niet nagestreefd?
- Niet op directe wijze. Iedere uiterlijke activiteit die losstaat van een innerlijk groeiproces is in feite zinloos en leidt alleen maar tot verderfelijke vormen van arrogantie en hypocrisie.
De geschiedenis stelt me wat dat betreft in het gelijk: Er is maar één wereld die bij alle omwentelingen overwint en dat is de kleinburgerlijke vormenwereld, de wereld van moraal en ethiek, de gewelddadige wereld van het zelfingenomen fatsoen.
Wie daaraan wil ontkomen, die zal moeten aanvaarden dat hij een eenling is, een zwerver, iemand die op voet van oorlog staat met elke vorm van fundamentalisme: een 'voorbijganger' stelt het Evangelie...
- Jaja - dat klinkt tamelijk apodictisch allemaal, ik kan daar weinig over zeggen. Laten we dan toch maar teruggaan naar de literatuur…
Gaat u, Mijnheer Duzijn, of laat ik het zo uitdrukken, hebt u het voornemen nog meer boeken te schrijven in de nabije toekomst?
- Mijn hemel, dat weet ik werkelijk niet. Misschien zit er niemand op een boek van mij te wachten. En misschien heb ik er domweg geen zin meer in als ik ouder word. Zit jij daar mee?
- Ik zit daar helemaal niet mee, Mijnheer Duzijn, maar het interesseert me gewoon. Dat is alles!
- Nou, nogmaals, ik kan daar geen zinnig woord over zeggen. Ik ben geen helderziende. De zon komt op, weet je wel, en de zon gaat onder. Wat zou ik aan die plattelandswijsheid toe kunnen voegen? Zeg nou zelf?
- Zou u een blik willen werpen in de toekomst?
- Niks blikken werpen in wat dan ook. Als een mens wil schrijven dan schrijft hij. Schrijven, dat doe je voor je plezier! Wie een ploeteraar van een ander wil maken deugt niet.
- Jaja. Mag ik u dan veel...ehh, plezier toewensen...?