Betty Blue 4 You

Slaap Zacht

gedichten over de onrust van de liefde



MANEMAKI I

Als duizend tranen
hangen dauwdruppels in m'n tuin:
ik zie ze niet.
Als gouden honing troost de zon
de bloemen:
ik voel ze niet.
Hoeveel madeliefjes passen
er eigenlijk onder jouw voetzool ?
Alleen het rusteloze zweven
van langvergeten woorden.
En de nacht ... ah
mijn trouwe valsspeler.
In het zwarte niets grijnzen
mijn demonen.
Manemaki !

MANEMAKI II

Jouw regelmatige hartslag,
en de kadans van jouw heupen
weerhouden me.
Het mijne hikt en hinkt,
weer zacht, dan wild.
Ik spring weer over plassen,
en durf kijken naar hun kleur.
Als een sneeuwman
grijns ik
noch man, noch vrouw,
noch ijs, noch water.
Harder worden kan niet meer,
smelten zou het einde zijn.
"Manemaki ?" spot de zwarte man alweer...
en duizend madeliefjes tuimelen neer.
Geen jij, noch ik, geen bodem meer.
Alleen in m'n eindeloze val.

MANEMAKI III

M'n zebra's zoeken streep voor streep,
verveeld, gemuilkorfd.
Vechtend voor een verre droom...
(Open steppen, lief'lijke wind.
Zeven strepen verder,
brult m'n zogenaamde steunbeer,
onder 't gewicht van donkere kleuren,
op bloederige trappen van zijn doek.
Nu, in Schaarbeekse kelders,.
na de Catalaanse lichtval, ongebruikt,
na Merlijn's eiland, onbetreden...
Barolo-minaar, wat moet ik met jou?
Leef je als een helleveeg?
Niet in de rand, maar in de hel?
Ik leerde over jouw plassen springen,
(alleen kleefkruid vertraagt zijn hartslag)
maar sta alleen aan de and're kant.
Manemaki!

Voor Mathieu D.

Genietend
van jouw uitstraling,
die als de zon
m'n huid verwarmt.
Jouw ogen:
glijden over me heen,
als zwarte zijde van m'n schouders.
Tezamen zittend in een patio,
middenin de jungle...
Ik ken jou ...
sinds altijd.
Geef me bloedrode parels,
jouw ingehouden vuur
want zacht en intens
adem ik met je mee.
Wachtend in de marge,
alleen en omringd
door hen.
Gevangen in dezelfde kooi,
in ballingschap.
Neem me.

MON ANGE,

Blanches sont tes ailes,
pointue ton épée cachée.
Rouges sont les miennes,
à cause de cette épée.

Bleus sont tes rêves,
crachant leurs démons.
Argentés sont les miens
dans mes villes de lumière!

Mon ange,
rouge est ton épée
,
à cause de mes ailes,
volant sans réserves,
aveugle et confiante.

A force de vouloir venir
trop près de toi.

Décembre 1993

A Jean-Paul

Je suis le peintre
tu es ma toile;
pas d'arraignées,
mais pas-de-deux.
Je suis ton peintre
tu es ma toile.
Tu ne craques pas
quand j'utilise des couleurs vives,
de la même couleur
que le fil d'Ariane.
Tu es le toi
que tu vois dans le monde.
Tu es le monde
que tu vois en toi.
Je ne suis qu'un peintre,
tu n'es qu'une toile.
Tu souffres sous mes
couleurs vives que je mets d'un seul trait.
Il y a des mais, des pourquoi ?
et des moi - moi - moi !
Il y a aussi des silences
qui nourrissent et blanchissent,
des baisers invisibles et chauds.
Je suis une toile
tu es un peintre
ce qui est inséparable
ne sera séparé

Bruxelles Décembre 1993

A Radya Elmajid,

Petite sheriffa au regard de feu.
Vivant à l'intérieur d'un corps de mage.
Limpide comme le fond de mes yeux.
Qui à tort et à travers est trop sage.
Merci d'avoir ouverte cette porte
Couverte de lourdeurs de toute sorte.
J'étais, sans savoir, entourée
De mes anges enfin libérés.
Ne crains surtout pas cette mère au vieux coeur
Si souvent brisé et meurtri
Et qui elle-même a si peur
De ne plus avoir droit au bonheur
Qu'elle n'a plus la force de pousser un cri
Même s'il passait par hasard.
Il serait aveuglé par mes larmes d'un cafard.
Soit, elle te veut que du bien
Comme si tu étais une des siens.
Moi, guerrière ancienne des Eaux,
Maîtresse de mon Comte des Peaux,
Te remercie infiniment de ton cadeau
Fait dans toute ton innocence
Avec la bonté de ton coeur immense.
Ton âme soeur pour toujours,
Catherine.

17 août 2001

'k wou dat ik je doen huilen kon,
zoals ik bij volle maan.
'k wou dat ik je doen voelen kon,
zoals ik bij volle maan.
'k wou dat ik je doen liefhebben kon,
zoals ik bij volle maan.
'k wou dat ik je doen haten kon,
zoals ik bij volle maan.

ZOVEEL

dat hij de kersen telde,
die hij in haar mond stopte.
Zoveel,
dat hij haar bloed wel drinken kon.
Zoveel,
dat hij nu nog haar Bargoens gefluister horen kan.
Zoveel,
dat hij haar naam nu nog huilt als een wolf.
Zoveel,
dat hij wenste dat de morgen zonder haar niet komt.
Zoveel,
veel te veel, slaap zacht mijn lief, ik kon het niet.

M’n stoute schoenen aantrekkend,
En m’n jurk uit.
Spinnend tegen je warme arm,
Levend als de halsslagader
Die me nu vertelt
Van jouw slapende vulkanen.
M'n lief, steeds opnieuw
kleur je alle stromen
Van mijn diepste zijn.
Iedere zucht steel ik als een trol,
ieder woord verdwaalt in m’n geest,
ieder haartje veert recht onder mijn vingers.
Ik neem je mee naar Meer & Onverwacht,
land van jouw zolang ingehouden vuur.
Want elke vierkante millimeter huid
is mijn geliefkoosd en uniek domein.
Blank, ontmaskerd en vrouw
zing ik woordloos jouw naam,
Intens langzaam
Je weerstand scheurend,
laat ik je vallen, wezenloos diep,
om je weer op te vangen
in m'n naakte zachtheid.

bron foto: klik hier

Nacht en dag bestaan niet meer,
flitsen hemelszoet gevoel
zinderend als fotonen,
deinend op godvergeten tonen.
Stokkend zucht m'n adem plots,
geschrokken door 't groen in jouw ogen.
Afwisselend jager en wild,
jaag ik op de huiveringen van jouw huid,
En geef me over aan de overwinnaarsbeet
na iedere tedere, speelse list
met de soepelheid van een leeuwin.
Ongetemd en wild,
Vrij en door littekens gesierd,
Galopperend op de steppe
van jouw bed, rijden we…
Ver, steeds verder…
tot we overmand door zon en slaap,
als strand en zee, gedijen zij aan zij.
Met niets anders dan de siësta-wind
En het kloppen van ons hart.
Slaapwel m'n lief...ik heb je zo lief,
Ik wou dat ik je voor altijd houden kon.

Antwerpen, februari 2002

 

Reacties kunnen gestuurd
worden naar het volgende
emailadres:

bettyblue4you2@hotmail.com