|
|
de blijde boodschap

|
|
Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie, en dacht: "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwelijks was hij begonnen, of ik hoorde al: decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci; influenza filmi i cinema bestiale contra sacrissima matrimoniacale criminale atheistarum rerum novarum, (et cum spiritu tio), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde. Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:
"Waar hebben wij het aan verdiend?"
Gerard Reve in: Eigen Huis
|
|
|
Gerard Reve: een gnosticus, die 'flikker' moet zijn
Hoewel in oude beschavingen mensen die los wilden breken uit de gevangenis van wat men 'de wereld van het morele kwaad' noemde op handen werden gedragen en werden opgenomen in genootschappen die zich ten doel stelden de kennis die men zich verworven had over te dragen aan de meest intelligente mensen in de samenleving, bezit onze huidige 'cultuur' - die we rustig een anti-cultuur kunnen noemen - geen enkel instituut dat intelligente mensen beschermt tegen de aanvallen van de vertegenwoordigers van 'het morele kwaad'.
Dat morele kwaad wil de wereld opdelen in goed en kwaad en het begrip 'morele goedheid' toekennen aan diegene die rijk en machtig is. Wie te intelligent is wordt uitgestoten en gedwongen arm, ziek en zwak en eenzaam te zijn. Wie dom is, maar bereid het morele kwaad te dienen, wordt op de troon gezet. Hij is de goede mens (priester, kunstenaar, zakenman, politicus..), die mag liegen en bedriegen, omdat het kwaad dat hij weigert te overwinnen wordt geprojecteerd in 'de ander' - die, omdat hij 'de duivel' is - nooit in staat zal worden gesteld zijn leven te veranderen, behalve dan in negatieve zin...
Het morele kwaad overwinnen is altijd de belangrijkste taak van de kunstenaar en de priester geweest in de oudheid en het feit dat wij de mening zijn toegedaan dat geestelijke rijpheid verkregen kan worden met behulp van een tas vol leugens en een staafje goud bewijst dat wij in geestelijk opzicht ver beneden al diegenen staan, die wij, als vertegenwoordigers van een reeks kleinburgerlijke idolen ('god', 'kerk', 'wetenschap', 'kapitaal' en 'anti-kunst') op een uiterst arrogante wijze 'primitief' en 'onbeschaafd' noemen.
Gerard Reve maakte geen deel uit van de kleinburgerlijke wereld van 'het morele kwaad', hetgeen ertoe leidde dat hij geconfronteerd werd met al die negatieve krachten die de onderwereld beheersen waarin de gemarginaliseerde mens moet zien te overleven.
Wat zich in onze zogenaamd moderne tijd 'elite' noemt bouwt een hemel op de hel van anderen, hetgeen betekent dat al diegenen die het dualistische wereldbeeld van de kleinburgerlijke waanwijzen wil vernietigen zullen worden genegeerd, of op een zodanige wijze gemanipuleerd dat ze onschadelijk zijn voor de middelmaat die in een dualistische wereld altijd victorie kraait.
Gerard Reve zag dat heel goed in. Hij noemde zichzelf een schrijver die weliswaar een 'geestelijke boodschap' uit wilde dragen (centraal in zijn filosofie stond het gnostische begrip 'verlossing'), maar die vanwege het onbegrip en het onbenul van het lezende publiek gedwongen was die boodschap op een zodanige wijze te verpakken, dat de middelmatige lezer er niet door werd afgeschrikt.
Eigenlijk, zo stelde hij, schrijf ik verhalen voor mensen die mij haten, en daarmee bedoelde hij het 'homoseksuele lezerspubliek', dat van de religieuze verlossingsfilosoof een schrijver van 'flikkerboeken' maakte, verhalen over geile jongens, die als lustobject rond dolen in een wereld waarin de schrijver eenzaam, bang en wanhopig is, omdat geen mens hem werkelijk begrijpt.
Wie serieus is (en dus walgt van anti-kunst) begrijpt de tragiek van een schrijver die zichzelf verhullen moet en hij walgt daarom van een primitieve geilheidscultuur, waarin het leven weinig meer mag zijn dan een eeuwige jacht op sexueel genot, zonder dat ooit een van de geile wezens (die weinig meer zijn dan de slaaf van een ontkinderlijkte penis) in staat is de eenzame ander los te weken uit een wereld waarin de moralistische kleinburger 'koning' is.
Dat is de reden waarom het werk van Gerard Reve gezien moet worden als een aanklacht, een trieste schreeuw van eenzaamheid, angst en wanhoop, een roep om verlossing in een wereld waarin de kille moralist van elke intelligente uitzondering een gevangene maakt.
Gerard Reve eren is daarom niet de verpakking (het ranzige geile jongens verhaal waaraan de betekenisloze term 'Revisme' gekoppeld is) tot hoogste waarde uitroepen, maar de triest stemmende waarheid van een wanhopig mens die als schrijver en kunstenaar geen verlosser mag zijn.
Mensen die positief zijn ingesteld zullen zich niet aangesproken voelen door het werk van Gerard Reve. Een positief mens wil intelligente, gevoelige mensen bevrijden uit een wereld waarin de sadistische moralist tot 'god' is uitgeropen en hij zal nooit die kunstuitingen steunen die de middelmaat in staat stelt gevoelige anderen te onderdrukken.
Gerard Reve (en ook Willem Frederik Hermans) hebben werk gemaakt dat de gevoelige mens buiten sluit. Ze verklaren zich weliswaar solidair met de buitenstaanders en ze moeten niets hebben van vals moralisme, maar wat ze hebben bereikt is dat de middelmaat hen tot idool uitroept, aangepaste kleinburgers, die zich 'flikker' of 'nihilist' noemen, zonder te beseffen dat een verlosser nooit zal kiezen voor een terminologie die gebouwd is op het morele sadisme dat hij probeert te overwinnen.
Verlossingskunst (en Gerard Reve wilde een verlosser zijn) is in die zin elitair dat ze buitenstaanderskunst moet zijn. Wie als kunstenaar de buitenbeentjeshaat predikt toont aan dat hij een sadist is, die mogelijk wat rijkdom of macht zoekt ('ik wens te worden geëerd!') maar verder niets.
Buitenbeentjes helpen betekent kunst maken waarin de primitieve moralist wordt aangevallen, de eeuwige verdeler, die schijnvrijheid schept via het ontwerpen van een moraal die gebouwd is op leugen en bedrog.
Bijzonder revolutionair is dat inzicht niet. Echte kunstenaars waren altijd vijanden van de primitief-moralistische macht. Wat wel opmerkelijk moet worden genoemd is het feit dat ons land geen kunstenaars meer kent die 'buitenstaander' willen zijn. Alles is gericht op aanpassing en het vleien van de middelmaat en nooit en te nimmer zal enig literair blad in ons land aandacht besteden aan die zonderling die - zoals Gerard Reve dat deed - verlossing zoekt.
Daarom worden op deze pagina's, die zijn samengesteld door een schrijver die het buitenstaanderschap als hoogste spirituele waarde ziet, niet de geile jongens waar Gerard Reve over schrijft naar voren gehaald, maar de gnostische verlossingswaarden, die schuilgaan achter een wereld van sadistische eenzaamheid, die door de lezers die in Gerard Reve in de eerste plaats een 'flikker' willen zien wordt omgetoverd in een oppervlakkige, door en door materialistische 'flikkercultuur', waarin 'de ander' als degene die geestelijk verlost moet worden geen rol van betekenis meer speelt.
|
|
|