|
|
Prachtrede van Gerard Reve
gehouden voor het zich schrijvers noemend gepeupel
op 1 november 1972
| |
Men schijnt thans (Reve verwijst hier naar een periode waarin aan de vorm gebonden ideologen de wereld van de wetenschap en de literatuur terroriseerden - wd) van de kunst, en van de literatuur in het bizonder, te eisen, dat zij de maatschappij hervormt (hervormen wil hier zeggen: in een door ideologen bepaalde vorm gieten - wd).
Ik zou ten eerste wel eens willen weten, wat men onder een zodanige hervorming wenst te verstaan, en ten tweede, hoe de literatuur die zou kunnen bewerkstelligen. Ik vrees dat, als men met deze krankzinnigheid ernst zou pogen te maken, er van dat reeds grotendeels uit onmacht en geknoei bestaande geneuzel, dat men 'de Nederlandse literatuur' noemt, in het geheel niets zou overblijven.
Alles wat talent, ontwikkeling en intelligentie bezit, wijst elke maatschappelijke dienstbaarheid van de kunst af, als een in oorsprong kalvinistiese, dat wil zeggen theokratiese en totalitaire eis. Kunst heeft in haar diepste wezen niets met de maatschappij te maken. Daar waar men anders dekreteert, komt aan alle scheppende kunst een einde, zoals in het Duitsland van Hitler, het Rusland
van Stalin en Bresjnew, het Cuba van de behalve schrijvers voor het gemak meteen ook maar de homoseksuelen vervolgende Fidel Castro, of zoals in het China van de Grote Leider Mao, verzinner van de enormste banaliteiten die ooit uit enig brein de drukpers hebben gehaald, of zoals in het land van die gérant van de georganiseerde armoede en het maatschappelijk failliet, de
eeuwig redevoeringen afstekende karpatenkop Tito in dat internationale uniform der zelfgenoegzame bruutheid en domheid, dat wijlen Jan Greshoff zo treffend gekaraktiseerd heeft als 'het maarschalkspak, dat om zijn bast hangt als een zak'.
Kunst heeft geen nut, is niet maatschappelijk, en is evenals haar tweelingzuster de religie, in maatschappelijk opzicht a-moreel.
Kent kunst dan in het geheel geen moraal? De kunst heeft een eigen moraal, die met de strafwet of de heersende vooroordelen van de maatschappij niets van doen heeft. Welk een oppassend, en vooral, een zich aanpassend bestaan de kunstenaar in zijn dagelijks leven moge leiden - en hij doet er mijns inziens zeer verstandig aan, zulk een uiterlijke aanpassing na te streven - in zijn atelier of aan zijn schrijftafel is hij aan geen andere moraal dan aan die van de Kunst zelve onderworpen, die goed acht, wat tot de totstandkoming van een voldragen kunstwerk bijdraagt, en slecht, wat tot onvoldragen, mislukte kunst leidt.
Als de kunst een eigen moraal heeft, en als mijn werk, zoals deze bijeenkomst de indruk zou kunnen geven, kunst zou zijn, wat en waar is dan die eigen moraal?
Hoe groot de verschillen mogen zijn in kwaliteit en intensiteit, ik geloof dat zo ongeveer alles wat ik geschreven heb, doortrokken is van één moraal, die zich niet bekommert om bijvoorbeeld de verdeling van het nationale inkomen en die zich al evenmin kopzorg maakt over 'de plaats van de kunstenaar in het produksieproces.'
Bij alle, overigens weinig uiteenlopende motieven die mijn werk bevat, behelst het eigenlijk maar één enkel thema, één idee, één moraal: Verlossing. Verlossing uit wat men gemakshalve, en vermoedelijk abusievelijk, 'de werkelijkheid' pleegt te noemen.
|
|
|
de barmhartige samaritaan
uit het evangelie van Lukas, 10:33 - 10:38
Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van rovers, die hem niet alleen uitkleedden, maar ook slagen toedienden en weggingen terwijl zij hem halfdood lieten liggen.
Bij toeval nu daalde een zekere priester aflangs die weg, maar toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij. Zo was er ook een leviet die, toen hij bij de plaats kwam en hem zag, aan de overkant voorbijging. Maar een zekere Samaritaan die langs de weg reisde, trof hem aan en werd, toen hij hem zag, door medelijden bewogen. Daarom ging hij naar hem toe en verbond zijn wonden, terwijl hij er olie en wijn op goot. Vervolgens tilde hij hem op zijn eigen beest en bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
|
|
|