|
|
Het Godsbeeld van Gerard Reve
geformuleerd in: Pleitrede voor het Hof
|
Ik bezit geen statisch Godsbeeld, maar als ik van God een definitie zou moeten geven, dan zou die thans luiden 'God is het diepst verborgene, meest weerloze, allerwezenlijkste en onvergankelijkste in onszelf.
Alles wat ik in mijn werk over God te berde breng, is op dit Godsbegrip gegrondvest. Wat het waard is,
weet ik niet; ik weet alleen dat het voor mij het enig mogelijke is. En ik vermag niet in te zien, waarom dit
Godsbeeld minder recht op expressie zou hebben dan dat van bij voorbeeld de emanente God der wrake, die
mensen tot het bedrijven van zonde predestineert, om ze vervolgens voor deze zonde voor eeuwig te verdoemen.
Mijn Godsbegrip wordt, tegenover dat van de 'God van Nederland en van je tante' gesteld, wel voor hoogmoedig, infantiel of primitief gehouden. Vermoedelijk is het dat alle drie, maar ik acht de opvatting volgens welke een immanent Godsbeeld wel, maar een emanent Godsbeeld niet of minder antropomorf zou zijn, een illusie. Zoals in de kunst het bezeten nastreven van de zogenaamd tijdloze vorm nu juist een zeer tijdgebonden streven is, zo ook blijft het beeld van God, die men zo onbereikbaar ver als maar mogelijk is laat heersen, en die men van zo veel mogelijk als oneerbaar beschouwde menselijke eigenschappen ontdoet, een bij uitstek antromorf Godsbeeld. En trouwens: met welk recht toch zou den wij God attributen van ons bestaan, als liefdesverlangens, eenzaamheid, angst en lijden, bij voorbaat mogen ontzeggen?
Mijn immanent Godsbegrip, zoals dat in mijn werk tot uiting komt, berust op het besef van een wezens-
identiteit van God en mens. Ik ben veel minder een nieuwlichter, ketter of revolutionair dan velen, en ik,
in zelfoverschatting, soms wel denken: de idee dat God en mens in oorsprong, wezen en toekomst één zijn,
vindt men, weliswaar ietwat afgezwakt van de Gnosis overgenomen, in het Christendom, en verder in vrijwel
alle wereldgodsdiensten terug. Wij zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, dat wil zeggen niet in diepste
wezen verschillend...
God en Zijn schepping zijn Eén, want niet alleen wij mensen, maar al het bestaande is naar Zijn Beeld geschapen, en zelfs de in de Duisternis smartelijk geketende tweelingbroeder van Christus, de Satan, is waarlijk God, Die Zichzelve, om redenen die ons verstand te boven gaan, weerstreeft.
|
|
|