Nadat Jezus in opdracht van de hogepriesters gevangen genomen is door de soldaten van de militaire bevelhebber wordt hij ter verhoor naar Annas en Kajafas geleid. Annas is de schoonvader van Kajafas. Kajafas is de hogepriester die de mening is toegedaan dat het in het belang van de joden is dat één mens sterft ten behoeve van het volk.
Weinig mensen beseffen dat de joden daarmee kozen voor het zondebokmechanisme, hetzelfde mechanisme dat de nazi's hanteerden bij het opbouwen van hun nationaal-socialistische heilstaat. 'Jezus aan het kruis' en 'Auschwitz' zijn begrippen die verwijzen naar dezelfde werkelijkheid. Niet het aantal omgebrachte mensen telt, maar het principe achter de moord. Dat weigeren veel mensen in te zien. Zij verwerpen het principiële denken en leveren daarmee de wereld uit aan volstrekt normloze machtsdenkers, die het ideaal van de meerderheid boven de waarheid van de enkeling plaatsen.
Kajafas verwijt Jezus gebrek aan eerbied voor het priesterlijke gezag en stuurt hem na ondervraging door naar de Romeinse stadhouder: Pontius Pilatus.
(18:28) Toen voerden zij Jezus van Kajafas naar het paleis van de stadhouder. Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen zij het paleis van de stadhouder echter niet binnen, opdat zij niet verontreinigd zouden worden maar het Pascha zouden kunnen eten.
Daarom kwam Pilatus naar buiten tot hen en zei: "Welke beschuldiging brengt gij tegen deze mens in?" Zij gaven hem ten antwoord: "Indien hij geen kwaaddoener was, zouden wij hem niet aan u hebben overgeleverd." Daarop zei Pilatus tot hen: "Neemt hem dan zelf en oordeelt hem volgens uw wet." De joden zeiden tot hem: "Het is ons niet geoorloofd iemand te doden."'
(18:33) Pilatus dan ging weer het paleis van de stadhouder binnen en riep Jezus en zei tot hem: "Zijt gij de koning der joden?" Jezus antwoordde: "Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen u over mij verteld?"' Pilatus antwoordde: "Ben ik soms een jood? Uw eigen natie en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij gedaan?" Jezus antwoordde: "Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld. Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaren hebben gestreden opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet uit deze bron." Daarom zei Pilatus tot hem: "Welnu, zijt gij dan een koning?" Jezus antwoordde: ,,U zegt dat ik een koning ben, ik zeg dat niet. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid. Een ieder die aan de zijde van de waarheid staat, luistert naar mijn stem. Pilatus zei tot hem: "Wat is waarheid?"
En na dit te hebben gezegd ging hij weer naar buiten tot de joden en zei tot hen: "Ik vind geen schuld in hem. Bovendien bestaat er bij u een gebruik dat ik u op het Pascha iemand vrijlaat. Wenst gij daarom dat ik u de koning der joden vrijlaat?'' Toen schreeuwden zij weer en zeiden: "Die niet, maar Barabbas!" Barabbas nu was een rover.
(19:1) Toen nam Pilatus Jezus en geselde hem. En de soldaten vlochten een kroon van dorens en zetten die op zijn hoofd en tooiden hem met een purperen bovenkleed en zij traden op hem toe en zeiden: "Goedendag, gij koning der joden!" Zij gaven hem ook klappen in het gezicht. En Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen: "Ziet! Ik breng hem naar buiten tot u, opdat gij weet dat ik geen schuld in hem vind." Jezus kwam dus naar buiten. terwijl hij de doornenkroon en het purperen bovenkleed droeg En hij zei tot hen "Ziet! De mens!"
(19:6) Maar toen de overpriesters en de beambten hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: "Aan de paal [met hem]! Aan de paal [met hem]!" Pilatus zei tot hen: "Neemt gijzelf hem dan en hangt hem aan een paal, want ik vind volstrekt geen schuld in hem." De joden antwoordden hem: ,,Wij hebben een wet, en volgens de wet moet hij sterven, omdat hij zichzelf tot Gods zoon heeft gemaakt.
(19:8) Toen Pilatus deze woorden hoorde werd hij nog meer bevreesd en hij ging weer het paleis van de stadhouder binnen en zei tot Jezus: "Waar zijt gij vandaan?" Jezus gaf hem echter geen entwoord. Toen zei Pilatus tot hem: "Spreekt gij niet tot mij? Weet gij niet dat ik autoriteit heb u vrij te laten en autoriteit heb u aan een paal te hangen?" Jezus antwoordde hem: "Gij zoudt in het geheel geen autoriteit over mij hebben als die u niet van boven verleend was. Daarom heeft degene die mij aan u heeft overgeleverd, grotere zonde."
(19:12) Om die reden bleef Pilatus naar een manier zoeken om hem vrij te laten. Maar de joden schreeuwden en zeiden: "Als gij deze [man] vrijlaat, zijt gij geen vriend van caesar. Een ieder die zichzelf koning maakt, spreekt tegen caesar."'
Daarom bracht Pilatus, nadat hij deze woorden had gehoord, Jezus naar buiten, en hij ging op een rechterstoel zitten op een plaats die Het Stenen Plaveisel wordt genoemd, maar in het Hebreeuws Gabbatha. Nu was het de voorbereiding van het Pascha, het was ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de joden: ,Ziet! Uw koning!"
(19:15) Maar Zij schreeuwden: ,Weg met [hem]! Weg met [hem]! Aan de paal met hem! Pilatus zei tot hen: "Zal ik uw koning aan een paal hangen?" De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen andere koning dan caesar." Toen leverde hij hem daarom aan hen over om aan een paal gehangen te worden. Daarop namen zij Jezus onder hun hoede. En zelf de martelpaal dragend, ging hij naar buiten naar de zogenaamde Schedelplaats die in het Hebreeuws Golgotha wordt genoemd en daar hingen zij hem aan een paal, en met hem nog twee andere [mannen], één aan deze en één aan die kant maar Jezus in het midden.