De Gele Trui Van Een Recensent
over fundamentalisme, vrijheid en kritiek

brief aan de redactie van de Volkskrant, 10 februari 1990



De literaire criticus moet een kunstenaar zijn, voor hem kan er geen sprake zijn van het beschrijven van literatuur, zoals men, helaas, schilderijen beschrijft; nee, heren, als literaire critici moet u meedoen, en uw kritieken mogen nooit een kritiek van buitenaf zijn, een kritiek van dingen...

Witold Gombrowicz, in: Dagboek Parijs-Berlijn.


Een Hollandse literaire criticus is een personage dat de pretentie uitdraagt alles te weten. Hij kan oordelen - en veroordelen - omdat hij boven de schrijver gaat staan; niet naast hem of onder hem, zoals je dat toch eigenlijk zou mogen verwachten van mensen die hun leven in dienst willen stellen van de kunst.
Een Hollandse criticus heeft een diploma aan de muur hangen. Ingelijst. Achter glas, dat iedere dag met een in spiritus gedrenkt lapje wordt schoongewreven. Dat maakt hem belangrijk. Hij weet - krachtens zijn intensieve studie van de wetenschappelijke boekwerken over literatuur - meer dan de schrijver. Daar is hij heilig van overtuigd. Vandaar ook dat diploma.
Wanneer hij de mening zou zijn toegedaan dat hij minder weet dan de schrijver, dan zou hij niet langer oordelen en een vriend - of vijand - van de schrijver worden, met andere woorden: de oordelende criticus is altijd iemand die in een machtsstrijd gewikkeld is met zijn object, "Het Boek", dat niets anders is dan een verwijzing naar de schepper van dat boek, de auteur.

Die strijd is niet gebonden aan regels. Overal waar mensen samenleven, samenwerken en samen spelen bestaat regelgeving - zelfs een ordinair potje klaverjassen is nog gereglementeerd. Iedere speler, zelfs de meest lompe en ordinaire, weet dat het spel staat of valt met de daaraan verbonden spelregels.
Een uitzondering op die sociale wetmatigheid vormt de verheven wereld van de Hollandse literatuur, die is samengesteld uit een chaotisch geheel van schrijvers, uitgevers en vals spelende, niet aan normen gebonden critici.
Uitgevers en die literaire critici, die zichzelf vanwege hun academische vorming als zeer belangrijk ervaren, vormen de kaste van kleinburgerlijke beterweters binnen dit onfrisse burgermansbedrijf. Zij zijn de rechtschapen oordelaars die met hun 'oordeel' alleen maar een dikbelegde boterham willen verdienen...
De schrijver daarentegen is - wanneer hij tenminste een dichterlijke schrijver is, die in het leven op zoek is naar wat simpele poëzie - het object, dat binnen een samenleving die zichzelf getooid heeft met het etiket rechtsstaat, volkomen rechteloos is. Hij staat in al zijn naakte weerloosheid met de rug tegen de muur en hij hoeft maar één verkeerde stap te doen of hij glijdt voor eeuwig de afgrond in, die de aan macht en zekerheid verslaafde kleinburgerij rondom zijn wankele staanplaatsje gegraven heeft.

Salman Rushdie is op het ogenblik (februari 1990) zo'n rechteloze schrijver die door de geestelijke leiders van een moslimstaat ter dood is veroordeeld, omdat hij de naam van Allah in verband durfde te brengen met hoeren en flikkers, die binnen de wereld van het gelijk schakelende fatsoen als zondige mensen worden gezien...
Iedereen werkt aan de totstandkoming van zijn boeken mee, papierfabrieken, ontwerpers, drukkers, uitgevers, transportbedrijven, boekverkopers, winkelbedienden, ja, zelfs Mister Allah Himself, omdat Hij de bomen maakt waaruit duivelse Westerse fabrikanten papier vervaardigen.., en toch moet alleen die ene man, die het boek geschreven heeft ter dood worden gebracht.
Je kunt daaruit de conclusie trekken dat het om meer gaat dan de veroordeling van een slecht boek. Men wil niet de makers van het boek vermoorden - want in dat geval zou men de gehele Westerse samenleving moeten vernietigen - nee, men wil de vrije geest vermoorden, en daarom wordt van de enkeling een zondebok gemaakt. Hij als enige moet lijden. Alle anderen - die in feite evenveel verantwoordelijkheid dragen - gaan vrijuit.

Salman Rushdie ziet zich dankzij de blinde veroordelingswoede van anderen geplaatst in de positie van eenling binnen een gemeenschap, die zich weliswaar solidair met hem heeft verklaard, maar die desondanks machteloos toe moet zien hoe de meest elementaire beginselen van de democratische rechtsorde door het fatsoen wordt vertrapt.
In een brief aan de nieuwsmedia legt hij publiekelijk uit waarom en hoe hij tot het schrijven van het omstreden boek 'De duivelsverzen' is gekomen. Hij zit op de stoel van de aangeklaagde, waar hij in feite de rol van aanklager zou moeten spelen. En terwijl hij die vernederende rol speelt, babbelt de Nederlandse literatuurkritiek er lustig een eind op los.
Een held zijn is erg leuk - behalve wanneer je zelf de held moet zijn...

De Poolse schrijver Witold Gombrowicz zit ander in elkaar. Hij eist persoonlijke betrokkenheid van al diegenen die zich bezighouden met mens en maatschappij. Dus ook van de literaire criticus...

Persoonlijke betrokkenheid veronderstelt interesse in de motieven en drijfveren van anderen. Persoonlijke betrokkenheid veronderstelt eveneens persoonlijkheid; dat spreekt vanzelf. En kijk, wanneer we die uitspraak hebben gedaan, dan bezitten we meteen een waarheidscriterium, aan de hand waarvan we kunnen bepalen of een literaire criticus 'goed' is of 'slecht'.

De gemiddelde literatuurcriticus is een wezen zonder persoonlijkheid. Dat anonieme wezen (iedereen ziet hem maar niemand kent hem) schrijft en praat, en het schijnt zelfs te beschikken over mechanismen die gedachtenprocessen simuleren, maar daar is dan ook alles mee gezegd.
Tientallen jaren lees ik nu al trouw de Volkskrant, maar als men mij nu de vraag voorlegt: Wie is Arnold Heumakers?, of: Wie is Martin Schouten?, of: Wie is Willem Kuipers?, dan moet ik het antwoord schuldig blijven.
Ik weet het niet, ik weet werkelijk niet wie deze lieden zijn, wat ze denken, wat ze willen, wat ze voelen of waar ze voor staan.
Zij bedrijven een vorm van literatuur die on(t)persoonlijk(t) is. Zij schrijven zoals een ambtenaar schrijft...: Over anderen maar nooit over zichzelf. ALs ze morgen verdwijnen zal niemand ze missen, juist omdat ze in feite naamloos zijn.
Zo een naamloze criticus kan je urenlang de meest interessante verhalen vertellen..., maar altijd over anderen... Wanneer je hem vraagt: vertel nu eens wat over jezelf, dan laat hij het afweten, dan zie je jezelf ineens geplaatst in een gigantisch luchtledig universum, waarin geen enkele morele wet bestaat, omdat de echte moraal wortelt in de persoonlijkheid. En welke moraal kan iemand er op na houden die geen persoonlijkheid bezit?

In de Volkskrant van vrijdag 9 februari bespreekt Martin Schouten (hij zou ook Rob Aldeman kunnen heten, of Vincent Diepenbroek) een aantal boeken van de Russische absurdist Daniel Charms, een eigenzinnige schrijver, die zijn lezers in contact wilde brengen met (zoals hij dat noemt) 'de werkelijke kunst'.
Charms was geen sociaal-realistische schrijver en daarom zagen de communistische machthebbers hem als een sociaal gevaar, een zonderling, die je maar beter zo snel mogelijk de dood in kunt jagen.
Hoe asocialer de kleinburger is, des te gevaarlijker vindt hij lieden die zijn heilige sociale waarden bedreigen - is u dat wel eens opgevallen?
Je kunt het karakter van een mens leren kennen door de waarden die hij verdedigt om te keren, stelt de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. In de omkering wordt de waarheid zichtbaar. Met andere woorden: de socialist is al datgene wat hij in kapitalisten verafschuwt. Hij wil in het diepst van zijn hart ook kapitalist zijn; en het is dan ook geen wonder dat bijna alle nieuw-linkse anti-regenten regent en ondernemer zijn geworden.

Ik ben geen ideoloog, heb in regenten nooit medestanders gezien, en om mij te leren kennen hoeft niemand ondersteboven plaats te nemen op zijn stoel. Nee, ik wil mijn lezers niet aandoen wat ik zelf als anti-ideoloog heb mogen ervaren. Want, ocharme, wat ik al niet voor een gymnastische toeren heb moeten verrichten om in dit land de waarheid te achterhalen, mijn hemel, dat houdt een weldenkend mens niet voor mogelijk.
Soms trof men mij ruggelings liggend, met de benen omhoog aan in de hal, andere keren zagen verbijsterde voorbijgangers mij als een vlieg over de muren en het plafond van mijn kleine flatwoning kruipen, en soms ook zag men mij in het geheel niet, en dat kwam dan omdat de identificatie met de persoonlijkheidsloze ideologische mens mij in een toestand van complete onzichtbaarheid had gebracht!
O, je lijdt wat af, wanneer je de Hollandse vormaanbidders bestudeert. Dat kunt u zich niet voorstellen.

Maar om bij de zaak te blijven: In de hierboven aangehaalde recensie, die de ontheiligende titel 'Drom drom toet toet' draagt, trof ik de volgende zinsnede aan:
"Charms negen 'Brieven aan Claudia' zijn nu in het Nederlands vertaald, tien bladzijden tekst in een kanariegeel omslag, waarvan ik het herlezen moest onderbreken om mijn kanariegele trui aan te trekken. Hier wilde ik bijhoren..."

Het is een wat verrassende uitspraak en ik moet dan ook eerlijk bekennen dat ik die zinsnede met een mengeling van verbazing en afkeer las en herlas.
Is dit wat ik bedoelde met het pleiten voor een nieuwe persoonlijkheidscultuur?
Ikzelf zou er niet over peinzen om in welke omstandigheden dan ook mijn fijngevoelige decadentenlijf in een ordinaire gele trui te hullen. O god, ik schaam me al dood wanneer mijn keurige zwarte stropdas wordt ontsierd door één enkel rood stipje... Wat dat betreft ben ik net de Prinses op de Erwt. Iedere vorm van felheid, die in strijd is met mijn voorkeur voor rustige, effen kleuren, maakt het mij onmogelijk me op een gewone, normale wijze te gedragen. Zoals de Prinses in het sprookje geteisterd door zware rugklachten 's morgens opstaat, zo beweeg ik mij op zulke momenten trillend en bevend door het huis, en dat alleen maar omdat een onverlaat mij een stropdas heeft omgebonden met een rood versiermotiefje er op. Als rechtgeaarde zwartkijker, streng, degelijk en ouderwets, grijp ik tenslotte, volkomen ten einde raad, de grote, roestvrijstalen huishoudschaar beet, om me met een snelle, resolute knipbeweging te ontdoen van dat verstikkende felgekleurde instrument van kleinburgerlijke prots- en praaldrang.

De ter dood veroordeelde schrijver Salman Rushdie heeft weinig begrip voor die door mij als heilig ervaren decadente zuiverheidsdrang. Middels twee paginagrote artikelen in de Volkskrant verdedigt hij zichzelf tegen de aantijging dat hij een cultuurbarbaar is, een vernietiger van de reine, zuivere Moslim-cultuur.

De Duivelsverzen, stelt hij, is een lofzang op de vermenging, onzuiverheid, gedaanteverwisseling die voortkomt uit nieuwe en onverwachte combinaties van mensen, culturen, ideeën, politieke opvattingen, films en liedjes. Het bejubelt de kruising en vreest het absolutisme van de Zuiverheid... De Duivelsverzen is een pleidooi voor verandering door fusie, verandering door verbinding. Het is een ode op ons bastaard-ik...
"Zonder de vrijheid om aanstoot te geven houdt de vrijheid op te bestaan", merkt hij op. En: "Taal en fantasie kunnen niet worden opgesloten, anders sterft de kunst, en met haar een deel van hetgeen ons menselijk maakt..."

In zeker opzicht heeft hij gelijk natuurlijk. Het fundamentalisme haat alles wat absurd - dus 'bastaard-achtig - is.
Vrijheid is absurd. Vrijheid begrenst door grenzen op te heffen. Daarom willen aan de vorm gebonden ideologen altijd de individuele vrijheid vernietigen. Want dat is in feite waarom het gaat: Niet jezelf uitleveren aan de dwang van de massacultuur (via vermenging egaliseren en gelijk schakelen), maar via de vrijheid van die massacultuur nieuwe gedachten en denkwijzen opnemen die je in staat stellen binnen het grote geheel jezelf te zijn, zodat niet jij de bastaard bent, maar de cultuur waar je als zelfstandig mens deel van uitmaakt.

Niet de Islam, maar Karl Marx heeft met zijn deterministische filosofieopvattingen de basis gelegd voor een denkwijze die de bastaardcultuur (iets anders dan bastaard-ik) ontkent. De mens als individu is binnen de gedachtenwereld van een marxist een monster zonder waarde: een lor, een vod, een nulliteit, waar je niets van hoeft te verwachten. Nooit zal volgens een marxist een individu, enkel en alleen op grond van zijn persoonlijke integriteit, iets tot stand brengen. Er zijn economische wetten die noodzakelijkerwijs de overwinning van de arbeidersbeweging zullen bewerkstelligen en de noodzaak van persoonlijkheidsvorming is derhalve weinig meer dan een mythe die in dienst staat van een decadente bourgeoiscultuur.
De mens is een product van de economische orde (werkslaaf of werkmeester). Verder is hij niets...

Adolf Hitler was ondanks zijn keuze voor het gelijkschakelende nationaal-socialisme een fel anti-marxist. "Een waarlijk grote omwenteling is uitsluitend en alleen denkbaar na een titanenstrijd van geweldige individuen", beweert hij in Mein Kampf.
De schrijver Franz Kafka is eveneens een anti-marxist. Ook hij wijst er op dat niet de massa beslist, maar het individu: "Alleen het individu dat tegen de stroom inzwemt beslist..."

Wie heeft er gelijk?

Een feit is dat er zoiets als de massa bestaat. De geschiedenis leert ons dat mensen gemanipuleerd kunnen worden, in positieve en in negatieve zin.
Hitler was een massahater, die via kunstmatige massificering zichzelf als individu verwezenlijkte. Want Hitler, dat moet duidelijk gesteld worden, maakte geen deel uit van de massa. Hij stond er ver boven. Hij werd aanbeden als een God en hij kon alleen maar God blijven door het vernietigen van al diegenen die in staat waren zijn goddelijke status aan te tasten.
Kafka zag het individu als een verdediger van menselijke waarden, een inspirator, die het geweten is van de massa.
Ondanks de fundamentele verschillen zijn beiden het er over eens dat mensen geneigd zijn hun lot in handen te geven van enkelingen.
In het zich van het communisme bevrijdende Oost-Duitsland zag je dan ook het vreemde verschijnsel optreden dat mensen dol van woede werden omdat ze zich plotseling realiseerden dat de politieke leiders die ze vertrouwden gewetenloze misdadigers bleken te zijn.
Wanneer je dat weet, wanneer je tot het besef komt dat mensen de kinderlijke neiging bezitten op blinde wijze hun vertrouwen te stellen in diegenen die leidende posities bekleden, dan moet je als democraat alles op alles zetten om te voorkomen dat het naïeve vertrouwen van de mensen wordt beschaamd.
Onbetrouwbare, maniakaal-eerzuchtige gekken op belangrijke posities neerzetten, zoals met name de Partij van de Arbeid dat jarenlang heeft gedaan, is ronduit misdadig. Een politicus - vooral eentje die zich 'sociaal' noemt - heeft een sociale taak. Dat kun je moraal noemen, maar met de begrippen 'goed' en 'slecht' heeft die stelling niets te maken, omdat het woordje sociaal alleen maar verwijst naar de gegevens orde, verdraagzaamheid en zorgzaamheid die alle eeuwen door deel hebben uitgemaakt van wat ik 'de filosofie van het Midden' noem.
Wie de mening is toegedaan dat de overheid een sociale taak heeft, die zal midden-figuren naar voren moeten schuiven, geen mensen die persoonlijke ambitie op de eerste plaats zetten. Het kenmerk van een ambitieus mens is namelijk dat hij de werkelijke sociale principes ontkent, zodat hij noodgedwongen anderen, die mogelijk veel intelligenter en redelijker en zorgzamer zijn, de grond intrapt.

Een prachtig voorbeeld van zo'n asociale socialist is de schrijver Harry Mulisch, die in de revolutionaire jaren zestig een boek met de fraaie titel 'Het woord bij de daad' heeft geschreven.
Harry Mulisch wil geen daden stellen. Hij is geen sociaal raadsman voor beginnende schrijvers, hetgeen een logisch uitvloeisel zou zijn van zijn socialistische ideologie. Nee, hij wil eeuwig voort blijven leven en met behulp van zijn romans probeert hij derhalve een monument te bouwen voor zichzelf. En wat is een monument? Niets anders dan de onwil daden te stellen, het in vorm gegoten kleinburgerlijke verlangen niets te doen.
De socialist Mulisch deelt niets met anderen, ook niet zijn persoonlijke gedachten. Mulisch monopoliseert. Hij eist alles op voor zichzelf, zoals een kapitalistische grootondernemer dat ook doet.
Je zou, zoals gezegd, het tegendeel verwachten. Je zou denken dat zo'n idealistische, sociaalvoelende man zijn geld zou steken in een sociaal fonds voor schrijvers die moeilijk aan de slag kunnen komen. Begrippen als solidariteit en bevrijding van de zwakken zou je kunnen aanvoeren ter rechtvaardiging van een dergelijke handelwijze. Streven ook - natuurlijk - naar een monopolies opheffende bastaardcultuur...

Alle schrijvers en kunstenaars van betekenis vechten voor een beetje persoonlijke vrijheid en steeds weer valt het op dat de aangepasten en de zogenaamde socialen op grond van uiterst kleinzielige motieven (veelal uit doodgewone sadistische gierigheid...) zulke idealisten laten wegrotten in een wereld waar alles zwak en eenzaam en verlaten is, de duistere wereld van de gevoelige mens die nooit de gelijke zal worden van de sterke, alles regelende en bedisselende ander.

Een gele trui aantrekken. Bastaard worden binnen een monopolistische werkcultuur die decadente vermenging niet toestaat. Zou een schrijver daar de problemen waarmee hij wordt geconfronteerd mee kunnen oplossen?
Mijn hemel, ik moet er niet aan denken. Ik draag het liefst een deftig kostuum in de effen kleuren zwart of grijs, gecombineerd met een lichtgrijs overhemd en een donkerrode stropdas. Een dichterlijke decadent, dat ben ik mijn leven lang geweest. Mensen die 'bastaard' zijn, mensen dus die er als een ordeloze schooier bij willen lopen, begrijp ik niet zo goed. Mensen die gehuld gaan in van die goedkope, afgrijselijk-ordinaire sportclubblazers, goedkope vodden, die de absolute ontkenning zijn van de decadente begrippen 'sjiek' en 'elegant'. Mensen die een vaal verschoten overhemdje dragen. Mensen die als toppunt van onfatsoen de ruimte waar zich normaliter een stropdas bevindt openlaten, alleen maar om te bewijzen dat ze een bastaard zijn...

Mijn god, behoed ons voor stropdasloze bastaardmensen, want zij zijn de ergste fundamentalisten die er in deze wereld bestaan. In alle landen waar fundamentalisten de macht in handen hebben wordt onmiddellijk de decadente stropdas op de zwarte lijst geplaatst...

Volkskrantmedewerker Martin Schouten breekt met die persoonlijkheidsontbindende traditie. Hij kiest voor de knellende beperking van de gele trui, die je kunt zien als een plebejische vertaling van het deftige overhemd met das.
Hopelijk wordt met deze indrukwekkende begrenzingsdaad de op verschooiering van het bestaan gebaseerde vrijheidsmythe van de jarenzestig-generatie definitief in de vuilnisbak van de Vaderlandse Geschiedenis geworpen. Hopelijk zijn we dan eindelijk af van het verderfelijke stropdasloze gepeupel, dat te benepen is om een decadent zijden overhemd aan te schaffen.
Want, beste lezer, een zijden overhemd heeft zijn geheel eigen filosofie, een creatieve filosofie, die door verbeeldingsloze fundamentalisten wordt ontkend, en die filosofie vertelt ons dat een overhemd een stropdas nodig heeft - daarvoor werd het overhemd namelijk ontworpen.

Een overhemd zonder stropdas (decadentie dus zonder begrenzing), dat is net zoiets als een man zonder lul... En welke man is bereid zijn lul af te snijden, alleen maar omdat binnen een anti-creatieve burgermanswereld het lul-afsnijden toevallig in de mode is?

Nee, wanneer de socialistische maatschappijvernieuwers in knellende, begrenzende kleren (strakke truien, glanzende zwembroekjes, satijnen hemden met decadente dassen en riempjes en ga zo maar door...) voor de camera's zouden verschijnen, gladgeschoren natuurlijk, en met ouderwetse pommade in het haar, dan zou ik respect voor hen hebben. Dan zouden ze op bevrijdingsdag van mij het dagboek van Anne Frank ter hand mogen nemen om als heuse verdedigers van een persoonlijkheidslievende bastaardcultuur de volgende stelregel aan het volk voor te leggen:

Er is maar een regel die je goed voor ogen moet houden. Lach om alles en stoor je niet aan anderen! Het lijkt egoïstisch, maar het is in werkelijkheid het enige geneesmiddel voor wie troost bij zichzelf moet vinden. (16 juni 1944)


wim duzijn, zwolle - holland
Zie ook: Theo van Gogh: Een Proces-Verbaal