eenling worden
in een schijn-democratie

Morele Verkrachting


Dat nieuwe, ernstige ventje heette Marc.
Richard was niet gekomen.
Wij stookten een groot vuur.
Wie is die kerel??, vroeg een gozer
die met een hondje aan de overkant van de sloot bleef staan.
Kerel??, zei Marc boos.
Dat is een heel aardige man.
Een heel mooi, boosaardig jongetje kwam kijken.

Michel Dhondt
Wilde Middag, in: De Tijd Staat Stil


bron foto onbekend Wetenschap is ordening, overwinning van de chaos, of, beter gezegd: wetenschap zou dat moeten zijn.., want in de kille, harde praktijk van het leven komt er van dat idealistische streven weinig terecht.
Ja, op het beperkte terrein van de techniek, daar presteren we ongelooflijk veel. Als we een apparaat moeten ontwerpen ontpoppen we ons als geniale orde-scheppers. Mijn computer bijvoorbeeld, waar ik een soort liefdesrelatie mee onderhoud, is in alle opzichten een wonder van menselijk ordeningsvermogen. Maar daarbuiten, op ons eigen terrein, het gebied waar we als mens heer en meester zouden moeten zijn, presteren we bitter weinig.
Willem Frederik Hermans stelt het in zijn voorwoord bij de verhalenbundel Paranoia heel duidelijk: Er is in mensenland maar één woord: Chaos...
Chaotisch, hysterisch gesmeer. Morele ranselpartijen. Hypocriete huilpartijen. Intimidatie en chantage. Lafheid die tot kracht wordt verheven. Kilheid en frigiditeit die in ouderliefde worden omgezet. En ga zo maar door. We doen alles om te bewijzen dat we niet in staat zijn op een koele, cleane, eerlijke en ordelijke wijze met elkaar om te gaan.

Het schoolvoorbeeld van de onverantwoordelijke manier waarop mensen met elkaar omgaan is professor Bob Smalhout, de tot moralist bekeerde ex-anesthesist, die als Telegraaf-columnist bewijst dat we mensen die hun hele leven vakidioot zijn geweest, maar beter tot aan hun dood hun beroep kunnen laten blijven uitoefenen, omdat ze daar de minste schade aanrichten.
Dokter Bob is een goede dokter, maar een slechte columnist, en dat kan natuurlijk ook niet anders. De man heeft een beroep uitgeoefend waar je geestelijk lui van wordt. Letterlijk! Mensen verdoven..., dat is zijn vak. En zeg nu zelf: Gas uit een flesje laten stromen is toch eigenlijk een bezigheid van niks? Kapje op het hoofd, diep ademhalen en lachend stap je aan de hand van meneer de dokter de duisternis van het grote niets in.

Tegenwoordig schijnen ze het niet meer met lachgas te doen. Het woordje 'lachgas' zou een slechte morele uitstraling hebben op de mensen, beweren ze... , zou mensen het besef kunnen bijbrengen dat je om alles lachen mag...
Ik weet daar als medische leek natuurlijk niet het fijne van af en morele dokter Bob van de Telegraaf peinst er niet over mij daar iets meer over te vertellen, omdat de moralist in hem dat verbiedt.
In de ordelijke wereld van Morele Bob staan chirurgen mijlenver van hun patiënten af en negen van de tien patiënten krijgen de schrik van hun leven als ze al die enge mannen zien die, in giftig groene jasjes gestoken, op een welhaast militaristische wijze hun beroep uitoefenen in een kil-betegelde, volledig van de buitenwereld afgesloten operatiebunker.

Dat het anders kan, wat minder kil en militaristisch, bewijst de medicus Jan Janbroers, die een artikel in de Telegraaf laat beginnen met de oproep: Word veel ziek en laat je in elk geval ten minste eenmaal opereren...

Het is een zinsnede uit een boek dat de menselijke titel draagt: 'De arts als patiënt', waarin de schrijver ons het gewone, menselijke gezicht van de arts wil laten zien.
Niet de man aan de andere kant van het bureau, die eeuwig gezond zit te wezen in een wereld vol zieken, nee, de man, die net als wij zo zijn problemen heeft, die ziek kan worden en die net als de gewone patiënt bang kan zijn voor een wereld die toch eigenlijk in het leven is geroepen met de bedoeling andere mensen te helpen.

Zo'n arts, daar kun je respect voor hebben. Dat is geen kille, moralistische robot, nee, dat is een mens, die weet hoe verschrikkelijk klein en zwak je jezelf kunt voelen als je van het leven een enorme mep gekregen hebt.

Ik heb jarenlang in een wereld geleefd waarin ik steeds degene was die de klappen kreeg. In zo'n wereld verlies je het vertouwen in de arts en word je doodsbang voor al diegenen die zich 'hulpverlener' noemen.
Je ontdekt dat al hun hulp er alleen maar toe leidt dat jij voortdurend zwakker wordt, terwijl zij zingend en dansend zich een weg banen door een wereld die volgestapeld is met leed.
Artsen en hulpverleners ontpoppen zich als vampiers. Ze bouwen geen wereld op waarin jij beter kunt worden, nee, ze bouwen een wereld op waarin jij nooit meer beter mag worden.

Dat is een gruwelijke ontdekking. Het maakt je kwaad en bitter en strijdvaardig. Waarom zijn zij zo waanzinnig sterk? Waarom wonen zij in grote paleizen en waarom zit ik - als eeuwige patiënt - op een armzalig bankje in de gang, met een stapel vol zorgen en problemen, tussen mensen die ook alleen maar problemen hebben, problemen waar ze op een welhaast exhibitionistisch-masochistische wijze mee te koop gaan zitten lopen..., alsof leed een grote mannenpiemel is, waarmee je andere mensen kunt choqueren: Snel.., de jas open, en wham..., je grote, stijve..., ja wat...?, laten zien....
Etter, slijm, verkalking, kanker..., je kunt het zo gek niet verzinnen, of het wordt wel ter sprake gebracht en nooit komt er een man in het blauw opdagen die de onverlaat op autoritaire toon toevoegt: "Gauw dicht die jas, viezerik, val mensen niet lastig met dat grote perverse kankergezwel van je..."

Erg eerlijk is het allemaal niet.
"Ik wil op een normale manier leven, denk je bij jezelf, "ik heb net zoveel rechten als jullie, waarom doen jullie mij dit alles aan..?"
En dan te bedenken dat in mijn geval alle ellende begon in een tijdperk waarin idealisten van de wereld een paradijs wilden maken, een heilstaat waarin geen tegenstellingen meer zouden bestaan, een wereld waarin een intellectueel een arbeider was en een arbeider een fijne, stoere vent, waar je als intellectueel een echte 'maat' aan had...

De praktijk van dat verheven idealisme was minder mooi, zoals dat altijd het geval is in een wereld waarin moralisten de macht in handen hebben.
In de maanden mei en juni van het jaar 1970 stuurde de rector-magnificus van de Universiteit van Amsterdam, professor Belinfante, de studenten een aantal brieven toe, waarin gewezen werd op de wantoestanden die er op diverse instituten heersten. Marxistische studenten oefenden een schrikbewind uit, zodat er van het aloude principe van de wetenschappelijke kennisoverdracht niets meer terecht dreigde te komen.
In simpele woorden uitgedrukt kun je stellen dat de watjes (de intellectuelen) door een wilde, agressieve bende (de anti-intellectuelen) werden geterroriseerd, zodat het ideaal van de opheffing van tegenstellingen (arbeiders en intellectuelen sluiten een nieuw verbond...)in feite een volstrekt lege huls was

Moralistische Dokter Bob van de Telegraaf probeert de Telegraaflezers voortdurend een verkeerde voorstelling van zaken te geven, wanneer hij het onderwerp 'jaren zestig' in zijn columns centraal stelt.
Bij voortduring schildert hij de wilde, agressieve marxisten af als 'softies' en 'bloemenkinderen', zodat niet de harde marxistische moralisten verantwoordelijk worden gesteld voor de chaos, maar de naïeve, softe idealisten, die je in feite alleen maar kunt verwijten dat ze gewoon veel te naïef zijn geweest.
Erg vals, als je er goed over nadenkt.., maar ook het bewijs voor de juistheid van de stelling dat moralisten altijd elkaar de hand boven het hoofd houden, hoe tegenstrijdig hun opvattingen ook mogen zijn.

Ik was geen marxist en geen moralist, en daarom uitermate kwetsbaar in een wereld waarin een man weinig meer mag zijn dan een clichés uitbrakende egoïst, die rijdend op een motor - het mannelijkheidsymbool bij uitstek - zijn onverschilligheid voor het lot van zijn minder sterke medemens uitdraagt.
De jaren-zestig-generatie was niet onverschillig, maar ze werd gedomineerd door de onverschilligen, die hun onverschilligheid verborgen achter de moraal.
Daarom worden we nu ook geconfronteerd met het merkwaardige verschijnsel dat er eigenlijk helemaal niets is overgebleven van het idealisme. Moralisten, dat blijkt nu wel, zijn geen idealisten. Moralisten zijn machtsdenkers en daarom voeren zij altijd een beheersingsdrama op. Ze spelen een spel dat een daadwerkelijke confrontatie met de problemen dient te voorkomen. Hun moraal is een lege huls, een laagje vernis dat de chaos aan het oog dient te onttrekken. Het idealisme van anderen wordt gebruikt, maar nooit in werkelijke daden omgezet, omdat een vampier alleen maar uit is op de primitieve bevrediging van een lust die groter is dan hemzelf. Daarom leeft hij ook eeuwig, omdat hij in feite niet bestaat. Alles wat hij vertegenwoordigt is een zielloze, geobsedeerde gerichtheid op het gebruiken van anderen, in dienst van een kracht die het leven wil onderwerpen aan de dood.

Jezus van Nazareth veroordeelde tweeduizend jaar geleden in de religieuze joden, die zijn voornaamste tegenspelers waren, dat lege, vampiristische moralisme. Hij was geen wildeman die de zinloze chaos predikte. In het evangelie lees je voortdurend dat een mens de maatschappelijke spelregels in acht moet nemen, maar dat hij zich moet verzetten tegen diegenen die de wet verkondigen zonder er zelf naar te willen leven: de hypocrieten en de waanwijzen, die voortdurend met de vinger naar anderen wijzen, maar die uit elkaar springen van woede wanneer ze zelf ter verantwoording worden geroepen door een eerlijke, integere niet-moralistische ander.

De arts Jan Janbroers is geen moralist, omdat hij niet de behoefte heeft zichzelf boven de ander te plaatsen. In dat opzicht verschilt hij van zijn collega Smalhout, die jarenlang deel heeft uitgemaakt van een bevoorrechte kaste, waarvan het belangrijkste kenmerk is dat ze altijd gezond is in een wereld waarin de ander eeuwig ziek moet zijn.
De door niemand serieus genomen schrijver Jan Arends neemt die gevoelloze, bevoorrechte artsen onder vuur in het verhaal Keefman.
In dit verhaal richt een psychiatrische patiënt zijn woede op de groep artsen die altijd boven de anderen wil staan, de artsen die er niet zijn om mensen beter te maken, maar die er zijn om ziekenhuisbedden te vullen, zodat de patiënt wordt gereduceerd tot een zielloos object, waarmee de arts of de verpleegkundige de tijd op een probleemloze wijze kan doden.

De meeste artsen zijn zich er niet van bewust dat ze deel uitmaken van een moralistische orde, die door sommige maatschappijcritici in de jaren zestig 'het systeem' werd genoemd.
Binnen het systeem (dat echt bestaat, alle wijsheidsleraren wijzen daar op..) wordt door moralisten het menselijke leed geëxploiteerd.
De moralist lost niks op, omdat hij niks op wil lossen. Hij gebruikt het kwaad om er zijn eigen kwaad mee goed te praten. Hij rijdt op een morele kar die met goud is volgeladen en hij spant er doodrustig, zonder enige gewetensproblemen een horde kapotgeslagen mensen voor.

Zijn er kinderen gebruikt of mishandeld? O, niks aan de hand, gauw een bit in de bek en als de bliksem voor de morele kar. Dan is iedereen dik tevreden.
Met gevoelens heeft dat alles niks te maken. Morele verontwaardiging is een methode om niet te hoeven voelen. Morele verontwaardiging doodt het gevoel.

Gevoel spant het slachtoffer van terreur en geweld niet voor een lompe burgermanskar. Gevoel pakt een kapotgeslagen kind beet en probeert het te troosten. Gevoel kent erotiek en kan die erotische werkelijkheid, juist omdat het eerlijk is, beheersen, maar ontkent het niet.
Ontkenning van gewone menselijke drijfveren staat altijd in dienst van het kwaad. Hulpverleners die de ontkenning van gewone menselijke gevoelens prediken zijn kwaadaardige wezens die de titel 'hulpverlener' niet verdienen.

Wijsheid is altijd bevestiging van de volledigheid van het bestaan. Alleen door je gevoelens te bevestigen ben je in staat ze te beheersen. Liefde voor kinderen is een doodgewone zaak. Ouders houden ook van hun kinderen. Ouders gaan emotionele banden aan met hun kinderen zonder dat kind te vragen of het er wel van gediend is. Ouders dringen kinderen hun morele waarden op. Ouders verwachten van hun kinderen dat ze denken zoals zij zelf denken. Daar valt weinig tegen te doen, omdat mensen nu eenmaal mensen zijn.
De meeste hulpverleners staan daar nooit bij stil. Gereformeerden, joden, moslims en andere mensen met een uiterst bekrompen wereldbeeld worden nooit in hun spreekkamer neergezet. Omdat we hebben afgesproken dat bekrompen mensen, die de geest van andere mensen op een negatieve wijze beïnvloeden, normaal zijn, ook al kan iedereen met een beetje gezond verstand in zijn hoofd zien dat ze in feite stapelgek zijn!

In de jaren zestig wilde de anti-psychiatrie die idiote toestand aan de kaak stellen. De anti-psychiatrie stelde zich op het standpunt dat de wereld waarin we leven niet normaal is, een visie waar elke echte schrijver zich onmiddellijk bij aansluit.
Er is maar een echt werkelijk woord, stelt Willem Frederik Hermans, Chaos.

Dat de wereld van de kleinburgerlijke hulpverlener als chaotisch omschreven dient te worden is een overduidelijke zaak. Alleen al het gemak waarmee men verschillende feiten en zaken door elkaar hutselt..., alsof er een drakerig schepsel uit een ouderwets sprookjesverhaal voor je staat, gekleed in een zwarte jurk, een lange puntmuts op het hoofd en een versleten bezemsteel tussen de magere heksenbenen geklemd.
Met een akelige lach bereidt zij, roerend in een zwartgeblakerde ketel, haar giftige drankjes en zalfjes. Een vette pad hier en een zwarte tor daar, en in een mum van tijd is ons maatschappelijke hulpverlenersdrankje klaar.

Een zeventienjarige jongen die op zijn tiende jaar was verkracht, lees ik in het Algemeen Dagblad, dat in gesprek is met een hulpverlener, zei tegen mij: deze man heeft mij voor altijd het recht afgenomen om in mijn eigen tempo mijn eigen sexualiteit te ontdekken.

Dat is natuurlijk niet waar. Verkrachting en sexualiteit zijn geen synoniemen. Verkrachting is een daad van geweld, die daarom verwerpelijk is, omdat het gelijkheidsprincipe en het beginsel van het recht om 'nee' te zeggen worden ontkend.
Verkrachting is alleen maar gevaarlijk voor de sexuele ontwikkeling van een mens omdat het begrip sexualiteit er door in een kwaad daglicht wordt geplaatst.
Wie verkracht is moet zich in een morele wereld schuldig voelen, die moet het kleinburgerlijke idee uitdragen dat sex een brute liefdeloze kracht is, waarvan je nooit in je leven op een vrije, ongeremde wijze genieten mag, zodat je altijd een bleke, schimmige, zielige figuur blijft in een wereld waarin de verkrachter steeds sterker wordt gemaakt.

Verkrachting van kinderen gebeurt op verschillende manieren, ook binnen de vriendenkring, ook binnen het gezin en binnen het religieuze milieu.., fysiek, zowel als geestelijk.., dat dienen we ons goed te realiseren, want waar het op aankomt is dat verkrachters deel uitmaken van een en dezelfde categorie: de categorie van kleinburgerlijke moralisten, die de begrippen 'sexueel genot', 'sexuele extase' en 'sexuele bevrediging' ontkennen.

Wie verkrachting en zinloos geweld wil voorkomen zal toe moeten groeien naar het besef dat sexualiteit die wordt uitgeoefend door kinderlijke, vrijheidslievende mensen een mens (man, vrouw, kind of wie of wat dan ook) absoluut geen schade berokkent.
Wanneer ik de choreograaf Rudi van Dantzig op de televisie zie, dan denk ik bij mezelf: Die man is de ideale pedofiel, die kan kinderen op een liefdevolle wijze inwijden in de wereld van de erotiek. Die man heeft iets kinderlijks over zich, die is in staat een kind als gelijke tegemoet te treden.
Wie zo iemand een 'rat' en een 'kinderverkrachter' noemt, die is geen goede hulpverlener, maar een kwaadaardige moralist, die de zielen van kinderen vergiftigt.

Ik heb ze gezien, de kleine met gif volgespoten kinderen, die door journalisten om hun mening werd gevraagd na de moord op een aantal schoolkinderen in Engeland. Ze reageerden niet als kinderen: 'Erg', of 'Ik werd er helemaal koud van, zo verschrikkelijk...' Nee, ze stonden daar als kille, moralistische robotten een kille burgermansmoraal uit te dragen, met zinnen als: 'Een viezerik was het', en: 'De man was pervers'.
Dat zijn geen kinderlijke meningen. Een kind weet niet wat pervers is, hoort dat ook helemaal niet te weten. Nee, het zijn de meningen die moralisten erin gegoten hebben, meningen die de onschuld van het kind vermoord hebben.
Zulke kinderen zijn een gevaar voor de samenleving. Ze hebben een wapen in handen gekregen waarmee ze vrijheidslievende, gevoelige anderen kunnen terroriseren en vernietigen. Kleine, kille, boosaardige blagen (want kinderen zijn gewone mensen en zoals er boosaardige volwassenen zijn, zo zijn er ook boosaardige kinderen...) geven we macht over volwassenen, en dat is de domste daad die we als opvoeder kunnen stellen.
We brengen ze op die manier geen normbesef bij, nee, we leveren ze uit aan een wereld waarin alleen het woordje 'macht' belangrijk is, zodat de verkrachter altijd een verkrachter blijft.


wim duzijn
brief aan de redactie van het Algemeen Dagblad
zwolle, 17 maart 1996