|
Is ons bestaan een dubieuze zaak?
over het positieve denken

Hoewel ik niet kan zeggen hoe het nu zo kwam dat () de Schrikgodinnen mij de povere rol van walvisvaarder toewezen, terwijl andere mensen prachtige karakterrollen in grote treurspelen, korte gemakkelijke rollen in aardige blijspelen of grappige teksten in kluchten kregen toebedacht - hoewel ik dus niet kan zeggen hoe dit nu eigenlijk zo kwam, geloof ik toch dat ik, nu ik me alle omstandigheden weer voor de geest haal, enig inzicht heb in de beweegredenen en gronden die me ertoe brachten mijn rol te vervullen, nadat me deze drijfveren onder allerlei vermommingen listig waren toegespeeld, waardoor ik () het waandenkbeeld koesterde dat het hier een keuze betrof die voortkwam uit mijn eigen vrije wil en scherpzinnig oordeel.
HERMAN MELVILLE in: Moby Dick
Je treft jezelf aan in een kamer. Je staart uit het raam. Buiten wandelen mensen en er blaft een hond. Je vraagt niet 'waarom?', want ach, zeggen ze, wat koop je voor die zinloze vragenstellerij?
"Je moet niet zoveel vragen stellen", zei mijn moeder vroeger tegen me, "en al die moeilijke boeken die je leest, die kunnen nooit goed zijn voor een jonge vent - daar ga je maar van piekeren..."
Een zielige piekeraar zijn?, denk je, is dat de enige beloning die er is voor een mens die op een intelligente wijze met het leven om wil gaan?
Een feit is, een onwrikbaar gegeven zou ik het zelfs willen noemen, dat het burgermansbestaan er op is gericht het 'zinloze' gepieker buiten de burgermansdeur te houden. Je mag binnen een kleinburgerlijk milieu alles ter discussie stellen, behalve de filosofische uitgangspunten van het bestaan.
Een kleinburger - of hij nou schrijver is of putjesschepper, dat maakt niks uit - eigent zichzelf op een uiterst dwingerige wijze rechten toe. Hij stelt bepaalde eisen. Hij verlangt erkenning in de vorm van materiele beloning. Hij ziet zichzelf als een wezen dat meerwaardig of minderwaardig is. Hij maakt bepaalde keuzes. En hij doet dat op een zeer primitieve en onnadenkende wijze, zonder zichzelf ooit af te vragen: Waarom zo, en waarom niet anders?
Waarom is 'kunst' verheven? En waarom is een detectiveverhaal een waardeloos object, waaraan een mens 'niks heeft'? Een detectiveverhaal lees je om jezelf te ontspannen. Een kunstwerk daarentegen moet 'spannend' zijn, niet in de ordinaire zin van het woord, dat wil zeggen: irrationele impulsen oproepend, zodat gedurende kortere of langere tijd een laag niveau van bewustzijn in stand kan worden gehouden, waardoor de belever in staat is de beslommeringen van het alledaagse leven te vergeten, nee, integendeel, er moet sprake zijn van een spanning, die de mens tot 'na-denken' beweegt.
Van belang in deze omschrijving is het woordje 'moet'. Een kunstwerk zou 'zo' moeten zijn - maar dat moeten is vaak weinig meer dan een droombeeld dat altijd droom moet blijven, want als het inderdaad 'zo' is, dan kijkt de kunstlievende mens er met een gevoel van jaloerse ontevredenheid op neer, omdat hij, als puntje bij paaltje komt, helemaal niet na wil denken. Hij weigert mee te denken met een kritische ander, omdat hij de onzekerheid, die een wezenskenmerk is van de echte kunst, haat.
De gemiddelde kunstbewonderaar zoekt in de kunst niet een kritische ander met wie hij zich moet vereenzelvigen, hij zoekt in de kunst een rechtvaardiging voor zijn verlangen op een onnadenkende wijze door het leven te gaan.
Volkskrant-recensent Hans Bouman stipt op een duidelijke, niet mis te verstane wijze dit probleem aan in zijn bespreking van het boek 'Duyvels End' van de Amerikaanse schrijver T.C. Boyle.
Hans Bouman haat verwarring! Hij houdt van schrijvers die de mens een 'positieve boodschap' brengen. En wat dat dan wel is, een positieve boodschap die de mens niet in verwarring brengt, wel, dat zal (ik spreek hier slechts een vermoeden uit) hoogstwaarschijnlijk een situatie zijn, die uit de koker van de 'christelijk-socialistische levensvisie' moet komen - want zoals u allen weet, is de Volkskrant in de jaren tachtig omgetoverd in een positief christelijke krant, waarvan de fundamenten rusten op een breed socialistisch (ander woord voor moralistisch) draagvlak.
De Volkskrant was jarenlang zo positief ingesteld, dat al diegenen die op een niet-ideologische, amorele wijze positief wilden zijn op een harde, barse, maar zeer positieve wijze (dat spreekt vanzelf) de deur werden gewezen.
Een Volkskrantmedewerker die niet door het leven trok met op zijn rug een draagbuidel vol ideologische ballast, die met brede leren riemen om de sterke, trotse schouders is bevestigd, dat was een ondenkbaar beeld.
Die buidel vol positief-idelogische geschriften, allemaal uiterst belangwekkend en sociaal-relevant, diende een tweeledig doel, dat ik hier (om verwarring te voorkomen) graag puntsgewijs wil omschrijven:
1. Men behoorde tot de elite, de hogere mensen, de mensen met moreel gezag, de mensen met sociaal gevoel, de mensen die hun leven in dienst willen stellen van een progressief streven naar verbetering van de levensomstandigheden van 'de zwakkeren', niet op een marxistische wijze - daadwerkelijk dus - maar op een theoretische, volstrekt vrijblijvende wijze,
en, ten tweede:
2. Men kon elke eenling, die het negativisme van het op collectivisme gerichte denken van de moralistische burgerman bloot wilde leggen, op een geraffineerde wijze belachelijk maken, ja, men kon hem zelfs het leven dermate zuur maken, dat zijn positieve streven in de ogen van de onwetende, naïeve toeschouwer niets meer was dan een onzinnige, wellicht zelfs meelijwekkende poging tot aandachttrekkerij - dat alles vanuit de triviale burgermansfilosofie dat het gelijk altijd berust bij de meerderheid: degenen, die de moraal, d.w.z. de macht bezitten.
Het begrip 'positief denken', dat door de gemiddelde Volkskrantmedewerker werd gebruikt, was in feite de ontkenning ervan, een 'negatieve denkwijze', die je aantreft bij opgeschoten jongeren, die op een laffe wijze alleen diegenen aanvallen, die niet in staat zijn zich te verweren.
In een moralistische wereld kan de sterke alleen maar positief zijn door de rechten van de zwakkeren te ontkennen. Zodra de zwakke ander als een gelijke wordt gezien vindt er een aanval plaats op het dualistische machtssysteem waarvan de positieve denker (net als zijn broertje de negatieve denker) de instandhouder is en in dat geval valt het positieve imago in puin, omdat blijkt dat het positieve denken alleen maar gericht is op egovergroting en zelfverrijking. Positief denken (positief, moralistisch denken, beter gezegd) is dus hetzelfde als het recht van de sterkste verkondigen.
Als een belangrijk vertegenwoordiger van het negatieve positieve denken wordt de in Arnhem geboren hypnotiseur en magisch entertainer Emile Ratelband genoemd. Helemaal eerlijk is dat niet, omdat Ratelband - net als Henk van der Meyden - in intellectueel Nederland als een rechtse figuur wordt gezien - en wat rechts is schijnt automatisch slecht te zijn.
Ratelband probeert mensen wijs te maken dat ze alles kunnen, zolang ze zich maar positief in het leven opstellen. "Denk positief en de hele wereld gaat voor je open".
Hij denkt (of hij suggereert - dat laatste zal de waarheid dichter benaderen) dat hij met iets revolutionairs bezig is, maar dat is natuurlijk grote flauwekul. De verkondiging van het positieve denken is al een eeuwenoud gegeven en vormt het fundament van elke ideologische beweging die op een niet rationele wijze aanhang probeert te verwerven.
In de jaren vijftig werd de Amerikaanse dominee Norman Peale wereldberoemd met zijn boek 'The power of positive thinking'.
Het is het positieve denken van de geslaagde republikeinse zakenman die zichzelf biddend en moraliserend omhoogwerkt naar de top en daar aangekomen vol deernis neer blikt op de sukkels die zo dom waren zich 'negatief' op te stellen.
Moralisten realiseren zich meestal niet dat zij hun positieve energie in dienst stellen van negatief ingestelde anderen, die het positieve denken alleen maar aangrijpen om mogelijke schuldgevoelens onschadelijk te maken. Met andere woorden: positief denken geeft alleen maar een geluksgevoel, omdat het de individuele gewetensfunctie in mensen uitschakelt en de mens uitlevert aan ongrijpbare morele instanties die boven hem staan. Geluk is in dat geval dubbele gevangenschap. De anoniem makende een is de gevangene van de anoniem makende ander en beiden zijn niet in staat op eigen benen te staan.
|
Het positieve denken heeft succes - wat ook de critici mogen beweren - en dat succes bewijst dat mensen inderdaad in staat zijn andere mensen te manipuleren. Wat de meeste succesgoeroes zich echter niet realiseren is dat het positief manipuleren van de werkelijkheid ook negatieve impulsen op kan roepen.
Het New Age denken houdt er een holistische denkwijze op na, die inhoudt dat alles met alles samenhangt. Daar vloeit automatisch de gedachte uit voort dat je voorzichtig moet zijn met het manipuleren van de werkelijkheid. Wanneer je op een onnadenkende wijze in gaat grijpen in een systeem waarin alles met alles samenhangt, dan kan het resultaat desastreus zijn.
Adolf Hitler - de grote broer van Emile Ratelband - heeft dat in de jaren dertig bewezen. Hitler behaalde immense successen. Hij was in staat de bevolking zo te manipuleren dat de mensen in staat waren grote prestaties te verrichten. Dat manipulatievermogen domweg ontkennen en uit primitief moralistische overwegingen ("een fascist is het grote niets") niet bereid zijn er over na te denken is een domme zaak.
Waarom werd het Berliijns Philharmonie-orkest jarenlang als het beste orkest van de wereld beschouwd? Heel simpel. Omdat er een dirigent aan het hoofd stond die de orkestleden inspireerde, betoverde...., manipuleerde...
Herbert von Karajan was een manipulator - een dictator. Toch stelde hij als dictatoriale kunstenaar grote groepen mensen in staat te genieten van zijn dictatoriale beinvloeding. Hij was een sociale manipulator. Adolf Hitler echter was een asociale manipulator. Hij kon als kleinburgerlijk politicus alleen maar extreem goed zijn, door tegelijkertijd extreem slecht te zijn.
Wie de geboortehoroscopen van Von Karajan en Hitler naast elkaar legt zal ontdekken dat Von Karajan's ascendant, Boogschutter, de sociale, inspirerende, op geestelijke groei gerichte component vertegenwoordigt die in het nationaal-socialisme ondergeschikt werd gemaakt aan een kleinburgerlijke ressentimentsmoraal.
Een soortgelijke egoistische manipulatiewoede (het jezelf verheffen ten koste van een ander) beheerst het literaire klimaat in Nederland. Alles wat middelmatig is werkt zich op een positieve (d.w.z oppervlakkige) wijze naar de top. Zelfs de profeet van het 'scheppende nihilisme' W.F. Hermans ontkwam niet aan die oppervlakkigheid.
"Slaan en slagen", zo noemde W.F. Hermans in een cynische bui de peilers waarop hij zijn succes als romanschrijver heeft gebouwd.
Zijn kleine dikke opschepperige literaire broertje A. F. Th. van der H. (een kruising van Al Capone en Mata Hari - zie foto hierboven) wil ook graag slagen. Vanachter zijn twee kilometer brede schrijfbureau kijkt hij ons trots aan. Honderdduizend brieven liggen er op zijn bureau, klaar voor de arme lezer die er alleen maar mag zijn om de grootheidswaanzin van deze schrijver in stand te houden.
Adrie van der H. zou je de Emile Ratelband van de Hollandse literatuur kunnen noemen.
Iedere morgen spreekt hij zichzelf op Ratelbandse wijze moed in: "mijn bureau zal nog groter worden, drie kilometer, nee vier, vijf..., en mijn boeken worden dikker en dikker en als alles goed gaat zal ik weldra de grootste en dikste romanschrijver van Nederland zijn."
Wanneer ik dat opschepperige gebral hoor, dan moet ik automatisch denken aan de zielige figuren die achter uiterst kleine bureautjes, kleine negatieve gedichtjes aan het schrijven zijn…
Tobberige figuren, die hun zielige producten op een zielige wijze aan moeten bieden aan rijke patsers, en die, wanneer het ze lukt om iets gepubliceerd te krijgen alleen maar mogen floppen..., omdat niemand in zielige gedichtjes is geinteresseerd.
Wat wil je? In een wereld waarin het inhalige patserdom iedere dag schreeuwt: "IK moet winnen, IK wil alles hebben, IK wil de grootste zijn...?"
Renate Rubinstein maakte ooit W.F. Hermans het (niet geheel terechte) verwijt dat hij - om zijn grootheid te bewijzen - alleen zwakkere tegenstanders uitzocht, die hij dan op een laffe wijze de grond in boorde.
Datzelfde verwijt kun je elke kleinburgerlijke idealist maken, ook de 'positieve' Volkskrant-medewerker. De positieve denker behaalt zijn succes namelijk omdat hij op een heel egoistische wijze aan de kant van de sterksten gaat staan - daaraan ontleent hij zijn kracht.
Je kunt jezelf de vraag stellen waarom mensen, die naar eigen zeggen in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in hoge idealen (kunst, muziek, bestrijding van de armoede, sociale vooruitgang e.d.) zichzelf zo graag belangrijk willen maken.
De lezer weet (en als hij het niet wist dan weet hij het nu) dat ik in het verleden een eenvoudig boekje heb geschreven (Revolutie in het Gekkenhuis), waarmee ik mij op een uiterst provocerende wijze 'groot' wilde maken, een paradox, waar ik met opzet voor gekozen heb.
Hoe kun je, zo redeneerde ik, het verlangen van de burger om 'groot' te willen zijn belachelijk maken?
Precies, door jezelf 'groot' te maken met behulp van eenvoudige attributen. Elke lijder aan grootheidswaanzin zal je onmiddellijk verwijten dat je niks bent - waarop je alleen maar kunt antwoorden dat ware grootheid ook helemaal niks bijzonders is.
Je noemt jezelf de teruggekeerde Christus. Heel simpel en gewoontjes leg je de mensen die uitspraak voor. Maar je bent geen superman, je hebt geen macht en je bezit geen sou! Niemand ziet iets bijzonders aan je, je bent net als alle anderen op zoek naar de meest elementaire zaken die een mens nodig heeft en omdat je een 'Christus-figuur' bent, daarom kun je niet de inhoudsloze rol van kunstenaar spelen.
Een kunstenaar is in dit land iemand die zichzelf op kleinburgerlijke wijze een kunstenaarspet opzet. Zo droegen vroeger alle bekende Nederlandse schilders alpinopetten. Nu dragen ze gelukkig geen rare petten meer. De enige kunstenaar in dit land die nog een rare pet draagt heet A.F.Th. van der H. Die rare pet is zijn bureau en wie zijn bureau op zijn hoofd zet gaat daar zwaar onder gebukt.
Stukje hoogdravend (=onzakelijk) proza van A. van de H. (De Draaideur, 1979)
"De zon kliefde de straat over de lengte in twee precies gelijke helften. De jongens bevonden zich deels, tegen auto's geleund, in de schaduw, deels, met zonnebrillen op, in het volle zonlicht. Op kortmouwige Tshirts las ik de namen van verscheidene Amerikaanse universiteiten. Tussen de witte shirts zag ik drie rode en twee blauwe. (rode wat? WD) De blauwe shirts droegen een zwarte 8 op de rugzijde.
De jongens waren zonder uitzondering baardloos. Op hun bovenlijven, nog niet door deegspijzen opgezet, stond in twee verticale kolommen hun leeftijd geturfd. In reliëf: pansfluiten, door hun strakke shirts verhuld en tevens zichtbaar gemaakt.
Het zonlicht met mijn benen vermalend volgde ik de schaduwlijn in de richting van een Tsplitsing, waar de Via Comesichiama in de Via Comesidice uitmondt. De door de zon uitgestippelde lijn leidde mij feilloos naar de ingang van de bar die zich op die splitsing bevindt."
Een Christus-figuur is een petloze figuur die met het positieve zelfbedrog van bureaucratische opscheppers (bureaucraat - man die de slaaf is geworden van zijn bureau) niets beginnen kan. Hij is verplicht de rol van ernstige eenling te spelen - dat is de essentie van zijn zijnstoestand.
Omdat hij de wereld van de Macht afwijst zal hij genoegen moeten nemen met de rol van machteloze.
Alle negatieve ervaringen in zijn leven zijn niets anders dan een resultante van het egoïstische gedrag van aan macht verslaafde opscheppers. Zij heersen. Hij, als machteloze, wordt beheerst.
Dat alles is volgens het Christendom een kwestie van voorbeschikking. Je zou het Evangelie van Jezus Christus daarom eigenlijk geen blijde boodschap mogen noemen. Dat evangelie laat ons namelijk zien hoe een mens op een jammerlijke wijze de wrede wetten van het Noodlot moet gehoorzamen. Hij tracht er aan te ontsnappen, hij verbergt zich, hij vraagt God hem de beker van het lijden niet te overreiken, maar desondanks stapt een van zijn vrienden op een harde, onverschillige wijze naar de hogepriesters toe, morele gezagsdragers, die weten dat een paar simpele geldstukken machtiger zijn dan alle filosofische en ethische stelsels van de wereld bij elkaar.
Zij, de morele gezagsdragers, vertegenwoordigen het positieve denken. Daarom kunnen zij met behulp van een paar onnozele goudstukken het glinsterende, maar ozo fragiele paleis van de wijsheid vernietigen.
Het Evangelie is daarom een bittere, triest stemmende boodschap. Dat evangelie laat ons zien hoe een eenling met al zijn positieve bedoelingen uiteindelijk toch als een beest behandeld wordt.
Het Christendom vereert een mens die onschuldig stierf. Toen het volk werd gevraagd een keuze te maken tussen hem en de vrijheidsstrijder Barabbas (een man die volgens de geschiedschrijvers met behulp van gewelddadige middelen Palestina los wilde maken uit de greep van Rome), koos men voor de vechtersbaas die (uit opportunistische overwegingen) door de priesters werd gesteund.
Dat was natuurlijk een begrijpelijke zaak. Barabbas was in zeker opzicht een volksheld. Jezus was weliswaar ook populair, maar hij had de bevolking weinig concreets te bieden.
Daar kwam bij dat Jezus het tegendeel was van de vechterbaas. Hij was erg intelligent en - zoals men dat noemde - 'een man van autoriteit', maar iedereen weet dat autoriteiten volstrekt geen imponerende indruk maken in een wereld waarin de sterke man koning is. Doe Wim Kok een judopak aan en zet hem tegenover Anton Geesink, en iedereen zal zeggen: "Doe dat rare, onooglijke intellectuele mannetje maar weg. Geesink heeft een waardige tegenstander nodig.."
Jezus was 'zwak', niet omdat hij zwak was, maar omdat hij de gevangene was van de macht, die in een dualistische wereld intelligente mensen alleen maar kan vernederen.
Honend plaatste men hem een doornenkroon op het hoofd, men hing een rode soldatenmantel om zijn schouders en men bespotte en bespuwde hem.
Een koninkrijk dat niet van deze aarde is... Wie, in godsnaam, bedenkt er zoiets?
Hans Bouman is een recensent die niet van doornenkronen houdt. Met een duidelijk gevoel van afkeer merkt hij op dat T.C. Doyle de lezer na ruim 450 pagina's leesplezier opzadelt met de verwarrende en somber makende conclusie dat de mens een gevangene is van zijn bestaan en dat zijn vrije wil een lachtertje is.
"Dat is een uiterst dubieuze conclusie", stelt hij, "omdat zij het individu ontslaat van elke verantwoordelijkheid. Het verraad zit immers in het bloed, in de botten, dus wat kun je eraan doen?"
Het woordje 'dubieus' in dit oordeel bewijst dat Hans Bouman een subjectieve moralist is. De conclusie is misschien wel waar, maar zij zou eigenlijk niet waar mogen zijn, omdat je er geen (subjectieve) moraal op kunt bouwen.
Daar moet een mens zich goed van bewust zijn: van het onderscheid tussen subjectieve moraal en objectieve moraal. Een objectieve moralist laat zich door de wrede werking van het Noodlot niet ontmoedigen. Hij vindt het niet interessant om slechte mensen te straffen en goede mensen te belonen.
Het Noodlot ontkent de begrippen 'goed' en 'slecht', en het is dan ook geen wonder dat zaken als fatalisme, voorbeschikking en determinisme volgens de astroloog onder de strenge planeet Saturnus vallen.
Saturnus wijst op de harde, minder mooie zijden van het bestaan. Dat is zijn 'noodlottige' plicht! Maar wanneer je zijn boodschap begrijpt en accepteert, dan is er best wel ruimte voor een verdere ontwikkeling.
Eerst moeten er grenzen worden gesteld, spelregels in het leven worden geroepen, en daarna kan er gespeeld worden!
In de jaren zestig en zeventig wilde men alle regels en grenzen op een blinde, onnadenkende wijze overboord gooien. Een nieuw tijdperk zou aanbreken, een nieuwe wereld, waarin jonge mensen op een positieve wijze een einde zouden gaan maken aan de terreur van een autoritaire regentenmaatschappij.
Van vrije wil was er in die jaren geen sprake. Wie weigerde mee te doen werd automatisch uitgeroepen tot negatieve figuur. Dat is nu eenmaal het resultaat van onnadenkend positief denken in een dualistisch systeem. Daarom zullen oppervlakkige positieve denkers al die vormen van wijsheid afwijzen die stellen dat ware wijsheid begint met overwinning van het dualisme.
Dualisme bestrijden wil zeggen dat je het machtsdenken dat aan het primitieve denken ten grondslag ligt aanpakt.
Je kunt wel voortdurend zeggen "Ik wil winnen", en verschrikelijk gelukkig zijn wanneer je alles gewonnen hebt, maar wanneer je niet wilt zien hoeveel verliezers jouw egoïsme heeft opgeleverd, dan ben je misschien een bijzonder positieve kerel, maar wel een positieve kerel die op een uiterst ordinaire wijze over lijken gaat.
Wie in zijn eentje tegenover de meerderheid staat, die realiseert zich dat het woordje 'recht' in veel gevallen een volmaakt zinloos woord is.
Iemand die in een ziekenhuisbed ligt en daar onderworpen wordt aan tientallen medische onderzoekstesten, die weet: 'er wordt met mij gedaan, ik heb niets meer te vertellen over mezelf'.
Moet je in dat geval spreken van een 'dubieuze conclusie'? Of moet je stellen dat hier sprake is van een gezond realiteitsbesef?
Het wezenskenmerk van de toestand 'ziekte' is machteloosheid, en in een wereld zonder macht (en de daarbij behorende toestand van machtelosheid), zou er dan ook geen ziekte bestaan. Het is goed om daar eens diep over na te denken! En als je daar over hebt nagedacht, dan moet je jezelf de vraag stellen of een leven zonder macht denkbaar is…
Binnen een wereld die door het Noodlot wordt beheerst is macht een gegeven dat gewoon bij het leven hoort.
Het verlangen naar macht is niet bij iedereen in gelijke mate aanwezig. Dat is mede het gevolg van de identificatie van het begrip 'macht' met mannelijkheid.
De niet-machtige mens is niet mannelijk. Hij of zij is vrouwelijk en het is zijn of haar plicht zich als een onderdanige vrouw op te stellen.
Een vrouw is onderdanig. Zij dient de man. Zij is niet in staat haar leven op een zelfstandige wijze in te richten. Voor alle essentiële taken in het leven heeft zij een 'man' nodig.
Die machofilosofie beheerst in sterke mate de wereld van de Hollandse Literatuur. Binnen de Hollandse Literatuur staat het 'vrouwelijke principe' op de allerlaagste plaats.
Vrouwelijk, wat is dat, vertaald in literaire termen?
Wel, het antwoord is niet zo erg moeilijk: vrouwelijk, dat is gevoel, het sprookje, de tederheid, het verlangen naar liefde en romantiek, de zucht naar het gewone en het eenvoudige, dat niets kan aanvangen met het blufferige, op manipulatie gerichte machtsdenken van de 'mannelijke' schrijver.
Vrouwelijkheid in de kunst was in de jaren vijftig een gewoon verschijnsel. Muziek, films en literatuur kenden aan mannelijkheid en vrouwelijkheid een gelijke waarde toe.
De rock-and-roll-muziek van de jaren vijftig was mannelijk noch vrouwelijk van aard. Je zou die muziek zelfs androgyn kunnen noemen, een begrip dat door aan de moraal gebonden mensen nooit zal worden gebruikt.
Moraal en androgynie, dat zijn twee begrippen die elkaar schijnen uit te sluiten. Daarom is de Partij van de Arbeid momenteel een partij waarin vrouwelijke mensen zich nauwelijks staande kunnen houden.
Wim Kok kwam als een vrouwelijk-zachtmoedig mens de tweede kamer binnen, maar langzaam maar zeker zag je een vervormingsproces optreden. Hij kreeg een 'P van de A - gezicht', een beetje zurig, met van die harde trekken rond de mond en een uitgesproken pinnige uitstraling, zo van: wie niet werkt die zal niet eten.
Wanneer ik aan de PvdA denk dan moet ik onherroepelijk denken aan die vreemde, duistere uitspraak van Fidel Castro: 'Het Socialisme Of De Dood'.
Eigenlijk moet je - als gewetensvolle denker - de uitspraak van Fidel Castro, 'het socialisme of de dood', ook een dubieuze uitspraak noemen.
Als het menselijke bestaan dan al een gevangenis is, en tot op zekere hoogte is dat het geval, dan moet je er voor zorgen dat binnen die deterministische werkelijkheid niet de negatieve krachten het voor het zeggen hebben.
Noodlot is niet, zoals Hans Bouman het suggereert, een 'ontkenning van de eigen erantwoordelijkheid van het individu'. Integendeel: wanneer Hans Bouman iets zou afweten van het ingewikkelde samenspel van noodlotskrachten (krachten die worden gesymboliseerd door de tekens van de Dierenriem), dan zou hij beseffen dat het Noodlot een mens in twee richtingen kan voeren: een positieve richting, waarin de vrijheid van het individu wordt erkend, en een negatieve richting, waarin, juist omdat de individuele vrijheid (de eigen verantwoordelijkheid daarbij inbegrepen) wordt ontkend, een mens weinig meer mag zijn dan een willoze slaaf, die nooit iets anders mag doen dan het blindelings gehoorzamen van de wetten van het Noodlot.
De negatieve houding van veel linkse mensen tegenover het zogenaamde fatalisme van astrologen is erg moeilijk te begrijpen vanuit een nuchter, objectief levensperspectief. Men ontkent het conservatief-liberale verlangen de samenleving over te laten aan het 'vrije spel' van maatschappelijke krachten. Dat zou een utopisch (dus onrealistisch) ideaal zijn. Maar aan de andere kant stelt men er een even utopisch ideaal tegenover, dat er op berust dat alles vanzelf goed zal lopen wanneer je de burger een baan en een vakbondsjas geeft (een variant derhalve op de liberale 'vrije spel-gedachte'!).
Wie op een nuchtere wijze het leven bekijkt, die weet dat het onzinnig is om een moreel oordeel uit te spreken over een levensvisie. Het al of niet 'dubieus' zijn van een overtuiging die niet optimistisch is bepaalt niet de waarde ervan. Hans Bouman tracht wel die indruk te wekken. Hij probeert doodgewone ernst, die niets angstaanjagends heeft, in de ogen van de lezers een verontrustend imago mee te geven.
Daarmee brengt hij de eerlijke, serieuze lezer in de war! Die lezer weet niet welke houding hij moet aannemen tegenover de schrijver T.C. Doyle. Deugt die man wel? Is hij wel positief-links? Gelooft hij wel in de sociale vernieuwingsplannen van de Partij van de Arbeid?
Want laten we wel wezen, de gemiddelde lezer van de Volkskrant is ondanks alle pretenties die de leden van de redactie uitdragen een uiterst simpele linkse ziel, die aan de leiband van zijn poitieke leiders loopt. Zo iemand heeft nooit geleerd dat ernst nooit en te nimmer voor valse, onzinnige schijnoplossingen kiest.
Ernst laat niet alleen zien dat de mens een gevangene is van het eigen bestaan. Nee, ernst laat vooral zien dat wij ook de cipiers zijn in die gevangenis.
En wanneer een mens zich dat realiseert, wanneer hij ontdekt dat hij zowel gevangene als gevangenebewaarder is, dan gaat hij iets begrijpen van het vreemde, duistere verhaal, 'Voor de Wet', van Franz Kafka:
In zijn werk toont Kafka hoe de individuele mens vermalen wordt tussen de wetten en regels van instanties die 'gezag' vertegenwoordigen. Zijn hoofdfiguren raken geheel verloren in bureaucratische labyrinten. Kafka's beklemmende beschrijvingen hebben zo'n indruk gemaakt dat in het taalgebruik de term 'kafkaesk' in zwang is geraakt voor het aanduiden van bureaucratische toestanden.
Voor de Wet staat een poortwachter. Naar deze poortwachter komt een man van het platteland en verzoekt toegang tot de Wet...
De poortwachter wijst de man op de moeilijkheden die hij zal ontmoeten, en de arme zoeker, die zulke grote problemen niet had verwacht, vraagt zich vertwijfeld af of het wel verstandig is om naar binnen te gaan. Hij vindt het, om de woorden van Hans Bouman te gebruiken, maar een 'dubieuze zaak'.
Gelukkig krijgt hij van de poortwachter een krukje. Dat stelt hem in staat de onrust in te dammen want met behulp van dat stoeltje kun je van jezelf iemand maken die rustig wacht op de dingen die komen gaan, iemand die zijn lot in handen heeft gegeven van een wachter die in een op gelatenheid en lijdzaamheid gebaseerde levensfilosofie de rol van God gekregen heeft.
De jaren verstrijken en de poortwachter praat zo af en toe wat met de man, maar verder gebeurt er niets. Tot op een dag de dood als een wreed noodlotsgegeven zich binnendringt in zijn bestaan en hem op een harde wijze confronteert met de waarheid:
"Vertel me nou eens", vraagt hij aan de poortwachter, "waarom ik de enige was die in al die jaren om toegang heeft gevraagd?" En de poortwachter buigt zich over de stervende man en hij schreeuwt hem toe:
Niemand kon hier toegelaten worden, want deze ingang was alleen voor jou bestemd.
En als de stervende man hem niet begrijpend aankijkt brult hij:
Ik ga nu weg en sluit de poort!
Volkskrantrecensent Hans Bouman bekijkt dat wrede, onterende schouwspel en hij duwt op een wat wrevelige wijze een vinger tegen het topje van zijn neus.
"Een uiterst dubieuze conclusie", mompelt hij, "een welhaast nihilistische boodschap, waar ik als positieve denker - vrees ik - weinig mee kan doen..."
|