|
|
Bij de bronnen van de schoonheid
De zon ging onder en het werd langzaam donker op het Museumplein.
Koperkleurige lichtvlekken dreven weg boven de huizen.
'Wat mooi', zei Andries bedroefd.
Verwonderd zag ik dat hij naast me stond.
Zijn zwarte jekje hing open.
Hij had een marineblauwe trui aan.
Benepen mensen zullen nooit iets proeven van de schoonheid van Andries.
uit: Brieven van de troubadour
Uitgegeven door De Bezige Bij - Amsterdam
|
|