De gebroeders
Karamazow


uit: Het mosterdzaad, toespraken van Shree Rajneesh

"De behoefte aan religieuze zingeving is [..] onverminderd en duidelijk zicht- en hoorbaar aanwezig. We leven niet bij brood alleen. De klassieke instituties, zoals de Kerken en de daarmee verbonden organisaties en verenigingen, zijn evenwel vrijwel uit ons leven verdwenen. Zij hebben verzuimd de traditie levend te houden en de Kerk een bron van vitaliteit te doen zijn, een bron van leven waaraan de westerse mens zich kan laven op het moment van opperste dorstigheid. In plaats van ons te respecteren en naar ons te luisteren, hebben de kerkelijke ambtsdragers zich gehuld in een vaag soort modernisme dat ons afsnijdt van de rijke, in eeuwen geworden traditie óf hebben zij de weg gekozen van het kerkelijke doctrinaire leergezag dat de traditie niet ziet als een levend cultureel fenomeen dat zich, net als ons normen- en waardensysteem, slechts kan handhaven als het onder de levenden blijft, dat wil zeggen meegroeit met het leven van de levende mensen, maar dat de traditie ziet als een absolute wijsheid, die ongeschonden dient te worden doorgegeven aan de levenden en zo mogelijk aan hen dient te worden opgelegd.

Zij zijn de vertegenwoordigers van de dode Kerk, de Kerk van het verleden, die de levenden loochent in hun bestaan, hun idealen, hun pogingen de zin te begrijpen van hun leven hier op aarde."

Pim Fortuyn, in: 'De verweesde samenleving'

ga naar de volgende pagina

Shree Rajneesh (Bhagwan)

Er staat een mooi verhaal in de Gebroeders Karamazov van Dostojewski. Na achttienhonderd jaar dacht Jezus: 'Nu moet ik de aarde opnieuw gaan bezoeken, want na achttienhonderd jaar christendom is de aarde misschien gereed om mij te ontvangen. Nu zullen ze me niet verwerpen, zoals vroeger, want toen was er geen enkele christen, ik was een vreemdeling. Nu is de halve wereld christen; miljoenen kerken en priesters preken voortdurend Jezus' woord. Nu ga ik om ontvangen te worden, verwelkomd, alle deuren zullen voor me open gaan - het was niet de juiste tijd.'
Hij kwam terug, natuurlijk op een zondagmorgen, omdat het op andere dagen van de week moeilijk is te zien wie christen is en wie niet. Dat is onmogelijk, iedereen is hetzelfde. Maar op zondag kun je zien wie een christen is, religie is een zaak van de zondag. Ze heeft niets met het leven te maken, het is een ritueel dat gevolgd moet worden, een formaliteit die moet worden vervuld - zonder ook maar iets van het hart. En hij kwam bij zijn dorp, waar hij achttienhonderd jaar geleden ook gekomen was, Bethlehem. Hij stond op het marktplein, wat bezorgd omdat de mensen naar hem keken en niemand hem herkende, en ze gingen een kerk binnen en kwamen weer naar buiten. En toen verzamelde een aantal mensen zich om hem heen en ze begonnen hem te vertellen: 'Je ziet er net uit als Jezus - je hebt het goed gespeeld, je bent een goed toneelspeler.
Jezus zei: 'Ik ben geen toneelspeler. Ik ben de echte Jezus.'
Ze begonnen te lachen en zeiden: 'Als je de echte Jezus bent, vlucht dan voordat de priester naar buiten komt. Anders kom je ongetwijfeld in moeilijkheden.' Toen begonnen kleine kwajongens met stenen te gooien en de mensen begonnen te lachen: 'De echte Jezus is gekomen, de koning der joden. Dit is de man die ze hebben gekruisigd, hij is opgestaan.'
En ze maakten grappen en lachten, en Jezus was zeer ontdaan, want dit was toch zijn eigen volk; het waren geen joden meer, het waren christenen; ze volgden hem, en zelfs zij herkenden hem niet. Maar hij wachtte, vol hoop: 'De priester zal me in ieder geval herkennen. Dit zijn misschien dwaze, onwetende mensen - maar de priester weet.'
En toen kwam de priester. De mensen hielden op met lachen, uit respekt voor de priester. Ze maakten ruimte voor hem, de menigte stelde hem in staat naderbij te komen, ze bogen in diep respekt. Jezus lachte in zijn hart: 'Ze hebben niet voor mij gebogen, ze hebben me geen enkel respekt betoond, maar ze eerbiedigen de priester. Dat is in ieder geval een goed teken, want het is mijn priester. Door hem zullen ze mij herkennen. Ze herkennen mij door hem, niet rechtstreeks, omdat ze blind zijn en niet kunnen zien.' En toen keek de priester hem aan en zei: 'Kom hier, bandiet. Wat denk je dat je aan 't doen bent? Onze God beledigen ?'
Jezus zei: 'Herken je me niet ?'
De priester pakte hem bij zijn kraag en zei: 'Ik herken je heel goed. Kom, volg me.' Hij nam hem mee de kerk in en sloot hem op in een cel. Jezus was verbijsterd: 'Wat gaat er gebeuren? Zal mijn eigen volk me opnieuw kruisigen?'
En toen 's nachts, kwam de priester met een kleine kaars in zijn hand en ontsloot de deur. Hij deed de deur van binnen op slot, boog diep, raakte de voeten van Jezus aan en zei: 'Ik herken u wel. Maar niet op het marktplein, niet in aanwezigheid van de kerkgangers, want u bent van oudsher een onruststoker. We hebben alles goed voor elkaar gekregen, maar u zult het in de war sturen. Nu loopt alles glad, het christendom is gevestigd; we hebben de halve wereld bekeerd, de andere helft zal vroeg of laat ook bekeerd worden. U moet hier wachten, u hoeft niet te komen. We doen het heel goed - u zou als u hier was niemand kunnen bekeren we hebben het goed voor elkaar gekregen, u moest ons dankbaar zijn.
En we kunnen u herkennen, als er niemand in de buurt is, maar niet als er anderen bij zijn, want u bent anti-priesters, anti-kerken, anti-establishment. En als u aandringt zullen we u weer moeten kruisigen. We kunnen u vereren als u er niet bent, want dat brengt niemand in de war. Alles loopt goed - kijk eens hoe goed we het gedaan hebben. De halve wereld bekeerd, miljoenen kerken en priesters die uw woord prediken. U moest tevreden zijn. Vlucht dus onmiddellijk hier vandaan en kom niet meer terug. Wat u ook wenst te doen, wij zijn uw vertegenwoordigers hier en u kunt het via ons doen. We kunnen niet toestaan dat u zich tussen het volk beweegt. U bent gevaarlijk.'
Die priester vertelt een van de fundamentele waarheden: dat een priester niet religieus kan zijn. Hij is misschien een priester van Boeddha, maar hij is tegen Boeddha. Hij werkt voor hem, of lijkt voor hem te werken. Maar als Boeddha komt staat hij tussen jou en Boeddha en hij laat je niet binnenkomen, want een Boeddha, een Jezus is altijd een rebel, nooit een conformist. Hij kan een revolutie doen ontstaan, maar hij kan geen establishment scheppen.

Fragment uit 'De gebroeders Karamazow'

website president Rusland Aljosja had zwijgend geluisterd; op het laatst was hij erg opgewonden en leek een aantal malen op het punt te hebben gestaan om Iwan in de rede te vallen, maar hij had zich ingehouden. Nu brandde hij los.
"Maar... dat is absurd!" riep hij en kreeg een kleur. "Jouw gedicht is een lofdicht op Jezus en geen afkeuren van Hem – zoals je bedoelde. En wie zal dat over die vrijheid geloven? Moet je het dan op die manier opvatten? Dat is niet de mening van de Orthodoxe Kerk….Dat is Rome, en niet eens het hele Rome, het klopt niet – dat zijn de ergste Katholieken, de Inquisiteurs, de Jezuïeten!... en zo’n fantasieschepsel als jouw Inquisiteur zou niet eens kunnen bestaan. Wat zijn dan die zonden van de mensheid, die zij op zich hebben genomen? Wie zijn die bewaarders van het geheim, die ter wille van het geluk van de mensheid die vloek op zich hebben genomen? Wanneer heeft men die kunnen zien? We kennen de Jezuïeten, er wordt kwaad van hen gesproken, maar ze zijn zeker niet zoals jij ze beschrijft. Zo zijn ze helemaal niet, helemaal niet….Zij zijn gewoon het Roomse leger van het toekomstige wereldse oppergezag, met de Pontifex van Rome als Keizer….dat is hun ideaal, maar daar zit niets geheimzinnigs of verheven zwaarmoedigs in….Het is gewoon machtgeilheid, zucht naar aards gewin, naar overheersing – zoiets als een wereldwijde horigheid met hen als meesters – dat is alles wat ze willen. Ze geloven misschien niet eens in God. Jouw gekwelde Inquisiteur is alleen maar fantasie.”
"Ho, ho," lachte Iwan. "wat ben je fel! Een fantasie zeg je, nou laat het dat maar zo zijn. Maar laat ik je zeggen: denk je nu echt dat de Rooms katholieke beweging van de afgelopen eeuwen in feite alleen maar machtsgeilheid, een zucht naar aards gewin, is geweest? Is dat wat Vader Païsi je heeft geleerd?”
"Nee, nee, in tegendeel, Vader Païsi heeft een keer ongeveer hetzelfde als jij gezegd…maar natuurlijk niet hetzelfde, allesbehalve hetzelfde,” verbeterde Aljosja zich haastig.
"Een waardevolle uitspraak, ondanks je ‘allesbehalve hetzelfde.’ Ik vraag je waarom jouw Jezuïeten en Inquisiteurs alleen maar voor dat verachtelijke aardse gewin hebben samengezworen? Waarom zou er onder hen niet één martelaar kunnen zijn, die onder grote zorgen gebukt ging en die de mensheid liefhad...?


Het barbaarse Europa

Dostojewski [wijst] er steeds weer op dat Europa zich kenmerkt door gewelddadigheid en barbaarsheid in tegenstelling tot Rusland "een machtige en wijze, rechtvaardige en zachtmoedige reus.
Zeer zeker maakt het huidige Rusland die indruk niet, maar ook dit Rusland is door hem geprofeteerd, zij het niet als het definitieve, dat hij ziet als redder der wereld. En omdat hij Europa ziet zoals het is, n.l. gekarakteriseerd door het denken, is voor hem de Russische intellectueel, die zich op het Westen oriënteert en daarbij zijn religiositeit verzaakt, gedoemd vast te lopen en daardoor opstandig te worden. Zijn denken kan hem nimmer geluk schenken.
Dit inzicht heeft hij het duidelijkst in de figuur van Iwan Karamasov ontwikkeld. Als deze tegenover Aljosja zijn denkbeelden uiteenzet, is hij dan ook zeer treurig gestemd. Hoe kan het anders, waar hij in strijd is met zichzelven, met zijn Russisch innerlijk. De kern van zijn innerlijk conflict vloeit voort uit zijn liefde tot het kind, "dat nog niet van de boom der kennis gegeten heeft en dus schuldeloos is". Hij wil buiten alle religiositeit om (en wij herinneren eraan, dat wij dit begrip niet vereenzelvigen met godsdienst of kerkelijkheid) het conflict oplossen, wat hem niet gelukt, daar hij zodoende zichzelf ontkent.
De Rus is religieus, maar Iwan redeneert rationalistisch en splitst het ideëele van het reëele, God van de wereld, geheel volgens Europees recept, kan daardoor de realiteit niet aanvaarden en wordt treurig te moede. Vandaar ook zijn op merkelijke conclusie: "Liever blijf ik in mijn heilige, onstilbaren toorn, zelfs wanneer ik niet in mijn recht zou zijn".
Hij is allerminst overtuigd van de juistheid zijner redenering en inzoverre irrationeel en dus gelovig, zij het op negatieve wijze.

Kenmerkend voor de Russischen geest is de Liefde als bovenzinnelijke liefde, de vrouwelijke Logos, het onmiddellijk eenheidsbesef.

Juist om dit onmiddellijke kon de Grieksch~Orthodoxie zich christelijker noemen, aangezien Christus niet logisch redeneerde, maar zijn leer onmiddellijk stelde voor de mensen.

A. Börger 1947

"...To be a human being among human beings, and remain one forever, no matter what misfortunes befall, not to become depressed, and not to falter - this is what life is, herein lies its task." Fyodor Dostoevsky to his brother Mikhail, Dec. 22, 1849