astro-anarchist



over de gevolgen van een verboden liefdesrelatie

Deze roman handelt over een pedofiele liefdesrelatie, waarbij doelbewust niet gekozen is voor het clichématige beeld van de volwassene als misdadiger en het kind als willoos handelend object, uitgaande van de absolute goedheid van diegenen die pedofilie veroordelen. Zowel de jongere als de oudere partner vertegenwoordigen in dit boek het recht op een vrije keuze voor een vriendschapsrelatie die gebaseerd is op liefde. Het feit dat er zoiets bestaat als liefdeloze pedoseksualiteit, een vorm van seksueel gedrag die geen rekening houdt met positieve gevoelens van liefde, tederheid en respect voor de kinderlijke identiteit van een ander, mag er volgens de auteur niet toe leiden dat er een wereld wordt geschapen waarin liefde en vriendschap tussen jongeren en volwassen domweg niet meer mogen bestaan. Wie liefde verbiedt maakt zich volgens de auteur schuldig aan een vorm van vrijheidberoving die vanuit liberaal-psychologisch standpunt bezien uiterst schadelijk is.



Een compleet boek voor slechts 5 euro

Tegen een kleine vergoeding kan men in het bezit komen van het volledige manuscript als EPUB-bestand (EPUB is een standaardformaat, geschikt voor alle E-book-readers). Daarvoor dient men een bedrag van 5 euro te storten op nr 1364316 t.n.v. W.H. Duzijn, Handellaan 86 te Zwolle met een begeleidend emailbericht waarin de storting wordt bevestigd.

Emailadres: anarchopress@hetnet.nl

Het EPUB-bestand wordt als email-bijlage naar het reactie-mail-adres van de besteller verzonden. Bezit van een E-book-reader is niet noodzakelijk. Diegenen die niet beschikken over een E-book-reader kunnen gebruik maken van het gratis te downloaden softwareprogramma DIGITAL EDITIONS van ADOBE. Daarmee kunnen EPUB-bestanden binnen de gewone desktopcomputer-omgeving worden gelezen.

Centraal thema in HET BLONDE BEEST is het ziekteproces van een jongen die door zijn omgeving psychisch volledig is misvormd, vanwege een liefdesverhouding met een volwassen partner.
Juist in deze tijd, waarin het onderwerp pedofilie binnen zich liberaal noemende intellectuele kringen niet meer bespreekbaar mag worden gemaakt en wordt uitgeleverd aan mensen die een blinde welhaast middeleeuwse heksenjacht willen organiseren, kan dit verhaal ertoe bijdragen dat er op een eerlijke, faire manier onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds op tederheid en wederzijdse affectie gebaseerde relaties en anderzijds relaties, waarbij op een liefdeloze, dierlijke wijze het gebruiken en misbruiken van tot dierlijke sexobjecten getransformeerde mensen centraal staan (elke gedragsvorm die de vrijheid van de ander ontkent).
Daarbij moeten we ons realiseren dat de botte, ongenuanceerde reacties op pedofiel gedrag geen teken zijn van een verfijnde, evenwichtige, vrijzinnige en hoogstaande (laat staan liberale) moraal. Integendeel: de kille, bij tijden moorddadige, veroordelingswoede die de laatste jaren aan het licht treedt wijst er op dat mensen zich het recht toe-eigenen anderen op een volstrekt irrationele wijze hun eigen oordeel op te dringen, niet door middel van liberale, intelligente, vrijheidbevorderende voorlichting, die in dienst staat van de bescherming van het zelfstandig keuzerecht van mensen, maar door het toepassen van het genadeloze wapen van een onderdrukkende, beperkende (populistisch-wraakzuchtige) moraal, die de meest dierlijke en kwaadaardige impulsen in mensen stimuleert - waarmee zij de ontkenning is van de meest elementaire grondrechten van het kind:
Jezelf als onafhankelijk individu binnen een liberale samenleving, in relaties met liefdevolle anderen, mogen ontdekken en ontwikkelen.

De auteur van dit boek, Wim Duzijn, debuteerde in het jaar 1980 met de verhalenbundel 'Revolutie in het Gekkenhuis', verhalen die een breuk wilden bewerkstelligen met de heersende literatuuropvattingen, die er volgens de auteur op zijn gericht de lezer in te lijven in een burgermanswereld, waarin slechts plaats is voor oppervlakkigheid, levensangst of oeverloos gezeur.

Andere Ebook-uitgaven van dezelfde auteur: Revolutie in het Gekkenhuis (leerzame verhalen - debuutbundel, gepubliceerd in 1980), De Gouden Fallus (een erotisch sprookjesboek), Gewoon een wonder (liefdesgedichten), De vrouwenmoordenaar (verhaal over haat, bloed en geweld), Het Grote Sterven (breken met de wereld), Het Einde der Tijden.


Hieronder zijn een paar korte fragmenten uit het verhaal geplaatst.

HET BLONDE BEEST

fragment uit deel een

Er zijn bommen op het huis gevallen en iedereen is dood!

De blonde jongen glimlacht. Aarzelend zoekt hij zich een weg door de zwart geblakerde puinhopen. Heel alleen. Een kleine, ranke gestalte die, vanwege zijn soepele, lenige beweeglijkheid, scherp contrasteert met de starre lompheid van de chaotisch neergeworpen brokken staal en beton.
Af en toe staat hij stil. Zijn glimlach groeit uit tot een triomfantelijk lachen. Met de armen over elkaar gevouwen blikt hij hooghartig neer op de mensen waarmee hij jarenlang heeft samengewoond.
Ze zijn ontploft. Meer valt er over hen niet te zeggen. Zoals je kikkers uit elkaar kunt laten spatten door ze op te blazen, zo laat je mensen exploderen met behulp van een bom. Op de meest vreemde wijze liggen ze nu voor hem: Zonder armen of benen, met gescheurde kleren, sommigen bijna naakt, anderen op een welhaast obscene wijze hem uitnodigend tot een geheime en zeer verboden handeling.
'Nu ben ik eens een keer de baas', denkt hij grimmig, 'nu kan ik eindelijk mijn eigen leven leiden, zonder dat een van die gruwelijke bemoeials in staat is mij iets te verbieden...'
De zon werpt een warm schijnsel over het macabere tafereel waar de blonde jongen deel van uitmaakt. De wind streelt liefkozend zijn verhitte wangen en heel die wonderbaarlijke werkelijkheid, in al zijn duistere pracht, vervult hem met de meest opwindende geluksgevoelens.
Hoe vaak heeft hij in het verleden die verschrikkelijke wezens niet dood gewenst? O, mijn god, dat is niet te tellen gewoon... Een miljoen maal misschien, of misschien wel honderd miljoen keer - iedere seconde van iedere minuut die hij zich kan herinneren.
Alle jaren door hadden ze niets anders gedaan dan hem tegenwerken. Steeds opnieuw vertelden ze hem hoe hij moest leven, wat hij doen moest en wat hij niet moest doen, en wat hij ook deed, hoe hij zich ook inspande om het noodlot een andere wending te geven, steeds had hij het onderspit gedolven.
Het was een samenzwering! Dat wist hij zijn hele leven al. De hele troep spande op een domme, klootzakkerige wijze samen tegen hem. En nooit was er ook maar iemand geweest die zich uit de meute losmaakte om het voor hem op te nemen.
God, daar had hij jarenlang van gedroomd. Dat iemand aan zijn kant ging staan en op een hele kalme, rustige manier tegen de anderen zei: 'Laat die jongen toch met rust, laat hem gewoon zijn eigen gang eens gaan, jullie moeten wat meer vertrouwen in de mensen hebben...'
Nee, niemand was er werkelijk op zijn hand geweest. Ze hielden elkaar de hand boven het hoofd. Ze stroopten elkaar de broek van de billen voor een stevige, schaamteloze likpartij en ze kozen op een hatelijke, samenzweerderige wijze voor een wereld waarin zij alles mochten, maar waarin hij alleen maar mocht creperen.
Op een onverschillige wijze schuift hij de resten van een met bloedkorsten overdekt lijk opzij. "Ik ben niet dood", grinnikt hij, "ik ben onkwetsbaar, mij kan geen enkele bom meer deren..."

God, wat had hij gelachen toen de bommen vielen. Alles om hem heen versplinterde en verviel tot rotzooi en puin.., en hij: hij stond rustig toe te kijken en hij lachte! Goed, toegegeven, aanvankelijk was ook hij een beetje bang geweest, moest ook hij huilen van angst en pijn, maar dat was maar een uiterst kort moment van zwakte geweest, want naarmate de rotzooi groter werd verminderde de angst en begon hij zich steeds beter op zijn gemak te voelen. Ja, hoe heviger het angstgehuil om hem heen werd, des te sterker en machtiger voelde hij zich, en hij begreep dat de mensen om hem heen - al die likkende, lesjesuitdelende mooipraters die hem het leven onmogelijk wilden maken - niets anders waren dan laffe, slappe wezens, die je met behulp van één enkele bom onschadelijk kon maken.
"Daar liggen ze met hun grote bekken", mompelt hij, "wat kunnen ze nu nog doen? Waar zijn hun regels gebleven, hun mooie, dure wetten? Wat is er geworden van hun prachtige, schijnheilige opscheppersfatsoen? Eén enkele bom en weg is hun schaamtegevoel, dat smerige, schijnheilige gevoel waarmee ze mij dag in dag uit zaten te kwellen..."

fragment uit deel twee

Al die overdreven flauwekul van mensen, daar moest hij niets meer van hebben. Jaren van ziekte en troep hadden hem de betrekkelijkheid daarvan wel laten inzien. 'Alles is ijdelheid en het najagen van de wind', had zijn moeder een keer gezegd toen zij een verhaal voorlas uit de Bijbel en hij had iedereen aan tafel zien knikken en hij had heel hard in zichzelf gevloekt omdat hij wist dat al die knikkende mensen logen.
Als alles ijdelheid was, wat deed zij daar dan aan zijn ziekbed? Waarom snikte ze voortdurend en bad ze tot een God die zijn profeten de ijdelheid van het menselijke gedoe laat verkondigen? Ze moest eens een keer nadenken en zich gaan afvragen waarom hij voortdurend in coma lag.
Tja, ze dacht dat hij doodging, maar dat was helemaal niet waar. Zijn ziekte was geen poging om dood te gaan maar - integendeel dus - een poging om nog iets van zijn saaie, beroerde leven te maken.
Wat moest hij in dit grote, lege huis van zijn ouders zoeken? Wie kon hem er op gezellige wijze bezighouden? Wie deed leuke spelletjes met hem? Wie kon hem aan het lachen maken? Wie kon hem bevrijden van die vervelende gevoelens van angst en twijfel?
Zij met hun Bijbel en hun zogenaamde zekerheden waren in feite de onzekerheid zelve. Met al hun evangelische blijheid kapselden zij hem in in een sfeer van zwaarmoedige troosteloosheid.
Wat in godsnaam hadden zij hem te bieden? Wat bleef er over als hij zijn ziekte opgaf? Niks hield hij over als hij niet meer in coma kon gaan..; alleen het gezwam van zijn broer en het gezever van de dominee zouden overblijven, dom gelul, waar je nooit eens heerlijk bevrijdend om kon lachen.
En dan zijn tante.., god o god, wat haatte hij dat vervelende, krengerige mens, die tang, dat oude hatelijke wijf, dat voortdurend zat te roddelen over anderen en nooit eens een goed woord voor een ander over had. Roddelen, roddelen, roddelen.., iets anders kon ze niet en vaak had hij bij zichzelf gedacht: Jij vals truttenwicht, als je zo door blijft roddelen, dan groeit je kale kut nog dicht.
O, hij kon soms zo kwaad worden op die huichelaars, hij kon zich zo aan hen ergeren, dat hij de gekste leuzen en rijmpjes bedacht, de een nog flauwer dan de andere, alleen maar om zich af te reageren.
Iedere keer wanneer hij weer een onzinnig rijmpje had ontworpen bulderde hij van het lachen en hij begreep zelf vaak niet waarom hij er zo uitbundig om moest lachen. Misschien omdat hij aanvoelde dat al die volwassen, serieuze mensen zijn gedichtjes flauw vonden en hem daarom veroordeelden...?
Ach, wat kon het hem ook schelen. Het waren zijn rijmpjes en hij maakte ze in een wereld die voor hun niet eens toegankelijk was.., en hij rijmde er daarom lustig op los:
Over de Paus: Lak aan die lul met zijn bezopen flauwekul. Over de Koningin: Val van het dak, dik wijf met je mond vol kak. Over de Dokter: Lik me reet, jij kale pillenneet. En ook over zijn broer en over zijn tante.., en ga zo maar door.
Hij bewaarde die rijmpjes voor de juiste ogenblikken, wanneer hij strontmisselijk was van het gezeur om hem heen. Dan sloot hij zijn ogen, liet het bloed wegstromen uit zijn wangen, slaakte een diepe zucht en kroop vol wraaklust boven op de kast.

fragment uit deel zeven

Hij herinnert zich zijn lieve jeugdvriend, die men op woeste, onbarmhartige wijze uit zijn leven weg geslagen had, en hij denkt: Als zo'n lieve, zachte kerel doodgeslagen moet worden omdat hij een duivel zou zijn, welke waarde kan je dan nog toekennen aan hun oordeel? Zij veroordelen een ander klakkeloos, zomaar, zonder na te denken, omdat zij iemand moeten haten en niet beseffen dat haat meestal niets meer is dan een blinde, domme kracht, die van mensen willoze marionetten maakt. Hun domme, blinde haat maakt de liefste en tederste mensen tot duivels en als je daartegen in opstand komt, dan denken ze niet na, nee, dan slaan ze jou ook dood.
Je kunt de mensen niet serieus nemen, mompelt hij, want ze weten niet wat ze doen.


wim duzijn, zwolle - holland


Het Blonde Beest of de Verschrikkelijk Jongen
inhoudsopgave met beginzinnen

01. Er zijn bommen op het huis gevallen en iedereen is dood! - 02. Hij was eigenlijk al heel lang ziek, zo lang als hij zich heugen kon. - 03. Hij had gewacht, jarenlang, en zijn geduld was beloond. De Grote Wereldbom was gevallen... - 04. Hij was twaalf jaar oud toen hij voor het eerst in aanraking kwam met de volwassen wereld van haat- en schuldgevoelens. - 05. De jaren van ziekte waren vreemde jaren. Het waren jaren, waarin hij een soort dubbelleven leidde... - 06. De bleke jongen in het grote bed was zich nauwelijks bewust van zijn 'tweede ik'. Hij was ziek, daar had hij zich bij neer gelegd... - 07. De schim van de zieke bleke jongen gelooft niet in de Satan. - 08. De bommen waren gevallen. De boel was ontploft, aan stukken geblazen, en nu liep hij nieuwsgierig rond op de rokende puinhopen. - 09. Boven op de kast aan zijn zilveren koord, de gehate navelstreng, die hem op een vreemde, magische wijze met de zieke wildeman beneden hem verbond... - 10. Toen zijn bewuste bestaan zich nog grotendeels afspeelde in de magische wereld van het zilveren koord... - 11. De blonde jongen keek verward om zich heen. Wat was er aan de hand? Waar was hij geweest? Wat gebeurde er toch met hem? - 12. Het had een hele tijd geduurd voordat de blonde jongen iets vernam van de Grote Wereldbom... - 13. De schim van de blonde jongen blikte vanaf de hoge kast neer op het monotone gebeuren beneden hem... - 14. De lieve vriend uit zijn jeugd..., wie was dat? Waarom had hij hem nooit kunnen vinden? Waar was hij gebleven? Leefde hij nog wel? - 15. Hoog boven op de puinhopen, in het bleke licht van de rijzende zon, denkt de blonde jongen terug aan de verschrikkelijke dagen waarop de bommen vielen. - 16. Intussen zit de volwassen jongen, die de vriend is van Marcel, genietend in de zon op de veranda van zijn riante villa. - 17. Marcel, die op een kinderlijke wijze verschrikkelijk trots is op zijn donkerrode broek en zijn zwarte T-shirt, is niet langer bang....

Zie ook:

1. Fatsoen en moorlust
2. Pierre et Gilles (fotografie) & Michel Dhondt (jongensgedichten)