DE DOOD VAN DE DOORBRAAK
over het recht anders te mogen zijn


"Anders dan veel van zijn collega's is Michael Krüger
een schrijver die tegen iets stelling neemt."

Oscar van Weerdenburg, in de Volkskrant van 14 april 1989



Weinig mensen zullen de schrijver Michael Krüger kennen. Daarom is het belangrijk aan te geven wat hem zo belangrijk maakt dat er hier een artikel aan hem wordt gewijd. Lange beschrijvingen en inhoudsopgaven van literaire werkstukken zijn daarvoor niet nodig. Nee, een enkele zin kan hier volstaan. En die ene zin luidt: "Michael Krüger is een schrijver, die 'anders' is."

Dat zeggen ze van mensen die zich gedragen op een wijze die niet in overeenstemming is met wat 'men' doet. Wanneer 'men' zegt dat iets goed is dan is het goed. Wanneer iemand die 'anders' is iets zegt, dan is zijn uitspraak in 99 van de 100 gevallen slecht. Omdat 'men' dat zegt. Wat dat betreft zal de menselijke samenleving nooit wezenlijk veranderen. Mensen blijven kuddedieren en de mens die 'anders' is zal zich daarom altijd geplaatst zien tegenover de kolossale massaliteit van het eeuwige, anonieme 'men'.

Het 'men' vecht altijd voor een collectieve zaak. Daarom spreekt men over 'men'. Dat 'men' wil zich als collectief afzetten tegen een ander collectief en daarom zal het 'men' zelden wezenlijke veranderingen bewerkstelligen in een samenleving, tenzij het de gedachten absorbeert van mensen die niet behoren tot het 'men'.
Het 'men' heeft niet de televisie uitgevonden. Het heeft wel de televisie geaccepteerd en wanneer je dat beseft, dat de enkeling iets uitvindt en dat de massa iets accepteert, dan begrijp je hoe belangrijk het is de massa ertoe te bewegen iets nieuws aan te nemen. Mensen die de massa kunnen bereiken zijn dus niet zomaar onbeduidende figuren, ook al denken ze dat vaak wel van zichzelf. Ze zijn heel erg belangrijk en daarom zullen machthebbers alles op alles zetten om zulke mensen onder hun controle te brengen. Massificatie noemt men dat in wetenschappelijke kringen.
Gemassificeerde media zijn de dood van de democratie. Gemassificeerde schrijvers zijn de dood van de cultuur.

Daarom is het belangrijk dat er af en toe wat enkelingen opduiken die 'anders' zijn. Michael Krüger is zo'n enkeling. In een tijd waarin zich 'jong' noemende schrijvers het Grote Niets op de troon plaatsen, wil hij ergens voor vechten. Niet voor iets dat niets is, nee, voor iets dat zichtbaar, tastbaar en voelbaar is, en dat juist daarom de ontkenning is van de abstracte, nietszeggende zweverigheid van de aan het 'niets' verslaafde middelmatige mens.
De middelmatige mens is een wezen dat praat, zwetst en ouwehoert zonder te weten waarover het praat, waarom het praat en waar het met dat praten naar toe wil.
Bla bla bla in de Bondsrepubliek, staat er in vette letters te lezen boven het Volkskrantartikel van Oscar Weerdenburg, maar dat woordje 'bondsrepubliek' had hij rustig weg kunnen laten. Ouwehoeren en oeverloos zwetsen over 'niets' is een universeel verschijnsel. Het is het handelsmerk geworden van de middelmaat: een middelmaat die altijd en eeuwig de ernst de vaste grond onder de voeten weg wil slaan.

De middelmaat kan zich op velerlei wijze manifesteren. Michael Krüger spreekt over de protestcultuur van de jaren '60, die volgens hem als eindeloos gezwets voorwoekert. Het kenmerk van zo'n praatcultuur is dat er vooral geen sprake mag zijn van concrete resultaten. De discussie staat in dienst van het voortzetten van de discussie. Alles wat men doet is het opvoeren van een toneelstukje en iedereen weet wat een toneelstukje is: een spel met woorden, gespeeld door mensen die niet daadwer­kelijk betrokken zijn bij de tekst die wordt uitgesproken.

Mensen zijn schizofrene wezens.
Praten, denken en handelen hoeven niet in overeenstemming te zijn met elkaar. Men wil de mens veranderen en men vergeet dat men zelf mens is. Men wil de maatschappij in een andere vorm gieten en men ziet het feit over het oog dat de maatschappij geen steenklomp is, die je naar believen met een hamer en een beitel kunt bewerken, maar een bonte kluwen mensen met zeer uiteenlopende karakters, meningen en verlangens, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze allemaal ergens bij willen horen, zodat een gesprek met een ander welhaast onmogelijk is, omdat je niet de ander ontmoet, maar het collectief waar hij deel van uitmaakt.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog werd de Partij van de Arbeid opgericht vanuit het verlangen de irrationele groepsvorming binnen de Nederlandse maatschappij aan stukken te breken.
Op dat verlangen werd het strijdbare etiket 'de Doorbraak' geplakt. Het moest afgelopen zijn met het onnadenkende, irrationele kliekjesgedrag van de mensen, zo redeneerde men, want er moest op rationele wijze gekozen worden voor een programma.
Maar als je dan bekijkt voor welk programma er gekozen moest worden dan valt je onmiddellijk op dat het programma als zodanig helemaal geen breuk betekende met een verzuild verleden, omdat men rustig voortbouwde op het sociaal-democratische verleden van de SDAP, een arbeiderspartij die zowel socialistisch als anti-marxis­tisch wilde zijn (een welhaast onverenigbare combinatie, omdat het marxisme niets anders is dan de concrete realisering van het socialis­me).
Die wijsheid schud ik niet zomaar uit mijn mouw. Ze is ontleend aan een boekje van Volks­krant­redactrice Anet Bleich: Een partij in de tijd - Veertig jaar Partij van de Arbeid.
Daarin kun je lezen dat de partij-van-de-arbeid-elite het begrip doorbraak op een uiterst primitieve wijze interpreteerde. We moeten er voor zorgen, zo redeneerde men, dat confessionelen niet automatisch meer stemmen op een confessionele partij en als we dat doel hebben bereikt dan kunnen we stellen dat er sprake is van een nieuwe situatie, dan is de verzuiling doorbroken en hebben we een open maatschappij opgebouwd.

Wie goed nadenkt over die stelling ziet al snel in dat een dergelijke doorbraak geen breuk betekent met een verzuild verleden. Een echte doorbraak ontstaat daar waar mensen kiezen voor sociaal denken, dat wil zeggen: een denkwijze die afrekent met het idee dat de moraal het exclusieve bezit is van de eigen groep.
Binnen een sociale partij staan mensen met verschillende karakters naast elkaar: de egoïst naast de altruïst, de arbeidzame mens naast de luie mens, de emotionele mens naast de zakelijke mens, de zachtmoedige naast het hatelijke secreet.
Een sociale partij staat in dienst van de sociale mens en zij verwerpt leidersfiguren die niet in staat zijn de mens te zien als een uniek individu met een eigen karakter, dat niet onderdrukt maar ontwikkeld dient te worden.

De Partij van de Arbeid is eigenlijk nooit een echte sociale partij geweest. In de jaren vijftig werd onder leiding van Willem Drees weliswaar gekozen voor een harmoniemodel, maar de verzuiling maakte men niet ongedaan. Integendeel, men sloot zichzelf op in het bolwerk van de 'rode familie' en iedereen die de eigen familie durfde te kritiseren werd in de ban gedaan. In de jaren zestig werd dit schrale harmoniedenken overboord gezet, terwijl tegelijkertijd het idee van 'de rode familie' werd versterkt. Men koos blindelings partij voor marxistische bevrijdingsbewegingen, men weigerde de vernietiging door Sovjet-troepen van 'het socialisme met een menselijk gezicht' in Tsjecho-Slowakije te veroordelen, men was tegen het liberalisme, tegen het 'grauw' genoemde midden van D'66, tegen de personalistische Katholieke Volks Partij, tegen het idee van een progressieve volkspartij, men maakte de universiteiten kapot met behulp van onzinnige anti-autoritaire inspraakideeën en men wilde het regenteske denken binnen de partij ongedaan maken door zelf superregent te worden.

Zo kon het gebeuren dat voorstanders van de republiek zich lieten benoemen tot Commissaris van de Koningin. Mensen die de inkomensverschillen wilden verkleinen werden neoliberale topmanagers met topinkomens, die zich op het ogenblik in kolossale luxeauto's met chauffeur laten rondrijden. En de spreiders van kennis, inkomen en macht kozen voor een steriel, vervreemdend intellectualisme, dat macht wil hebben, alles wil weten en er niet over denkt het hoge inkomen dat voortvloeit uit die zinloze opeenstapeling van kennis en macht te delen met anderen. Kortom: de jaren zestig betekenden het einde van het idealistische verleden van de Partij van de Arbeid. De filosofie van de doorbraak, die toch al weinig voorstelde, was dood.

Doorbreken betekent in feite: kiezen voor het Midden, dat wil zeggen: breken met de ideologie van de massa, die weigert het anders zijn van de enkeling als positief, stimulerend gegeven in de maatschappij te accepteren.
Het midden is derhalve kleurloos, in die zin dat het geen ideologisch karakter bezit, maar het schept tegelijkertijd een sfeer waarin ruimte wordt geboden aan idealisten, omdat een vrijheidslievend mens er niet over zal peinzen het spontane, ongebonden idealisme in de mens belachelijk te maken.
Ont-ideologisering stelt de mens in staat door te breken naar zichzelf. En iedereen die op de hoogte is van de klassieke wijsbegeerte weet wat de oude wijzen zeggen:
Alleen wie zichzelf vindt, vindt de ander. Alleen hij is waarlijk sociaal, die in staat is grenzen te doorbreken.

Mensen die het dogmatische denken op religieus, politiek en cultureel gebied weigeren aan te vallen behoren (zo kun je op grond hiervan concluderen) tot de meest asociale wezens zijn die er op Gods aardbodem rondlopen.

Wim Duzijn, 14 april 1989,
Brief aan de redactie van de Volkskrant.


INFO

Michael Kruger was born in Saxony in 1943, grew up in Berlin, and has lived for more than twenty years in Munich. Although a prose-writer, publisher, essayist and critic of note, and also the editor of the important German literary magazine Akzente, he is best known in his own country as a poet.

The Swiss writer Adolf Muschg calls Kruger `a well-disguised mystic . . . a scribe who has got beyond books, to the point where the wisdom of masters begins-the absurd wisdom which writes its final word on water. It would not be entirely wrong, either, to call Kruger a master of the love-poem, a first-rate painter of landscapes and climates, a reviver of the Roman Elegy, a painter's poet. But he is all these things with a difference: there is a "remainder" which-in rational terms-should not exist, which one will only discover if one is not looking for it and which is . . . everything.'

Interview:
"Warum muss () alles wieder erzaehlt werden? Das ist ja eine Frage, die man sich stellen kann - muss! Da eigentlich diesen alten Erzaehlungen nichts Neues hinzugefuegt wurde. Das haengt damit zusammen, daß die Sozialverhaeltnisse so kompliziert geworden sind, daß man sie gerne in Form von Buechern noch einmal erzaehlt bekommt.
Ich glaube, das ist der einzige Trend, den man sehen kann: weg vom Experiment, vom sprachlichen Experiment, und zurueck zu funktionierenden Geschichten. Das ist der Siegeszug der amerikanischen Literatur."