Er was eens een jongen met een prachtige bos blond krullend haar en heldere, diepblauwe ogen en die jongen woonde in een moderne, centraal-verwarmde torenflat op de twaalfde verdieping - hetgeen dus iets heel anders is dan de zielige, verweesde jongens, die door ouderwetse sprookjesvertellers gedwongen worden hun dagen te slijten in kille, armoedige hutjes: je kent ze wel, die kleine, sombere optrekjes, die altijd gelegen zijn in een donker bos, waar achter elke boom het duistere onheil op de loer ligt...
Die hoge torenflat dan, was opgebouwd uit glas, beton en staal, en hij bevond zich midden in een groot weiland, waarin af en toe wat koeien graasden en waar je soms, als het mooi weer was, een paar kleine kinderen kon aantreffen die bloemen plukten, een verschijnsel dat langzaam maar zeker tot een 'dwaas en kinderachtig' verleden ging behoren, omdat de meeste kinderen tegen hun ouders zeiden dat ze hun bloemen maar beter in de supermarkt konden kopen, hetgeen een opvatting is, waar vanuit een louter praktisch standpunt iets voor te zeggen valt, hoewel ze niet getuigt van een overgrote mate van hartelijkheid - dat zal eenieder die dit leest moeten toegeven.
De blonde jongen die op de twaalfde verdieping woonde van het reusachtige bouwwerk dat uit meer dan twintig woonlagen bestond, hield van een lui leventje, want hij was, zoals zijn omgeving het noemde: een 'asociale jongen', die de bijzondere mening was toegedaan dat de wereld aan een teveel aan vlijt en eerzucht hopeloos ten onder gaat.
Het liefst lag hij spiernaakt in een grote, leren 'relax-fauteuil', die samen met een reusachtige kleurentelevisie het enige meubilair uitmaakte in de woonkamer, en dan dronk hij zoete, donkergroene limonade uit een flesje, of hij at een broodje met achterham of met paling, en hij lag daar maar en deed behalve televisie kijken niets anders dan dromen en fantaseren, de hele dag door...
Misschien zijn er nu lezers die denken dat deze 'asociale jongen' door en door verdorven en slecht was, een klaploper wellicht of een vreselijke nietsnut en parasiet, maar die wraakzuchtige, moralistische opvatting, die naar mijn mening het produkt is van een instelling die de 'arbeidende mens' tot God verheven heeft, wil ik hier ten stelligste bestrijden.
De jongen uit dit verhaal, die we van nu af aan Robbie zullen noemen, omdat hij met die naam graag aangesproken wilde worden, was gewoon een jongen met een zachtaardig, lui karakter, en zoals er jongens zijn die niets anders willen dan hard werken en zwoegen, alleen maar omdat ze dat fijn vinden, zo zijn er ook jongens die gewoon niets willen doen, omdat het de enige manier is waarop ze zich kunnen ontwikkelen en ontplooien.
Robbie was altijd al een luiwammes geweest. Als kleine peuter moest hij niets hebben van wilde, vermoeiende spelletjes, die altijd werden georganiseerd door eerzuchtige, bazige types, die bevelen en commando's schreeuwden, en hij trok zich het liefst terug in de beslotenheid van zijn eigen kamer, waar hij zich naakt uitkleedde en zich overgaf aan allerlei bizarre dromen en fantasieën, want op dat gebied was hij een meester, ja, men zou zelfs kunnen zeggen: een geboren genie.
Zo nam hij vaak een spiegel mee naar zijn kamer en die legde hij plat op de grond neer om er daarna met gespreide benen boven te gaan staan, zodat hij een duidelijk zicht had op dat geheimzinnige gebied, dat altijd verborgen moest blijven, omdat het volgens de mensen een 'vies gebied' was.
Urenlang staarde de kleine blote jongen naar zijn rimpelige kontgaatje en hij ontdekte al snel dat je de spieren die dat gaatje gesloten hielden kon spannen en ontspannen, zodat hij via regelmatige oefeningen het proces van openen en sluiten onder volledige controle trachtte te krijgen.
Al snel kon hij, op ieder gewenst moment, zijn kontgaatje zover opensperren als hij maar wilde. Genietend staarde hij naar de spiegel en keek toe hoe er een diepe, mysterieuze holte zichtbaar werd, een rozig gat, dat je deed denken aan de geheime opening die meisjes tussen hun benen hebben, en die holte vormde de bron voor een bont scala van vieze dromen en gedachten.
Ja, Robbie was in veel opzichten een 'vieze jongen' en daar schaamde hij zich in het geheel niet voor. Integendeel, hij was er zelfs trots op!
'Iedereen is netjes en ze zijn altijd bezig met iets', dacht hij regelmatig bij zichzelf, 'maar ik ben liever lui dan moe en ik vermaak me wel op mijn eigen manier.'
Zijn vriendjes keken nooit naar hun kontgaatje, want daar hadden ze geen tijd voor, en misschien ook vonden ze het niet behoorlijk wanneer een jongen in zijn geheime gaatje tuurt, en dat zou best eens zo kunnen zijn, want er waren in de tijd waarin Robbie leefde bijzonder weinig luie, zwoele en zachtaardige jongens die voor hun eigen karakter durfden uit te komen.
Lief, lui en zwoel zijn, dat leerde men de kinderen niet op school en er was niet één onderwijsinstelling in het hele land, waar een jongen een diploma 'Lui En Zwoel Zijn' kon behalen, hetgeen natuurlijk een verbazingwekkende, ja, zelfs onbegrijpelijk zaak is.
Bakkers kregen hun 'bakkersdiploma', rechters hun 'rechtendiploma', maar lieve, luie en zwoele jongens hadden helemaal geen eigen school, zodat ze zonder maatschappelijk diploma door het leven moesten gaan, en dat vond Robbie verschrikkelijk oneerlijk.
Naarmate hij ouder werd begon hij in te zien dat jongens zoals hij, met een gevoelig, sensueel en zachtaardig karakter, veel te kort kwamen in het leven. Niemand om hen heen waardeerde hun bijzondere kwaliteiten en dat kwam natuurlijk vooral door de weigering van de autoriteiten hen een 'diploma' te geven.
"Met lief, lui en zwoel zijn kan een mens zijn brood niet verdienen", voegde men de zachte, dromerige Robbie op harde, bitse toon toe, en vaak kreeg de arme jongen de neiging in wanhopig huilen uit te barsten, omdat hij van nature een zachtaardige, sensuele jongen was, die met behulp van 'hard werken' zijn wezenlijke verlangens niet tot uitdrukking kon brengen.
Na zijn schooltijd had hij een paar weken gewerkt in een onderneming waar het ouderwetse kapitalistische dogma dat 'tijd geld is' nog volop van kracht was, en hij was daar zo verschrikkelijk moe van geworden, dat hij naar de dokter van dat bedrijf was gestapt met de mededeling dat hij doodziek werd van al dat harde werken.
En de bedrijfsarts, die diep in zijn hart ook een luie en zachtaardige man was, had hem bevoeld en beknepen, en nadat hij tenslotte ook nog de bloeddruk van Robbie had gemeten had hij op een zorgelijke wijze het hoofd geschud en Robbie meegedeeld dat hij misschien niet geschikt was om mee te draaien in de moderne, prestatie-gerichte maatschappij.
Robbie staarde de man tijdens het uitvoerige betoog belangstellend aan en hij luisterde vol gretige nieuwsgierigheid toe:
"Ja", zei hij, "u hebt gelijk, deze maatschappij is veel te hard voor mij, want met mijn karakter wil geen mens rekening houden..", en in zijn grote, dromerige ogen verscheen een blik van intense dankbaarheid.
"Je bent heus niet slecht hoor, als je niet in staat bent het moordende tempo bij te houden", zei de ander, en Robbie lachte, zodat er diepe kuiltjes in zijn wangen vielen, die zijn gezicht een vrolijke, guitige uitdrukking verleenden, en hij knikte instemmend, want zo dacht hij er zelf ook over.
Als kind al had hij in een groot, dik boek, dat de mensen 'Bijbel' noemden, een verhaal gelezen over een zachtmoedige man, die ook niet werkte, omdat hij naar zijn mening voor geregelde arbeid niet geschikt was, en dat verhaal ging als volgt:
Wees niet bezorgd voor je ziel, met betrekking tot wat je zult
eten en drinken, of voor je lichaam, met betrekking tot wat je
zult aantrekken, want betekent de menselijke ziel niet meer dan
voedsel en het lichaam niet meer dan kleding?
Kijk naar de vogels: ze zaaien niet en ze oogsten niet, noch
vergaren ze zichzelf voedsel in voorraadschuren, en toch voedt
de hemelse vader ze.
Leer een les van de leliën des velds, want ze zwoegen niet en
spinnen niet, en zelfs de grootste koningen kunnen hun schoonheid niet overtreffen.
Wees dus nooit bezorgd, en zeg niet 'wat zullen wij eten?',
of 'wat zullen wij drinken?', maar zoek eerst het koninkrijk
der hemelen en zijn rechtvaardigheid, en daarna zullen de
andere dingen je gegeven worden...
Tijdens het lezen van dat verhaal, dat volgens sommige mensen door God zelf was geschreven, had Robbie instemmend gemompeld en hij had een snipper papier in het boek gelegd, zodat hij de bewuste passage gemakkelijk terug zou kunnen vinden.
Wat konden hem de onnozele gedachten van zijn vriendjes schelen. Die domoren wisten niks van rechtvaardigheid af: ze liepen met hun grote 'voetbalschoenen' plompverloren over zijn naïeve, zachtaardige gedachten heen en ze konden van alles, behalve een lieve, luie en zwoele dromer wezen in een maatschappij die steeds harder, wreder en meedogenlozer werd.
Nee, Robbie was tot het inzicht gekomen dat hij zijn naïeve dromen maar beter niet weg kon gooien. Als de maatschappij te hard was, dan hoefden de zachtmoedige mensen daar toch niet de dupe van te worden?
Je kon toch niet in lengte van dagen blijven doorgaan met het kapotmaken van zachtaardige, zwoele en luie mensen?
Maar als hij de mensen op zijn eigen naïeve wijze vertelde dat hij graag een school wilde oprichten waar de mensen konden leren weer 'lief en lui en zwoel' te worden, dan lachten ze hem uit en dan riepen ze: "Wie moet er dan voor ons geld verdienen?"
"Geld?", vroeg Robbie, "geld? Waarom denken jullie altijd in de eerste plaats aan geld? Er zijn toch belangrijker waarden in het leven dan geld?" En hij schudde verbaasd het hoofd heen en weer, terwijl zijn diepblauwe ogen een helder, welhaast goddelijk licht uitstraalden.
Nee, Robbie liet zich niet imponeren door despoten en tirannen die niet konden leven zonder geld en werk. Hij realiseerde zich dat dergelijke mensen naïeve jongens zoals hij kapot wilden maken. Zij maakten van de wereld een tranendal, waarin de mensen in het 'zweet des aanschijns' moesten ploeteren en soebatten voor een paar armoedige centen, alsof het leven een straf is, een ondraaglijk juk, dat de mens wordt opgelegd door een beul, of een strenge, boosaardige rechter, die nog nooit in zijn leven een moment van 'luiheid, liefheid en zwoelheid' heeft gekend.
Het leven hoeft geen hel te zijn, dat was de levensovertuiging van Robbie, en niemand was in staat hem op andere gedachten te brengen.
Hij was dan ook een zeer tevreden mens toen de doktoren hem arbeidsongeschikt verklaarden, want nu bezat hij eindelijk een soort diploma, een verklaring die hem het recht gaf niets te doen in een wereld die aan vlijt ten onder ging.
Lui lag hij in zijn grote, dure relaxfauteuil te dromen en terwijl hij daar heel onbeschaamd niets lag te doen kwam door de geopende schuifdeuren, die in gesloten toestand een scheiding vormden tussen de woonkamer en het balkon, de wind zijn kamer binnen, niet zomaar wat kille tocht of zo, nee, het was de Westenwind die hem bezocht, een koele, ongenaakbare verschijning, die je af en toe deed huiveren, wanneer hij je aanraakte, zodat er beelden in je hoofd opkwamen van rivieren en oceanen, en snelstromend water, met hoge, witgekopte golven...
Ja, als de Westenwind Robbie bezocht, dan droomde hij van een reusachtig zeilschip, dat met zijn hagelwitte zeilen over het geheimzinnige, blauwe wateropopervlak van de wereldzeeën voer, omgeven door een veelkleurig waas van uiterst fijne, zachtglanzende waterdruppels.
Naakt stond hij op de zwartgeteerde voorplecht van het schip en vol sensueel welbehagen liet hij de koele waterregen op zijn huiverende, door de zon gebruinde lichaam neerkomen.
In straaltjes liep het zilte zeewater over zijn stevige, platte borst, en ook over zijn rug, tot in zijn bilnaad, en af en toe streek hij met een vinger over zijn tepels om het zoute korstje dat zich daar vormde te verwijderen.
Wanneer hij daar naakt, geil en wellustig over de wijde oceanen zeilde dan voelde hij zich een koning, een goddelijk heerser, die ondanks het feit dat hij geen macht bezat, want hij was niets meer dan een dromer op een schip zonder bemanning..., de hele wereld naar zijn hand kon zetten.
Zijn tengere jongenslichaam groeide in zijn dromen uit tot een indrukwekkend kunstwerk dat zelfs door de grootste kunstenaars op aarde niet kon worden uitgebeeld.
Zijn ranke, gebronsde gestalte, die werd omstraald door een aureool van licht en water vormde een schril contrast met de lichamen van de mensen in de harde maatschappij van droomloze werkers.
In die fantasieloze wereld werden de lichamen van de mensen verminkt en misvormd. Daar werden ze vet en vunzig. Daar sneden hardwerkende ambachtslieden dagelijks in de geteisterde lijven van doodzieke mensen en er heerste in de ziekenhuizen een sfeer van verval en ellende, omdat niemand meer wist hoe je een menselijk lichaam mooi moet maken.
Robbie was een van die zeldzame wezens die nog weten wat werkelijke 'schoonheid' is. Wanneer hij achter het stuurrad van zijn prachtige, statige zeilschip stond, dan werd er niet met messen in lijdende en kermende mensen gesneden, nee, dan was alles zachtheid, liefheid en zwoelheid om hem heen en niemand was in staat die harmonieuze orde te verstoren.
De wind gehoorzaamde hem, zoals ook de zee dat deed, want Robbie was in dit dromenrijk Heer en Meester, een machteloze Koning, een goddeloze God die juist vanwege zijn goddeloosheid waarlijk goddelijk was.
Daar op dat schip hoefde een mens niet te zwoegen en te ploeteren voor een hongerloontje. Op dat schip heerste een sfeer van vrijheid, en zo hoorde het ook volgens Robbie, want het leven hoeft geen straf te zijn.
'Ik wil geen mensen bestraffen', zei Robbie vol overtuiging tegen zichzelf, want ik wil over niemand macht uitoefenen, en dus bleef hij in zijn grote relaxfauteuil liggen, wachtend op de komst van de Zuidenwind, die een geheel ander karakter bezat: zwoel en sensueel, een tikkeltje vurig, broeierig en hitsig zelfs, zodat je bloed ervan ging koken.
Opwindende hete en geile gedachten vulden het vertrek wanneer de Zuidenwind hem bezocht, en naarmate hij geiler werd openden de poriën van zijn lichaam zich, zodat de sfeer nog zinnelijker werd, omdat de penetrante geur van ranzig jongenszweet eraan werd toegevoegd.
Zwetend zag Robbie zichzelf liggen op een wit zandstrand, aan de voet van een hoog, steil oprijzend rotsmassief, waaruit zich hier en daar korte, gedrongen struiken naar buiten worstelden, waarvan sommige takken beladen waren met grote trossen exotische, peervormige vruchten.
Het lauwwarme water van de zee stroomde in strakke regelmaat over zijn naakte lichaam en hoe hoger de zon aan de hemel kwam te staan, des te geiler en zinneprikkelender werd het wrijven en strelen van de warme, zwoele zee.
"Ik vind je lichaam mooi", fluisterde de zee, en hij (of zij, want in feite is de zee zowel mannelijk als vrouwelijk..) wierp een grote golf water op Robbie's borst.
"Ik vind je lief en geil", hijgde de zee, en een klein golfje werkte zich onder zijn samengetrokken ballen, zodat ze heel even omhoog veerden, als waren het grote, met gas gevulde ballonen, die op willen stijgen naar het peilloze blauw van een oneindig wijde en grenzeloze hemel.
O, als de zwoele zee zijn verlangens aan Robbie kenbaar maakte, dan hijgde en kreunde Robbie en het liefst zou hij zijn zaad de lucht inspuiten, maar hij hield zich in en lag kronkelend van geilheid op het witte strand, volledig in de ban van het warme, wellustige monster aan zijn voeten.
Een groot, geil beest, dat was de zee op dergelijke ogenblikken, en wanneer zijn reusachtige, vochtige handen hem omvatten werd alles oneindig groot en ruim om hem heen, alsof er in het geheel geen wereld meer bestond.
In die grenzeloze, met passie gevulde ruimte bevond zich niets anders dan het zwetende lichaam van Robbie, en dat lichaam groeide uit tot een ziedende orkaan van emoties, omdat het deel uitmaakte van een zwoele, warme, de gehele kosmos omvattende zee...
Stromen zaad zouden straks vanuit zijn kleine, stevige jongensballen omhoog spuiten en de wereldzeeën zouden dat zalige jongenszaad met zich meevoeren en het een andere dromer aanbieden, een jongen zoals Robbie wellicht, iemand die misschien nog zwoeler en wellustiger was; wie weet?
Ja, we kunnen rustig stellen dat Robbie met zijn onpraktische, op nietsdoen ingestelde levensopvatting volkomen ontstegen was aan de wereld.
Op het moment waarop wij hem verlaten drijven zijn majestueuze dromen en fantasiebeelden als grote, witte stapelwolken boven de aarde, en zij vormen daar een tegenwicht tegen de duistere, zwarte gedachten van al die mensen, die dag in dag uit beweren dat dromen zinloos zijn, hetgeen natuurlijk een boosaardige leugen is, zoals de lezer van dit verhaal begrijpen zal, omdat hij heeft kennisgemaakt met de gevoelsrijke wereld van een van die ogenschijnlijk nutteloze dromers:
De goddelijke werkelijkheid van een jongen, die alleen maar Lief en Lui en Zwoel wilde zijn.