erotische verhalen



de gouden
F-A-L-L-U-S
erotische verhalen


de prins die niet wilde trouwen


Het kan misschien ongelooflijk klinken, maar het nuvolgende verhaal handelt over een Prins die met geen enkel meisje in het land wilde trouwen, zelfs niet met een Prinses, die zo rijk was dat zij baadde in het geld.
Ik denk dat sommige nog erg jonge en onervaren lezertjes bij het horen van deze mededeling heel verbaasd zullen opkijken, zoals ik ook vreemd opkeek toen ik dit schokkende nieuws hoorde, want het is inderdaad een zeer opmerkelijk feit, wanneer een lid van het Koninklijke Huis 'nee' zegt tegen een zo verheven zaak als het 'huwelijk dat wordt gesloten tussen man en vrouw'.
De vader van deze weigerachtige prins, Koning Constantijn, was dan ook uiterst verbolgen toen zijn zoon hem op niet mis te verstane wijze duidelijk maakte dat hij niet van plan was ooit in zijn leven in welk huwelijksbootje dan ook te stappen, tenzij..., en dat maakte de Koning nog veel gramstoriger, er zich een 'mooie, lieve prins' in dat bootje bevond.
"Weet je wel dat je het voortbestaan van de dynastie daarmee in gevaar brengt?", voegde hij de Prins op barse toon toe, maar deze wierp hem een onverschillige en eigenlijk uiterst on-Hoffelijke blik toe en antwoordde: "Mijn leven is veel belangrijker dan welke Koninklijke dynastie ook!" En daar kon Koning Constantijn het mee doen.
Nou, jullie zullen begrijpen dat de Koning zeer uit zijn doen was. Zijn gezicht werd vuurrood en omdat zijn hoofd begon te jeuken, hetgeen hem altijd overkwam wanneer hij kwaad was, daarom zette hij zijn met juwelen bezette kroon af, om vervolgens mokkend - en blootshoofd..! - de Koninklijke woonvertrekken te verlaten.

Tja, dat was werkelijk een verschrikkelijk probleem waar hij nu mee werd geconfronteerd. Hij bezat namelijk maar één zoon en wanneer die zoon niet wilde trouwen, dan kwamen er geen nieuwe troonopvolgers en wie zou dan in de toekomst het Koninkrijk moeten besturen?
En omdat het probleem zo gigantisch groot was, daarom besloot de Koning na lang wikken en wegen de Raad van Wijze Mannen bij elkaar te roepen, in de hoop gezamenlijk met hen tot een passende oplossing te komen.
Urenlang vergaderde hij met dit college, waarin de knapste en meest geleerde mannen van het Koninkrijk zitting hadden genomen, maar erg praktisch waren hun voorstellen en suggesties niet. Tot er uiteindelijk een geleerde opstond, die wel vijftig kleinkinderen bezat, zo geleerd was hij..!, die de Koning de raad gaf opnieuw in het huwelijk te treden, zodat de kinderen uit dat huwelijk tot troonopvolger konden worden gemaakt.
"Zo'n eigenzinnige jongen met afwijkende gedachten die het voortbestaan van de dynastie in gevaar brengt mag het land niet besturen", zei hij, "want het is de taak van een Koning het volk het goede voorbeeld te geven, en wat voor een voorbeeld is een Koning die niet op een fatsoenlijke wijze trouwen wil?"
'Ongehoord', 'schandalig', 'obstinaat' en 'ongepast', hoorde je mompelen in de schemerige vergaderzaal, die slechts verlicht werd door het spaarzame schijnsel dat via felgekleurde glas-in-lood-ramen naar binnen viel, en omdat de vergadering al zo lang duurde werden er op een teken van de Koning dienbladen met heerlijke lekkernijen rondgedeeld, waaraan eenieder die daar aanwezig was zich gulzig tegoed deed.
De vice-voorzitter van de Raad, die de vergadering leidde, riep op een gegeven moment op luide toon,maar helaas met volle mond, zodat zijn mededeling onverstaanbaar was: "We moeten..dr...dro..vedrobb...en.dan...vedoe.., zo stel ik voor!", waarop de Koning geduldig 'aangenomen' zei, omdat hij als voorzitter van de Raad geen enkel advies naast zich neer mocht leggen.

En aangezien iedereen de mond vol had met lekkernijen, daarom wilde niemand een woord toevoegen aan de wijze woorden van deze geleerde Raadsman, zodat de Koning besloot de zitting op te heffen. Hij klopte daartoe met zijn gouden voorzittershamertje op de vergadertafel, zodat de leeggegeten gouden bordjes rinkelden en rammelden, en hij riep met krachtig stemgeluid: "Mijne heren, de vergadering is gesloten..."
Een luid geroezemoes klonk op, en terwijl de leden van de Raad hun lippen en handen schoonwreven met behulp van servetten die waren vervaardigd uit kostbaar wit damast, maakte men zich gereed om de zaal te verlaten. De vice-voorzitter, die als eerste de zaal verliet, klampte de Koning aan en hij fluisterde hem op vertrouwelijke wijze in het oor dat het eten meer dan voortreffelijk was geweest, en ook de andere Raadslieden namen hem terzijde en iedereen maakte de Koning duidelijk dat hij beschikte over de beste kok van het hele land.
Nou, en daar mocht de Koning het mee doen en de verstandige lezer zal dan ook begrijpen dat hij niet bijzonder tevreden was. Veel wijzer was hij niet geworden van hun geleerde suggesties en nu moest hij de leeggegeten gouden bordjes nog opruimen ook...
Gelukkig kwam een lakei hem helpen en zo was alles snel weer op orde!

'Hertrouwen', dacht hij bij zichzelf, 'daar heb ik eigenlijk helemaal geen zin in...', en dat kwam omdat de Koning al aardig op jaren was gekomen, zodat zijn teelballen bijna geen zaad meer produceerden, terwijl zijn penis slechts zelden overeind kwam, hetgeen een bron van schaamte voor hem was.
Stel je voor dat zijn gemalin aan iedereen zou gaan vertellen dat hij niet in staat was haar vrouwelijke verlangens te bevredigen? Dan zou zijn Koninklijke waardigheid in het gedrang komen en dat mocht onder geen enkel beding gebeuren. Nee, hij was de Koning van het land en het volk moest in hem een 'sterke, krachtige figuur' zien, die de titel 'Majesteit' waardig was. Een Koning was in de ogen van het volk namelijk een afgezant van God en hij diende daarom ver boven de alledaagse werkelijkheid te staan: Waardig, dapper, plichtgetrouw en natuurlijk uitermate rein in woord en daad en gedachte!
Zo was vloeken en het smalend uitspreken van de naam van 'god' ten strengste verboden in het paleis en volkse, ordinaire gewone-mensen-spelletjes als 'klaverjassen' en 'mens-erger-je-nieten' werden niet toegestaan, omdat dergelijke 'vulgaire bezigheden' agressief, boosaardig gedrag in de hand werkten...; naar de mening van de Koning...
Zelf had hij in zijn jeugd aan het Hof van een buitenlandse vorst op een dag een partijtje 'mens-erger-je-nieten' gespeeld en daarbij zo ongelooflijk verloren, omdat de andere deelnemers op samenzweerderige wijze alleen maar zijn pionnen van het bord smeten, dat hij, aangegrepen door een vlaag van hevige drift, het bord op de vloer gesmeten had, en dat was zo'n rampzalige gewaarwording geweest, omdat iedereen er op hooghartige wijze schande over had gesproken, dat hij het zijn leven lang niet meer vergeten zou.
En de Koning, die niet driftig mocht worden, wreef daarom peinzend en met een vreemde, starre trek op het gelaat het blad van de grote ovaalvormige vergadertafel schoon, opnieuw en opnieuw, en pas toen de duisternis buiten reeds lang was ingetreden en een lakei de kaarsen in de kroonluchters aanstak, verliet hij de zaal, teneinde zich op weg te begeven naar de Koninklijke woonvertrekken.

Zijn zoon, de eigenzinnige prins, die weigerde de Hof-etiquette in acht te nemen, lag lui uitgestrekt op een brede, met donkerrood pluche beklede divan.
"Ik heb zojuist vergaderd met de Raad van Wijze Mannen", vertelde de Koning hem, maar de Prins zei 'boeh' noch 'bah', zo verdiept was hij in een erotisch boekwerkje dat de lof bezong van de liefde tussen twee jongens.

'De mannelijke penis, die zacht is en rond', zo las hij, en het waren de woorden van een Arabische dichter die hij tot zich nam, 'is door God geschapen voor de tere, kleine anusopening, want voor de brede, vrouwelijke schaamspleet is hij veel te klein...'
En de Prins las vol verwondering dat alleen die man een vrouw kan behagen die de beschikking heeft over een orgaan dat in uiterlijk doet denken aan een reusachtige houthakkersbijl, en hoewel hij die vergelijking eerlijk gezegd niet bijzonder fijngevoelig vond, was hij desondanks de mening toegedaan dat de Arabische dichter gelijk had, want hij was een smalle, slanke jongen en zijn pik was weliswaar lang, maar erg dun en zijn ballen waren zachte, bevallige buideltjes die bedekt waren met een donzig laagje kroezig schaamhaar.

Zijn vader, de Koning, keek beschaamd neer op zijn eigenzinnige zoon, die daar op schaamteloze wijze een erotisch boekwerk aan het lezen was.
'Hoe heb ik hem kunnen verwekken', dacht hij, 'het is maar goed dat zijn moeder dit alles niet hoeft mee te maken', en hij voelde de neiging in zich opkomen om dat walgelijke, immorele boek aan duizend stukken te scheuren, hetgeen hij natuurlijk niet deed, omdat het toegeven aan ordinaire driftaanvallen volkomen in strijd is met de regels van de Hof-etiquette, waaraan elk lid van het Koninklijk Huis - dus ook de Koning - zich te houden heeft.
"De raad heeft mij voorgesteld om opnieuw in het huwelijk te treden", zei hij, zo waardig als in deze situatie maar mogelijk was, en de Prins wierp hem vanover de rand van het erotische boekwerk een spottende blik toe, en riep: "Jij, op jouw leeftijd? Nou, je doet maar wat je niet laten kunt. Jij liever dan ik!"
De Koning slikte manmoedig een paar scheldwoorden weg, die zich, ondanks een jarenlange training, op brutale wijze in zijn keel naar boven hadden gedrongen, en hij zette plichtbewust zijn meest bedroefde, verdrietige gezicht weer op.
"Denk jij wel eens aan je plichten?", sprak hij de prins op vermanende wijze toe, "denk jij ooit wel eens aan de belangen van ons Koninkrijk?"
En de prins staarde hem op een broeierige wijze aan met zijn donkere ogen, waarin twee helle fonkelende lichtjes als vurige kolen opgloeiden, en hij voegde zijn vader op minachtende wijze toe: "Denk jij ooit wel eens aan mij?"
De Koning beet zich op de lippen, zodat het bloed er bijna uitsprong, en hij schreed zo kalm en waardig als mogelijk was in de gegeven omstandigheden de kamer uit, vervuld van de onwankelbare zekerheid dat hij een nieuwe vrouw zou nemen.
En de volgende dag reeds beklommen de herauten van de Koning in de vroege ochtenduren de kantelen van de paleismuren en zij bliezen op ferme, krachtige wijze op hun schalmeien en verkondigden met luide stem de volgende boodschap: "De Koning Zoekt Zichzelf Een Vrouw..!"

Het spreekt vanzelf dat dit nieuws zich snel verspreidde. Uit alle streken van het land kwamen de meisjes aangestroomd, zittend op ezels en paarden en oude boerenkarren, en zij ondernamen die tocht omdat zij het als hun plicht zagen de belangen van het Koninkrijk te verdedigen, daar was iedereen het over eens...
Vol welbehagen zag de Koning vanaf het balkon van zijn kamer neer op de grote schare die zich voor het paleis verzamelde en hij mompelde op verbeten wijze: "Ik zal die opstandige bengel een lesje leren, en dan zal hij wel anders praten." Want de Koning was nu erg wraakzuchtig geworden, en de regels van de Hof-etiquette nam hij daarom niet meer zo nauw...
De prins echter was zich van geen kwaad bewust. Hij lag tevreden op de divan, temidden van een stapel zachte fluwelen kussens en las ontroerd de romantische ontboezeming van de Arabische dichter El-Lyte:

O, moge de Hemel de Lieftallige Jongeling zegenen,
Die mij behaagde met zijn zachte stekel...
Hoe zoet vergleed de nacht bij hem,
En welk een heerlijk genot vond ik,
Gesloten in zijn stevige armen...

En hij liet zijn harde, dunne jongenspik heen en weer glijden in de warme, vochtige holte van zijn hand en zweefde in gedachten naar verre, Oosterse landen, waar donkere Arabische jongens met zwarte lokken en ogen zo groot en vochtig als de ogen van de reekalven in de Koninklijke tuinen, hem omringden, en hun naakte lichamen tegen hem aandrukten.., terwijl intussen in de grote troonzaal de Koning zichzelf een vrouw uitzocht.

Honderden meisjes trokken langs de gouden troonzetel en tenslotte, na overleg met de leden van zijn hofhouding, koos hij voor een jonge, forsgebouwde vrouw, die er sterk en krachtig uitzag, want hij dacht bij zichzelf: 'Zij zal mijn onwillige zoon tot inkeer moeten brengen.'
Het huwelijk werd gevierd met grote pracht en praal en de nieuwe Koningin kreeg de naam 'Rosalinde', en dat wilde zij zelf, omdat zij in het gewone leven 'Liesje' heette en dat is bepaald geen koninklijke naam - zeg nu zelf...
Toen zij van haar echtgenoot vernam dat de Kroonprins zijn tijd verdeed met het lezen van erotische boeken ontstak zij in hevige woede en zij riep: "Daar moet onmiddellijk paal en perk aan worden gesteld!", en de Koning wreef zich gniffelend in de handen en hij mompelde: "Nu zal ongetwijfeld alles anders worden..."
Het duurde niet lang of er weerklonken huiveringwekkende scheldwoorden vanuit de kamer waar de Prins lag uitgestrekt op zijn met kussens overdekte divan en urenlang trilde en schudde het paleis op zijn grondvesten, zo dol en hevig waren de ruzies die er werden uitgevochten. Tenslotte rende de Prins briesend van woede de Koninklijke woonvertrekken uit en hij snelde door de lange gangen van het paleis en begaf zich naar een studeerkamer in een van de torens, waar hij zichzelf opsloot, omdat hij zijn stiefmoeder nooit van zijn leven meer wilde zien.
Koningin Rosalinde vaardigde daarop het verbod uit de Prins in zijn toren te bezoeken en ze zei tegen haar man, de Koning: "Van nu af aan hebben wij geen zoon meer!"
De Koning knikte en dacht teleurgesteld bij zichzelf: 'Dan zal ik haar dus toch moeten neuken..', en hij ontbood op stel en sprong de koninklijke lijfarts, die hem een kristallen karaf overhandigde, met daarin het extract van vlierpitten en duivelspeper, vermengd met fijngemalen stiereballen, omdat dat, naar zijn zeggen, een probaat middel was om potentiestoornissen op te heffen.

En, o wonder, de Koning voelde inderdaad na het innemen van dat stimulerende middel het bloed weer stromen in zijn geslachtsdelen en hij wist, ondanks het feit dat hij een hoogbejaarde man was, drie kinderen te verwekken bij zijn nieuwe vrouw, die daar natuurlijk erg mee in haar schik was.

De Prins in zijn hoge torenkamer hoorde het nieuws van de geboorten via de officiële aankondigingen van de herauten op de paleismuur en hij luisterde naar het gejuich van het volk en dacht enigszins bitter bij zichzelf: 'Zouden ze mij vergeten zijn, ik ben toch de Kroon-prins?', en hij koesterde die gedachten, omdat hij niet wist dat de Hoge Raad van het Koninkrijk zijn rechten op de troon vervallen had verklaard: "Op grond van gebleken krankzinnigheid."

Jaren gingen voorbij en niets opmerkelijks gebeurde. Tot op een dag de oudste zoon van Koningin Rosalinde en Koning Constantijn, prins Friso, naar zijn moeder toestapte en haar vroeg wie toch die vreemde man was, die hoog boven in de verboden paleistoren woonde, want het was hem opgevallen dat daar regelmatig iemand voor het raam zat, een aardige jonge man, die hem soms op vriendelijke wijze toelachte.
"O, daar moet je niet op letten, dat is de knecht die de zolders schoonmaakt", antwoordde zijn moeder op stugge wijze, want de eigenzinnige Prins in zijn hoge torenkamer bestond voor haar niet meer.
Maar de jonge Friso nam geen genoegen met dat antwoord en omdat hij een zeer nieuwsgierige jongen was, daarom glipte hij, op een moment waarop de wachters die de toegangspoort bewaakten even niet opletten, de toren binnen en zonder enig dralen beklom hij de wenteltrappen, die omhoogvoerden naar de verblijfplaats van de krankzinnig verklaarde Prins.
"Wie is daar?", riep de Prins toen er op de deur van zijn kamer werd geklopt, en de stoutmoedige bezoeker antwoordde: "Ik ben het, prins Friso, en ik kom hier om te controleren of je de zolders wel goed hebt schoongemaakt..."
De krankzinnig verklaarde Prins barstte in lachen uit en hij opende de deur.
"Zozo", zei hij, "dus ik maak tegenwoordig de zolders schoon", en hij spuwde de jongen op het hoofd.
"Waarom doe je dat, knecht?", riep de jongen verontwaardigd en met een vies gezicht verwijderde hij de klodder spuug uit zijn haar, door er met de mouw van zijn fluwelen wambuis over heen te strijken.
En de Prins, die zich verschrikkelijk beledigd voelde, pakte de jongen beet en wierp hem op de grond.
"We zullen eens zien wie hier de knecht is", mompelde hij, en hij overhandigde de jongen een doek en beval hem de vloer te boenen.
De arme jongen, die totaal beduusd was door deze ruwe behandeling, barstte in tranen uit, want hij was per slot van rekening de nieuwe kroonprins en op zo'n onwelvoeglijke wijze had nog nooit iemand hem behandeld.
Zo erbarmelijk huilde hij, en op zo'n aandoenlijke wijze, dat de boze Prins door een intens medelijden werd bevangen.
"Zo was het niet bedoeld", fluisterde hij, en hij streelde de snikkende jongen over het hoofd en droogde zijn tranen af met een zijden zakdoek, waarop in gouden letters zijn initialen waren geborduurd.
'Dus jij bent de nieuwe kroonprins', dacht hij, want hij had begrepen dat men in het paleis zijn rechten niet langer erkende, en hij zette zich neer in een schommelstoel bij het raam en staarde minutenlang bewegingloos voor zich uit.
Prins Friso zat op de vloer en snikte nog een beetje na. "Ben jij dan niet de knecht die de zolders schoon moet houden?", vroeg hij, toen hij over de ergste schrik heen was.
De Prins haalde de schouders op en antwoordde: "Waarom zou ik de zolders schoonmaken als het vuil in de Koninklijke woonvertrekken ligt?", maar de jongen begreep hem niet en frunnikte op zenuwachtige wijze aan de veters van zijn schoenen.
"Kom", zei de Prins, en hij stond op, "het is tijd dat we naar beneden gaan, want ik wil niet langer een kluizenaar zijn", en hij nam de jongen, die hem met een mengeling van verbazing en ontzag aanstaarde, bij de hand en daalde samen met hem de trappen af.

"Ai", riep hij, toen hij de schitterende paleistuin betrad, "dit heb ik lang moeten missen", en hij streelde met zijn linkerhand de donkerrode bloemen van een berberia-struik, terwijl hij met de rechterhand een blad afplukte van een donkergroene citroenheester, die een frisse, prikkelende geur verspreidde.
"Zalig", mompelde hij, terwijl hij het blad tegen zijn neusgaten drukte, en hij wandelde via het tuinpad, dat was bedekt met glinsterende zeeschelpen, die onder het gewicht van zijn lichaam krakend opensprongen, naar de vijver, in het midden waarvan zich een witmarmeren beeldengroep bevond, waarover het water van tientallen fonteinen klaterend uitstroomde.
De jonge kroonprins volgde hem op een afstand, want hij was razend nieuwsgierig, maar toen de Prins dat merkte joeg hij hem weg, waarop de jongen naar het paleis rende om zijn moeder te vertellen wat hem was overkomen.
Koningin Rosalinde was zeer ontsteld toen zij het bericht vernam dat de Prins zijn zelfopgelegde kluizenaarschap had opgeheven en zij ontbood het hoofd van de Paleiswacht, teneinde hem het bevel te geven de Prins onmiddellijk te arresteren, aangezien hij wegens zijn toestand van verregaande krankzinnigheid een acute bedreiging vormde voor haar kinderen.

Gelukkig werd de arme doodverklaarde Prins niet door iedereen aan zijn eenzame lot overgelaten. Hij bezat een Beschermfee, die over hem waakte als was hij haar eigen zoon, en van haar vernam hij het bericht dat zijn boze stiefmoeder van plan was hem gevangen te laten nemen.
"Je moet vluchten", zei de Goede Fee, die zich in het geheel niet stoorde aan het feit dat de prins 'verdorven erotische boeken' las, en zij overhandigde hem een fonkelende ring, die de magische kracht bezat hem onzichtbaar te maken in ogenblikken van gevaar.
Toen dan ook de Paleiswacht de tuin binnenmarcheerde was daar niemand aanwezig, aangezien de Prins zo verstandig was geweest de verdwijnring om een van zijn vingers te schuiven.
'Het is tijd dat ik vertrek', dacht hij, en nadat hij nog even om zich heen had gekeken, verliet hij het Koninklijke Paleis, waar zijn stiefmoeder met straffe hand regeerde.

Maar op een dag, jaren en jaren waren voorbijgegaan, overleed Koningin Rosalinde en toen het bericht van haar overlijden tot de Prins doordrong juichte zijn hart, want hij begreep dat de bittere tijden van eenzaamheid en ballingschap voorbij waren, en hij besloot zo snel als mogelijk was terug te reizen naar het land van zijn geboorte, waar men zo lange tijd zijn bestaan had ontkend.
Aangekomen bij het paleis werd hij verwelkomd door prins Friso, uitgegroeid inmiddels tot een stevige, gespierde jongen, die op vriendschappelijke wijze een arm om zijn schouders sloeg.
"Kom", zei hij, en zijn ogen vertoonden een trotse fonkeling, "ik weet nu wie je bent en daarom gaan we je terugkomst vieren", en hij voerde de Prins mee naar de Koninklijke woonvertrekken, waar zijn vader rusteloos zijn komst had afgewacht.
De oude man slaakte een zwakke kreet van vreugde en omhelsde zijn verloren gewaande zoon hartstochtelijk.
"Het spijt me dat ik je zo slecht behandeld heb", fluisterde hij, en de Prins wierp hem een tedere blik toe en dacht: 'Wat is hij oud geworden..', en er blonken dikke, zilveren tranen in zijn ogen.
Nadat zij gezamenlijk de maaltijd hadden gebruikt wilde de Prins zich terugtrekken in de torenkamer, die gedurende zoveel jaren zijn woonplaats was geweest, hetgeen hem echter onmogelijk werd gemaakt door prins Friso die niet van zijn zijde viel weg te slaan.

"Kom", zei de jonge prins, die zich sterker dan ooit voelde aangetrokken tot de ander, in wie hij als het ware een tweelingbroer was gaan zien, en hij sloot hem in zijn armen en drukte vol tederheid en nauwelijks ingehouden wellust zijn hunkerende jongenslippen tegen het voorhoofd van de Prins.
O, nog nooit had hij zoveel van een ander mens gehouden! Hij perste zijn gloeiende mond tegen de wangen van de Prins en gleed omlaag naar de kin, om tenslotte de krachtige, mannelijke mond te bereiken, die zich gedurende een kort moment opende; als een teken wellicht van instemming en liefdevolle overgave...
En nadat zij elkaar op zo een innige en tedere wijze hadden gezoend staarde de Prins ontroerd de verliefde jongen aan en hij viel hem huilend om de hals.
Alle verdriet en eenzaamheid van de afgelopen jaren kwamen bovendrijven in zijn hart en hij snikte werkelijk op een hartverscheurende wijze.
En de verliefde jongen in zijn armen streelde hem troostend over zijn hoofd en zijn rug en zijn billen en hij duwde vol hartstocht en wellust zijn kruis tegen de krachtige, mannelijke heupen van de ander, zodat zijn jongenspik zich door de aanhoudende wrijving oprichtte en langzaam langs zijn buik omhoogklom in zijn broek.
O, ze kusten en liefkoosden elkaar, terwijl de tranen hen over de verhitte wangen stroomden, en ze wisten zichzelf geen raad van Liefde, zo hevig waren nu hun gevoelens, alsof God zelf een laaiend vuur had ontstoken in hun beider harten.

En vanaf dat moment sliepen zij met zijn tweeën in een bed, alwaar zij alle geheimen van de Liefde probeerden te ontsluieren, zoals Geliefden dat ook behoren te doen, en nadat hun vader was gestorven namen zij gezamenlijk plaats op de gouden troonzetel, die daarvoor breed genoeg was, en op die wijze regeerden zij vele jaren lang het land, met grote wijsheid en toewijding, en zonder hulp van de Raad van Wijze Mannen, die door hen werd opgeheven, omdat er volgens de beide Koningen geen wijsheid kan bestaan in een land waar men de Liefde doodverklaart.


Wim Duzijn - Zwolle - Holland