Friedrich Nietzsche
nog altijd onbegrepen...


De moraal van het zichzelf vergooien is de moraal van de ondergang.., het gegeven 'ik ga ten onder' getransponeerd in de imperatief: 'jullie moeten allemaal ten ondergaan'.. Deze enige moraal, die tot nu toe onderwezen is, het zichzelf vergooien, geeft blijk van een wil, een verlangen naar het einde, in de grond van de zaak ontkent zij het Leven.
Definitie van de moraal: Moraal - de idiosyncrasie van decadents, met de achtergrondgedachte, zich te wreken op het Leven - en met succes.
Friedrich Nietzsche, in: Ecce Homo

Friedrich Nietzsche, de filosoof van het immoralisme, vijand van alles wat zich 'joods' of 'christelijk' noemt, wordt in primitief-moralistische linkse milieus nauwelijks serieus genomen.
Nietzsche haat de plebejische idealen van kleinburgerlijke wereldverbeteraars en dat maakt hem verdacht, in zo'n verregaande mate, dat men veelal niet eens de moeite wil nemen zijn werk diepgaand te bestuderen.
Links (nieuw links, beter gezegd) en diepgaande studie zijn trouwens toch tegenstrijdige zaken.
Wat zich in Holland links noemt heeft jarenlang voor 'actie' (ofwel de terreur van de grote bek) gestaan en iedereen die de waarde van dat actievoeren ter discussie wilde stellen werd verstoten, niet op grond van redelijke argumenten, maar op grond van een overtuiging, een houding die men, wanneer men tenminste voor een rationele benadering van de werkelijkheid kiest, alleen maar kan omschrijven als een geloofshouding.
"Daar geloof ik niet in...", dat is het adagium van de actievoerder en zodra hij die uitspraak heeft gedaan is het gesprek beëindigd en gaat hij over tot de orde van de dag.

In Nederland is het binnen links-intellectuele kringen mode geworden om die primitief-burgerlijke houding - daar geloof ik niet in, ik draag immers klompen... - een schijn van wetenschappelijkheid en rijp intellectualisme mee te geven, en het zal dan ook geen verwondering opwekken wanneer ik stel dat de meeste linkse intellektuelen in diepste wezen uiterst reactionaire cultuurproleten zijn, die slechts één enkel verlangen kennen: de vernietiging van al diegenen die door willen dringen naar de waarheid die achter het klakkeloos uitgesproken woord verscholen ligt...

In zo'n negatieve, destructieve burgermanswereld mensen horen beweren dat een 'intellectueel' Nietzsche gelezen moet hebben, dat is alsof je de Paus hoort zeggen dat de mensen Christus na moeten volgen: een farce, een tragikomisch tafereel uit een boek van een geruïneerde, aan de drank verslaafde schrijver, die het delirium tot waarheidscriterium heeft uitgeroepen.
In zo'n halfduistere schemerwereld, waarin de ratten kwispelstaartend over het behang kruipen, kun je de president van Tsjecho-Slowakije (die ooit als dissident de verstikkende gelijkschakelingswoede van de communisten bestreed...) horen beweren dat de Paus van Rome een profeet van de Liefde is, terwijl tegelijkertijd de calvinistische tweelingbroer van de Paus, de emeritus-hoogleraar in de theologie, professor Kamphuis, ons tracteert op de opmerkelijke uitspraak dat Friedrich Nietzsche niets anders is dan de prins van het nihilisme, waarbij nihilisme niet gezien wordt als een gezonde vorm van op vernieuwing en innovatie gerichte progressiviteit, maar als een ziekelijke vorm van negatief, vernielzuchtig denken.

Gelukkig weten we van Nietzsche dat kleinburgerlijke waarden en waarheden op hun kop gezet dienen te worden om de waarheid te ontdekken, zodat we rustig mogen concluderen dat de calvinist Kamphuis en de Paus van Rome in feite de conservatieve nihilisten zijn, waar de naar vernieuwing verlangende liefdesapostel Friedrich Nietzsche tegen ten strijde wilde trekken.

Nietzsche was geen nihilist. Hij kende, zoals zoveel kunstenaars die door het leven gefolterd worden, maar één enkel verlangen: ontsnappen, wegvluchten uit het gekkenhuis van de burgerij, waarin altijd en eeuwig de buitenbeentjes tot zondebok worden uitgeroepen. Hij wilde nieuwe waarden scheppen, hij wilde een wereld bouwen waarin de ernstige mens, de mens met een 'Heren-moraal', de plaats in zou nemen van de destructieve, rancuneuze mens: de mens met een 'Slaven-moraal'.
Nietzsche erkende het feit dat de mens een Noodlot is en juist daarom zag hij in dat de burgerlijke onderdrukkingswoede een zich eeuwig voltrekkend Fatum is, waaraan de enkeling alleen kan ontsnappen door 'hard' te worden. Hard dus niet gezien als lomp en dom, maar als ernstig, eenzelvig en individualistisch (heren-waarden of, astrologisch gezien: Saturnale waarden).
Nietzsche richt de oproep om hard te worden niet tot (wat hij noemt) 'plebejers'. Plebejers, dat zijn volgens hem de joden, de christenen en de sociaal-democraten, met hun primitieve verlangen de macht in handen te geven van een wraakzuchtige massa, die zijn autoriteitsloze wreedheid altijd richt tegen intelligente en gevoelige anderen. Een democratie waarin de domheid regeert is volgens Nietzsche geen democratie: het is de dictatuur van het proletariaat, de terreur van de benepen kleinburger die alles wat 'anders' is wil vernietigen.
Nietzsche komt juist op voor datgene wat wordt afgewezen. Juist bij die afgewezenen ontdekt hij de ware zieleadel, die hem in staat moet stellen de verloren vitaliteit terug te vinden.

Op de een of andere vreemde manier stuiten buitenbeentjes (en Nietzsche was een buitenbeentje, wat ook zijn tegenstanders mogen beweren) altijd op een immens reservoir van negativisme, wanneer zij een poging wagen zichzelf te ontplooien.
Zodra een intelligent mens de wil in zichzelf ontdekt 'meer' te willen zijn dan de anderen, ontketenen zich allerlei tegenkrachten die zijn geestelijke ontwikkeling proberen te verhinderen.
Zo wijst Nietzsche op het lage peil van het universitaire onderwijs in zijn tijd, waarin absoluut geen rekening wordt gehouden met het verlangen van de intelligente mens zichzelf te ontplooien.
Lees wat hij schrijft in Afgodenschemering:

Overal heerst een onfatsoenlijke haast, net alsof er iets verzuimd zou zijn indien een jongeman op zijn drieëntwintigste jaar nog niet 'klaar' is, nog geen antwoord weet op de vraag 'welk beroep?'. Een hogere soort mens, met permissie, houdt niet van beroepen, omdat hij zich juist geroepen voelt... Zij heeft tijd, zij neemt tijd voor zichzelf, zij denkt er helemaal niet aan 'klaar' te komen - als je dertig bent, ben je in de zin van een hoge cultuur een beginneling, een kind...

Nietzsche heeft ongetwijfeld gelijk. Wie van het universitaire onderwijs een op het bedrijfsleven afgestemde onderwijsfabriek wil maken, die vernietigt de ernstige, intelligente mens die domweg tijd nodig heeft om zich te ontwikkelen. (Astrologen plaatsen dit type mens onder het teken Steenbok, en zij wijzen er op dat een Steenbok pas na zijn veertigste jaar geestelijk rijp begint te worden - een leeftijdsindicatie die ook wordt gehanteerd binnen de wereld van de Joodse kabbala-onderzoekers...)
Anti-intellectualisme, gevoed door scherts-intellectuelen die in de jaren zestig en zeventig de wilde, jeugdige mens (de vertegenwoordiger van de chaos en de collectivistische slavenmoraal) boven de ernstige mens (de vertegenwoordiger van de orde en de afstandelijke herenmoraal) plaatsten heeft Nederland de afgelopen decennia in zijn greep gehad en het is de vraag of iemand een poging wil wagen dat negatieve uitroeiingsstreven een halt toe te roepen.
Waar de chaotische middelmaat regeert, daar zal iedereen die het woord 'hoog' in zijn mond durft te nemen worden weggejaagd.

In de jaren zestig was het binnen links-intellectuele milieus een goede gewoonte om intellektuelen die de orde boven de chaos plaatsten 'fascisten met Übermensch-idealen' te noemen, autoritaire onderdrukkers, die de zielige, wilde mens aan banden wilden leggen. Een tragikomische affaire natuurlijk, omdat diegenen, die zich op een serieuze, intelligente wijze bezighouden met het bestaan in feite nooit veel te vertellen hebben.
Echte intellectuelen zijn zelden rijk en machtig. Wanneer je de boeken van echte intellectuelen leest dan zie je dat ze voortdurend moeten vechten tegen overweldigende gevoelens van machteloosheid, ziekte en melancholie, die hen dwingen zichzelf af te zonderen van al diegenen die op een wilde, oppervlakkige wijze de ziekte van het bestaan in stand proberen te houden.
De vrolijke revolutionairen (een term die werd uitgevonden door de marxistisch-leninistische schrijver Harry Mulisch ) waren de 'Übermenschen', die zich op een primitief-moralistische wijze boven alle anderen plaatsten.

Wie ziek en alleen is en moet vertoeven in een wereld waar alles zwaar, moeizaam en pijnlijk geworden is, die zoekt geen 'ideaal'. Wat voor een ander doodgewoon is, dat is voor hem iets onbereikbaars geworden. Daarom zoekt hij het 'gewone', dat simpele bezit dat domme, lompe, hersenloze moralisten zomaar in de schoot geworpen wordt - volstrekt gratis, zonder dat ze er ook maar iets voor hoeven te doen. Erg vals, omdat iedereen met een beetje gezond verstand zal inzien dat zulke grote, sterke, strontverwende maniakken niets te maken willen hebben met serieuze mensen die hard moeten knokken voor hun kommervolle bestaan.
Wie het leven van bekende buitenbeentjes heeft bestudeerd, die weet dat hun wezenlijke verlangens op een welhaast deerniswekkende wijze onbeduidend klein zijn, klein in die zin, dat zij volstrekt niet zijn gericht op de egoïstische verovering van wereldse macht, macht die gegrondvest is op de kleinburgerlijke moraal.

Luister naar de omschrijving die Friedrich Nietzsche geeft van het anti-burgerlijke, amorele ideaal:

Het ideaal van een geest, die naïef, dat wil zeggen ongewild en uit een overvloed aan volheid en macht, zit te spelen met alles, wat tot nu toe heilig, goed, onaantastbaar en goddelijk is genoemd... Het ideaal van een menselijk-supermenselijk welbehagen, dat maar al te vaak de indruk van iets onmenselijks zal wekken, bijvoorbeeld wanneer het zich terzijde van de complete aardse ernst tot nu toe opstelt, als baarlijke parodie tegen wil en dank - en waarmee in weerwil van dat alles wellicht voor het eerst de Grote Ernst inzet...

Heeft het navolgen, het bewonderen en het bestuderen van de filosoof Nietzsche geleid tot het inzetten van de grote ernst binnen de wereld van de linkse intellectueel?
Wie een nuchtere blik werpt op de cultuurgoederen die moderne Hollandse kunstenaars produceren die zal van alles kunnen ontdekken, behalve een werkelijkheid waarop het Nietzscheaanse begrip grote ernst geplakt kan worden.

Vrijwel niemand in ons onvolprezen kunstenaarswereldje heeft Nietzsche begrepen. De kluizenaar wordt in dit anti-ludieke land gehaat. Wie als kluizenaar terug wil keren uit de woestijn wordt met drek en vuil bekogeld. Een kluizenaar mag niet zeggen dat hij met zichzelf in het reine is gekomen. Omdat zijn intellectuele reinheid de ontkenning is van het kleinburgerlijke bedrog, dat nooit met zichzelf in het reine wil komen, juist omdat het de leugen nodig heeft om zichzelf te kunnen handhaven.

Wat in dit leugenachtige land als parodie wordt gepresenteerd is parodie, dat wil zeggen, het verwijst slechts naar zichzelf en niet naar een grotere werkelijkheid, laat staan een werkelijkheid waarop je het etiket 'grote ernst' kunt plakken.
Het universitaire onderwijs wordt stelselmatig afgebroken, d.w.z. teruggebracht tot het niveau van de gejaagde mens die op zijn dertigste jaar tot de geslaagden van dit land wil behoren, en tegelijkertijd hoor je een vertegenwoordiger van een links-liberale partij, Hans van Mierlo, beweren dat we 'intellektuelen' nodig hebben.

Maar wat is dat dan, een 'intellectueel'? Heeft iemand zich dat wel eens afgevraagd?
De moraal van het zichzelf vergooien, dat is de enige moraal die tot nu toe onderwezen is, zou Friedrich Nietzsche tegen Hans van Mierlo zeggen.
Men breekt alles af in de hoop dat de echte intellectueel, de onafhankelijke, kritische geest, die tegen alles en iedereen ingaat, omdat hij de mens wil ontrukken aan de greep van de ideologische stompzinnigheid, vanzelf zal uitsterven.
De 'eeuwige student', dat is een begrip dat we niet meer kennen. En toch is dat de juiste omschrijving van een intellectueel: Een stille, rustige vent die voortdurend in beweging is.
Vier, vijf magere jaartjes, meer studieruimte is er momenteel niet voorhanden voor het intelligente individu dat 'intellectueel' wil worden. Vijf magere jaren. En dan? De dood? De sprong in de wervelende tredmolen van de commercie...? Zo snel als maar mogelijk is...?

Het wordt tijd dat de filosoof Nietzsche serieus genomen wordt door al diegenen die zichzelf 'intellectueel' noemen.
Het vergaat Nietzsche, zoals het andere filosofen, al dan niet in de mode, vergaat: men verorbert zijn woorden, slikt ze ongekauwd door en braakt ze bij tijden weer uit, vermengd met brandend maagzuur, dat op vertering zou moeten duiden, maar in feite alleen maar wijst op indigestie, opgeblazenheid en niet te stuiten winderigheid.
De zuiverheid van de woorden van Nietzsche is verloren gegaan en ervoor in de plaats is de troebele chaos van de woorden van zijn volgelingen gekomen: zelfingenomen woorden, vol bluf en grootspraak, die potsierlijk aandoen voor iemand die zich in de marge van het maatschappelijk gebeuren bevindt, een verblijfplaats waar ieder woord zinloos is, wanneer het wordt geplaatst in het licht van de burgerlijke vernietigingswoede die, in burgerlijke termen uitgedrukt, alleen maar een uitvloeisel zou zijn van de ziekte (paranoia of achtervolgingswaanzin) van de marginale mens, die op zijn dertigste jaar een beginneling is in een wereld waar alle anderen geslaagd zijn.

Serieuze, marginale kunstenaars mogen alleen maar ziek zijn in een wereld waarin de aangepaste kleinburger blaakt van gezondheid. Is u dat wel eens opgevallen?
De filosoof Nietzsche was ziek. Zijn moeder en zijn zus (door hem in zijn brieven 'schorem' genoemd) verzorgden hem. Binnen hun kleinburgerlijke wereld mocht hij niet meer zijn dan een zielige, debiele zonderling.
De schrijver Franz Kafka was eveneens ziek. Zijn kleinburgerlijke vader was de sterke man, die op geringschattende wijze neerblikte op het weke, slappe zoontje.
Dat betekent dat hij, die de marginale kunstenaar wil helpen, de zwakte hatende kleinburger aan zal moeten klagen, omdat de kleinburger zich op een vampiristische wijze aan de gemarginaliseerde zwakke mens vastzuigt.
De kunstliefhebber, zou Nietzsche zeggen, moet het Noodlot tarten...

Dat Noodlot komt tot uiting in een primitieve moraal, die niets anders is dan een poging van de kleinburgerij het Noodlot op een voor hem voordelige wijze te bedwingen.

Juist het hardnekkige streven van de kleinburger een primitieve moraal in stand te houden en te versterken ('herstel van de burgerlijke waarden', noemt hij dat) kan gezien worden als een bewijs voor het bestaan van een dwingend Fatum dat de wereld regeert.
Positief en negatief, goed en kwaad, Yin en Yang, dat zijn de polen die het leven volgens het fatalistisch ingestelde occultisme bepalen.
De kleinburgerlijke uitdrukkingswijze van deze tweepoligheid is de moraal. Wie niet zwart wil zijn, die zal wit moeten zijn, en dat is nu precies de kern van alle konflikten in een wereld die door kleinburgers wordt geregeerd.

Men valt nooit 'de' moraal aan in burgermansland, nee, men valt de moraal van de ander aan.
Het Noodlot blijft als een onwrikbaar en onaantastbaar gegeven overeind staan, daar tornt men niet aan; hoe zou men het ook kunnen, immers: 'Men gelooft daar niet in...'
De moraal verwordt in een burgerlijke kunstenaarswereld tot de moraal van de Evangelische Omroep, of tot de moraal van een stel dwaze occultisten en natuurgenezers, en wanneer men die 'moraal' (de moraal van een minderheid.., nooit de moraal van de meerderheid..) nu maar verwerpt, dan is men automatisch een vrije geest, iemand die het grote voorbeeld, Friedrich Nietzsche, heeft begrepen.

Wie zijn de mensen, kun je jezelf afvragen, die op een dergelijke kortzichtige wijze hun kleinburgerlijke filosofietjes de wereld in werpen?
Welaan, heel eigenaardig is het dat je hier twee tegenover elkaar staande mensentypen broederlijk hand in hand ziet gaan: De 'angst-verkondigers' en de 'verkondigers van sociale platitudes'.
Beiden werpen zich met al hun rancuneuze felheid op minderheden die in feite onbeduidend zijn, vanuit de opvatting dat een mens het Noodlot niet moet tarten.
Zorg ervoor aan de goede kant te staan. Laat de slagen van het lot neerkomen op de hoofden van de ander, dat wil zeggen: de minderheid.
Niet het zondebokdenken dat het Grote Kwaad in een dualistisch ingestelde wereld is wordt aangevallen, nee, men koestert juist dat zondebokdenken, alsof men beseft dat dit mechanisme het grootste en meest belangrijke goed is dat de mens bezit.
Wie derhalve werkelijk het zondebokdenken aan wil pakken, die zal voor alle buitenbeentjes op de bres dienen te staan, ook die buitenbeetjes die het slachtoffer zijn geworden van het eigen groepsdenken.

Maar als je dan kijkt naar het sociale beleid dat in Nederland wordt gevoerd, dan denk je bij jezelf: ze weten niet eens wat dat is, een 'buitenbeentje', alles wat ze in huis hebben is een rolstoel en een Melkert-baan.
"Laat ze maar rollen en werken", dat is de eendimensionale filosofie die het Ministerie van Sociale Zaken hier uitdraagt, en dan geen werk dat gericht is op de verheffing van het volk, zoals je dat in een door idealisten geregeerd land zou mogen verwachten, maar op de verpaupering van het volk, omdat de banenscheppers waaraan het gewone volk zich moet onderwerpen vrijwel altijd doodgewone, aangepaste plebejers zijn.

Als belanghebbend buitenbeentje, dat op zijn dertigste jaar mislukt en berooid in een inrichting bij mocht komen van het idealisme dat hem in een moralistische wereld ongevraagd naar zijn hoofd werd geworpen, zit ik nu voor het lichtende scherm van mijn kleurentelevisie en ik luister nieuwsgierig naar al die snelle, geslaagde luitjes, die vol energieke flinkheid en vastberadenheid beweren dat 'luie mensen en aanstellers' - met name natuurlijk: diegenen die niet geslaagd zijn in het leven! - maar eens hard aangepakt moeten worden.

De mens is een Noodlot, roept de klaaglijk protesterende filosoof Friedrich Nietzsche zijn ernstloze belagers toe, alleen dit kan onze leer zijn:
Dat niemand aan de mens zijn eigenschappen geeft, noch God, noch de samenleving, noch zijn ouders en voorouders, noch hijzelf...
Maar een valse moralist kan niets anders dan mensen maken, vormen en aanpassen. Als de mens dan al een individu is, dan is hij binnen de wereld van de kleinburger weinig meer dan een kopie van zijn vormgever, en daarmee de vleesgeworden ontkenning van het vooruitgangsdenken dat in links-intellectuele kringen zo graag verkondigd wordt.

De Nederlandse intellectueel distantieert zich niet van dit dwaze gebeuren.
De Nederlandse intellectueel is een 'klootjesmens' die lacht om andere 'klootjesmensen', een meedogenloze stakker, die nooit een werkelijke, ja-zeggende levenshouding zal ontwikkelen, juist omdat hij het hogere tot abstractie heeft verheven.
De arme Nietzsche ligt intussen als een op hol geslagen tol rond te draaien in zijn graf en hij moet gelaten dit smadelijke schouwspel gadeslaan.

Het schijnt het onveranderlijke noodlot van genieën te zijn, door anderen niet begrepen te worden.
Desondanks wil iedereen zich met geniale kunstenaars bemoeien. Je vraagt je af: waarom...
Vermoedt men misschien dat men toch niet zo vrij is als men voorgeeft te zijn? Is het een poging wellicht de eigen burgerlijkheid weg te stoppen en te ontkennen? Dat laatste is niet te hopen want kleinburgers die hun eigen burgerlijkheid ontkennen moeten als levensgevaarlijk worden aangemerkt.
Een ernstig mens relativeert alles, ook zijn verlangen geen aangepaste burgerman te willen zijn. Hij weet dat het woord burgerlijkheid een cliché is, dat door anderen in het leven is geroepen, zodat het onzinnig is jezelf klakkeloos af te zetten tegen burgerlijkheid.
Wat is burgerlijkheid, vraagt hij zichzelf af, bevat de burgerlijkheid die men verfoeit ook elementen die voor de ontplooiing van mijn karakter waardevol zijn?, want als dat zo is, dan kan ik ze niet burgerlijk noemen, omdat alleen datgene burgerlijk is wat de vrije ontplooiing van mijzelf als individu onmogelijk maakt.

Een ernstig mens heeft de grenzen van het burgerlijke denken doorbroken. Waar onnadenkende kleinburgers voortdurend nieuwe muren opbouwen, daar breekt hij muren af.
Een ernstig mens lacht om zichzelf. Hij ziet zichzelf ploeteren en worstelen om het hoofd boven water te houden en hij denkt: 'Mijn god, wat een dwaasheid om dit alles vol te houden'.
En desondanks gaat hij verder, want hij beseft dat de dwaasheid van het leven facetten omvat die voor hem onmisbaar zijn, en doelbewust richt hij zijn aandacht op die facetten, zich bewust van zijn tekortkomingen, zijn fouten en zijn 'kleinheid'. Ja, hij zet door, want hij ziet het als zijn plicht zichzelf te verwezenlijken, en daarom aanvaardt hij de slagen van het Noodlot, dat hem net als alle anderen treft.
Het enige criterium dat hij kent is het Leven, en zolang het Noodlot dat criterium niet ondermijnt kan hij het liefhebben, en die liefde noemt hij Amor Fati, de liefde voor hetgeen noodzakelijk is.
Zo ontwikkelt zich de Nietzscheaanse vrije geest: langzaam en geleidelijk...
Hij stelt zich als doel de doelloosheid, zijn zoeken gaat uit naar het niet-zoeken en zijn ernst is de ernst van de wijze die zijn hart openstelt voor iedereen, ook voor zijn vijanden, omdat alleen 'het worden' voor hem belangrijk is.

De Nederlandse kunstenaar, die op een zinloze wijze Levens-ontkennende filosofen (zoals Schopenhauer en Wittgenstein) aanbidt is verloren voor het Leven. Hij is per definitie de vijand van de levensbevestigende filosofie van Friedrich Nietzsche.

Waar Schopenhauer stelt dat het leven niet waard is om geleefd te worden, een boodschap die de geslaagde burgerman met graagte aanhoort, omdat hij bij zijn genadeloze jacht op rijkdom en succes niets te vrezen heeft van pessimisten die niets meer willen en verlangen, daar roept Nietzsche uit dat hij Leven wil - hoe hard het Noodlot hem ook treft.

Nietzsche zoekt de sobere vrijheid die alleen de afzondering de ernstige mens kan brengen, niet de patserige rijkdom van de burgerlijke macht. Luister naar zijn geloofsbelijdenis:

De vrije geest zit in stille verwondering neer; waar was hij toch? Alle dingen om hem heen, hoe veranderd schijnen ze hem toe, welk een lichte, toverachtige bekoring hebben ze gekregen. Dankbaar kijkt hij terug en beziet zijn reislust, zijn hardheid, zijn zelfvervreemding, het rondzwerven op koude hoogten en het schouwen in duistere, eindeloze verten. Hoe juist is het geweest, dat hij niet als een weke, bekrompen, gemakzuchtige idioot steeds 'thuis', steeds bij zichzelf is gebleven. Hij was vervreemd van zichzelf; ongetwijfeld. Nu eerst ziet hij zichzelf....

En op het moment dat hij zichzelf ziet verdwijnt de hardheid van het primitieve, hersenloze burgermansoordeel, dat altijd wordt uitgesproken door gemakzuchtige egoïsten die nooit de schaduwzijde van het leven als slachtoffer hebben beleefd.
Het strenge egoisme van Friedrich Nietzsche, dat omstraalt wordt door het allesonthullende licht van het Noodlot, maakt ernstig, hoe vreemd en chaotisch en paradoxaal die ernst er in de ogen van de aangepaste mens ook uit mag zien.
Het strenge egoisme van Nietzsche doet een mens overgaan naar een werkelijkheid die buiten de grenzen van het aangepaste burgerdom ligt, een burgerdom, dat star en humorloos zijn loodzware het Leven ontkennende begrippen de wereld in blijft gooien, omdat het maar een echte vijand kent:
De uitgestoten mens die in een dualistische wereld naar eenheid streeft...

Op 9 november 1990 als brief verzonden aan de redactie van de Volkskrant,
Wim Duzijn