Het blad van de Tovenaar
uit de bundel : 'Revolutie in het Gekkenhuis'
leerzame verhalen
Hoe oud de grote eikenboom in onze tuin was weet ik niet. Ongetwijfeld moet hij al honderden jaren oud zijn geweest. Hij stond er altijd erg stoer en stram zichzelf te zijn en al vanaf mijn prilste kindertijd bewonderde ik die reusachtige boom, zoals een ander misschien adoratie opvat voor een hond of een kat of een vriend.
Als kind was ik er ten stelligste van overtuigd dat er elfen en kabouters bestonden en op een heel naïeve, goedgelovige wijze veronderstelde ik dat deze boom hun woonplaats was. Ergens in het inwendige van de dikke, zwaargegroefde stam moest zich een ruimte bevinden, die door een machtige tovenaar was voorzien van prachtige versieringen, met veel goud en zilver, echt zo rijk glanzend als in een ouderwets sprookjesboek.
O, ik hield werkelijk verschrikkelijk veel van tovenaars, mensen die met slechts een enkel teken van hun hand de mooiste dingen kunnen maken. Geen gezwoeg en geploeter, geen gezeur over armoede en rijkdom, nee, in de tuin van een tovenaar is elk mens even rijk.
In gedachten probeerde ik me hem vaak voor te stellen. Hij moest, zo meende ik, donker en slank zijn, met een ernstig, maar toch niet somber gezicht, en zijn ogen moesten diep in de kassen liggen en een felle, gebiedende blik vertonen. In sprookjesboeken zag je tovenaars wel eens afgebeeld als kleine, dikbuikige mannetjes, die midden op het bolronde hoofd een lange, zwarte puntmuts dragen en iedere keer als ik zo'n ontluisterende tekening ontwaarde ontstak ik in grote woede en met een rood potlood kraste ik er net zo lang overheen tot er niets meer te zien was dan een immense rode vlek.
Ik vond het ronduit beledigend dat een tovenaar als een dikke sullige goedzak werd afgebeeld, want een tovenaar was in mijn ogen een strenge, waardige man met hele ernstige gedachten en hij was lang en slank.
Wanneer ik naast hem zou lopen, dan zou ik me volkomen veilig moeten voelen, dan moest ik het gevoel hebben dat geen mens me kwaad zou kunnen doen en op de een of andere manier waren alleen donkere, slanke mannen in staat mij dat gevoel te geven.
Op de lagere school was er een onderwijzer die een beetje op het ideaalbeeld van mijn tovenaar leek. Ik vond het een erg aardige man en na schooltijd bleef ik altijd even na om met hem te praten. Ik vertelde hem dan over onze tuin en over de grote, oude eikenboom die er het middelpunt van was en hij luisterde altijd vol aandacht naar mijn verhalen.
Toen ik hem over 'mijn' tovenaar vertelde glimlachte hij, ik weet niet waarom. Nieuwsgierig staarde ik hem aan en ik voelde dat hij me serieus nam. "Hebt u wel eens een tovenaar ontmoet", vroeg ik op een dag, en hij lachte en zei met zachte stem: "Nee, jammer genoeg niet."
Het klonk verschrikkelijk droevig, die uitspraak, en dat verbaasde me. Ik kon niet begrijpen dat zo'n aardige man nog nooit een tovenaar had ontmoet.
"Als ik die van mij ontmoet", beloofde ik hem, "dan zal ik hem zeggen dat hij eens bij u langs moet gaan", en de onderwijzer aaide mij over het hoofd en antwoordde: "Ja, dat is leuk, dat moet je doen, daar zal hij mij een groot plezier mee doen..."
Nu ik terugkijk op die tijd vraag ik me af waarom mijn tovenaar lang en slank moest zijn en waarom ik perse wilde dat hij felle, donkere ogen bezat.
Vreemd, mensen met felle ogen fascineerden mij. Hun ogen straalden kracht uit, keken soms uiterst brutaal de wereld in en dat boezemde mij ontzag in.
Ikzelf was als kind niet zo brutaal. Ik was uiterst netjes en beleefd en het kwam zelden voor dat ik een andere jongen uitschold. Daarom was mijn tovenaar waarschijnlijk zo anders. Hij was iemand met gezag. Kwam een kabouter hem lastig vallen met een hoop kinderachtig gezeur dan zou hij hem heel streng aankijken en dan zou die kabouter zich huilend van schaamte verwijderen, vervuld van het besef dat hij niks meer was dan een kleine, onbeduidende dwerg.
Ja, met mijn tovenaar viel niet te spotten. In een droom heb ik hem een keer gezien. Hij zat aan de voet van de eikenboom en hij rookte een sigaret. Een vreemd gezicht vond ik dat. Hij droeg een zwarte broek en glimmend gepoetste zwarte laarzen en alles aan hem was strengheid en waardigheid en toch rookte hij heel rustig en bedachtzaam een sigaret.
Toen ik naar hem toeliep richtte hij gedurende een kort moment zijn felle, priemende blik op mij.
"Ga zitten", zei hij, terwijl hij peinzend een wolk rook uitblies, en vol ontzag zette ik me naast hem neer. Bewonderend bekeek ik de glimmende laarzen en ik voelde me kleiner en onbeduidender dan ooit.
"Jij woont daar in dat huis, is het niet?", vroeg hij en ik knikte bevestigend en vertelde hem dat ik daar samen met mijn vader en moeder woonde en dat ik ook een kat bezat, die niet helemaal zwart was, maar op een paar witte vlekken na, wel bijna helemaal.
Hij keek me met zijn scherpe, onderzoekende ogen aan en verlegen wendde ik mijn blik af. Op tedere wijze sloeg hij een arm om me heen en zei zacht: "Je bent een lieve jongen, ook al weet je niet veel...".
Daarna leunde hij, steunend op beide handen, achterover en blies op krachtige wijze een immense wolk rook voor zich uit, zodat de ruimte om me heen blauw en wazig werd en ik het idee kreeg in een andere wereld te zijn aanbeland.
Langzaam trok de rook op en toen ik de wereld weer in alle duidelijkheid kon zien merkte ik dat hij verdwenen was.
Naast me, op de plek waar hij gezeten had, lag een groot, gekarteld eikenblad, in het midden vuurrood en aan de randen goudgeel van kleur en ik verbaasde me daar over, omdat het zomer was, zodat de eikenboom vol frisse groene bladeren zat. Nieuwsgierig pakte ik het blad op en nam het mee naar huis. Daar legde ik het neer op het kastje naast mijn bed, waarna ik het licht uitknipte en in slaap viel.
Ik was nog niet ontwaakt de volgende ochtend of ik dacht al aan de vreemde ontmoeting en ik richtte me snel op om te zien of het blad er nog was.
Groot was mijn teleurstelling toen ik constateerde dat het verdwenen was. Ik stapte uit bed en onderzocht nauwgezet mijn kamer. Ik keek in alle kasten, ja, ik haalde zelfs de dekens van het bed, omdat ik met alle geweld dat blad, dat het bestaan van mijn tovenaar kon bewijzen, terug wilde hebben.
Mijn zoekpogingen bleven echter zonder resultaat. Het was een droom geweest en dromen bleken nu toch bedrog te zijn, zoals mijn moeder me regelmatig vertelde, wanneer ik aan het fantaseren was.
Ik wilde echter mijn fantasiewereld niet in de steek laten en daarom liep ik iedere middag, na schooltijd, de tuin in om op de plaats waar ik tijdens mijn droom gezeten had op zoek te gaan naar dat bijzondere eikenblad. Ik herinner het me nog goed: het had vijf ronde uitsteeksels aan elke zijde, terwijl de top gekarteld was en er uitzag als een hoge, gouden koningskroon. Als kind stelde ik me voor dat het blad een lange, ellipsvormige tafel was, aan het hoofd waarvan een koning zat en die koning was mijn tovenaar...
Heel wat bladeren heb ik in de loop der jaren onderzocht en ik moet toegeven dat er veel bladeren bij waren die op het blad van mijn droom leken. Toch vertoonde geen enkel exemplaar ooit de goudgele kartelrand die de illusie van een gouden kroon opriep, zodat ik ijverig doorging met mijn speurtochten.
Na verloop van tijd echter verdween de kinderlijke belangstelling voor de eikenboom. Ik ging van de lagere school naar het atheneum en ik moest zoveel huiswerk maken dat er geen tijd meer overschoot voor 'nutteloze' bezoeken aan de tuin. Het blad uit mijn droom verloor zijn kinderlijke toverglans en bestond tenslotte niet meer voor me. Tot het moment kwam, ik was negentien jaar oud en stond op het punt naar een andere stad te vertrekken om daar een studie aan de universiteit te beginnen, waarop mijn vastomlijnde volwassen wereld in elkaar stortte.
Het was op een koude, winderige dag in november. De bomen waren bijna kaal en de hemel was bedekt met een dik, grijs wolkenpak.
Mijn moeder had me gevraagd iets uit de schuur te halen, een paar bloempotten, geloof ik, en ik liep de tuin in en vloekte in mezelf omdat het erg guur en kil was buiten.
Het tuinpad was bedekt met een glibberige laag afgevallen bladeren, waarvan er enkele aan mijn schoenen vastplakten, zodat ik af en toe stil moest blijven staan om de zwarte bladermassa te verwijderen.
Toen ik voorbij de oude eikenboom kwam hoorde ik iemand mijn naam roepen. Ik keek opzij en zag een lange, slanke jongen aan de voet van de boom zitten. Hij droeg een strakke, zwarte spijkerbroek waarvan de pijpen gestoken waren in hoge, zwartglimmende laarzen.
Verbaasd bleef ik staan en ik vroeg: "Wie ben je. Ken ik je ergens van?"
De jongen lachte, op een uitdagend-brutale wijze en hij haalde een pakje shag uit de binnenzak van zijn zwartleren jack.
"Of ik je ergens van ken?", zei hij, "wat een zeikerige vraag is dat; weet je niks beters te verzinnen?"
Ik voelde me een beetje opgelaten en wist totaal geen raad met deze situatie. Ik vroeg me af of ik gewoon door moest lopen naar de schuur of niet. Wat had ik te maken met die brutale vent?
De jongen onder de boom rolde een sigaret en met een nonchalant gebaar likte hij het vloeitje nat.
"Wat een sufferd ben jij", zei hij, en hij haalde een zilveren aansteker uit zijn broekzak, waaruit hij op een welhaast magische wijze een helblauwe vlam tevoorschijn toverde.
Ik liep wat aarzelend en verlegen een eindje in zijn richting. Was het een zwerver. Misschien een van die brutale, opgeschoten jongens die een eindje verderop in de straat een huis hadden gekraakt? Het leek me een gevaarlijke knaap. Hij lachte zo hooghartig en brutaal. Nee, gemakkelijk was hij niet...
Hij stak zijn sigaret aan en zoog de rook naar binnen.
"Je bent wel veranderd", zei hij, en hij leunde achterover tegen de stam en staarde me met een scherpe, onderzoekende blik aan, terwijl er wat blauwe rookslierten rondom zijn hoofd dansten.
Ik keek hem stomverbaasd aan. Wat was dat voor een idioot? Veranderd? Ik? Ik kende hem niet eens...
De jongen blies een wolk rook uit en zei op smalende toon: "Ik moet jou niet, al geven ze me een miljoen toe.." Ik zette grote ogen op. "Wat", stotterde ik, "wat?"
De jongen lachte en tikte wat as van zijn sigaret. "God", mompelde hij, "dat ik je terug zou zien als een saaie, stijve hark, dat had ik niet gedacht", en hij had nu een blik in zijn ogen waar ik bang van werd.
"Maar ik ken je helemaal niet", riep ik kwaad.
"Nee, natuurlijk niet", bromde hij, en hij sloeg zijn benen over elkaar, "god, hoe heb ik kunnen denken dat jij anders zou zijn?"
Hij staarde me met zijn felle, donkere ogen aan en wierp met een resoluut gebaar de sigaret weg.
Als een houten klaas stond ik voor hem; ik zou niet weten wat ik zeggen moest. Het was een wildvreemde kerel. Ik kende hem niet.
Hij knoopte mopperend zijn korte leren jack dicht, sprong met een snelle, katachtige beweging overeind, waarbij onze lichamen elkaar gedurende een fractie van een seconde raakten, en liep vervolgens met snelle tred van me vandaan.
"We zien elkaar nog wel eens", riep hij, "als je niet langer zo'n saaie, bescheten ouwe zak bent..", en met een bruusk gebaar wierp hij iets op de grond.
Toen hij verdwenen was liep ik naar de plek waar het voorwerp terechtgekomen moest zijn en na enig zoeken ontdekte ik wat het was. Geschrokken keek ik ernaar: Het was het blad uit mijn kinderdroom!
"Mijn God", mompelde ik, "hij was het, ik heb hem ontmoet en ik heb hem niet herkend...", en in heel hun schitterende volheid kwamen de kinderfantasieën weer in mijn herinnering terug.
Waarom was ik mijn droom vergeten? Als een onhandige klaas had ik daar voor mijn tovenaar gestaan en ik had niets anders gezien dan een zwerver, een brutale kerel die me lastigviel...
En nu, na zoveel jaren, bezat ik dan eindelijk het blad uit mijn droom en ik kon er niets meer mee beginnen.
Woedend wreef ik het tussen mijn handpalmen tot gruis en de tranen sprongen me in de ogen omdat ik begreep dat ik het in wonderen gelovende kind dat ik ooit was verloochend had.
"Hij is verdwenen", fluisterde ik, "verdwenen", en terwijl de tranen langs mijn wangen omlaag gleden vielen er grote, dikke regendruppels uit de hemel...: als huilde er daarboven iemand met mij mee.